Hongarije en de Hongaarse minderheden in Slowakije en Roemenië

De situatie van de Hongaarse minderheden in de buurlanden van Hongarije kan beschouwd worden als een klassiek voorbeeld van een minderhedenproblematiek die de potentialiteit van een internationaal conflict inhoudt. Zover is het niet gekomen, hoewel het nationalisme en de etnische spanningen na de val van het communisme fel zijn opgeflakkerd. De vraag kan gesteld worden waarom.
In dit artikel gaan we na hoe het post-communistische Hongarije met de minderhedenproblemen in de buurlanden is omgegaan, meer bepaald met deze in Slowakije en Roemenië. Het gaat hier immers niet alleen om de grootste Hongaarse minderheden (1) maar zij hebben op internationaal vlak ook de meeste aandacht gekregen.

We leggen hierbij vooral de nadruk op de rol die de nationalistische interpretatie van het verleden in het conflict speelt. Ook de rol van bepaalde theoretische concepten rond staatsvorming wordt belicht. Vervolgens bespreken we de Hongaarse en internationale bemoeienissen met de minderhedensituatie in Slowakije en Roemenië. Tot slot komen we terug op de vraag waarom de situatie rond de Hongaarse minderheden tot op heden nooit geëscaleerd is boven het niveau van occasioneel lokaal geweld of verbaal diplomatiek machtsvertoon.

Een bezwaard verleden.

De discussie over de Hongaarse minderheden in Slowakije en Roemenië wordt in hoge mate bezwaard door het nationalistische denkkader waarbinnen zij niet alleen in Roemenië en Slowakije maar ook in Hongarije zelf wordt geplaatst. De rol van de nationalistische interpretatie van de geschiedenis is hierbij zeer belangrijk.

In Hongarije zelf wegen de frustraties over het Verdrag van Trianon (1920) nog steeds door. (2) Hongarije werd door dit verdrag volledig onafhankelijk van Oostenrijk maar in de Hongaarse perceptie verloor het land tegelijk twee derde van zijn grondgebied. Hierbij verwijst men naar het deel van het Habsburgse keizerrijk waarbinnen de Hongaren in 1867 volledige interne autonomie hadden verworven. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er, als gevolg van het tijdens de vredesbesprekingen gehanteerde principe van het ‘zelfbeschikkingsrecht’, volledige onafhankelijkheid, maar dan wel in een veel kleiner gebied. Het ‘zelfbeschikkingsrecht’ gold immers niet enkel voor de Hongaren maar ook voor de talrijke minderheden die sinds 1867 door de Hongaren werden bestuurd. Hongarije moest dan ook grondgebied afstaan aan Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en Roemenië. Voor het grootste deel betrof het hier gebieden waar niet-Hongaren woonden. Maar in het geval van Transsylvanië en een stuk van de Banaat, die naar Roemenië gingen, betrof het regio’s met een sterk gemengde bevolking van Hongaren, Roemenen, Duitsers, enz… Wat het verlies van Slowakije betrof, het was niet alleen een gebied dat reeds duizend jaar het politiek-staatkundig lot van Hongarije deelde, maar bovendien werden door de concrete grensafbakening gebieden die haast uitsluitend door Hongaren werden bewoond van het moederland afgesneden.

De contradicties van het zelfbeschikkingsrecht.

De Hongaren hebben Trianon nooit echt verwerkt. Ook vandaag nog kan men op het internet websides aantreffen die niet anders zijn dan één klaagzang tegen Trianon. Tot op zekere hoogte is hier echter sprake van een mythe: dat Hongarije twee derde van zijn grondgebied verloor is juist als men de situatie van vóór 1914 als uitgangspunt neemt. Waar het Hongaarse 19de-eeuwse nationalisme naar streefde, was het herstel van het middeleeuwse Groot-Hongaarse koninkrijk dat in 1526 door de Turken van de kaart werd geveegd. De Hongaren vergeten hierbij gemakshalve dat er in grote delen van dit rijk helemaal geen Hongaren woonden én dat de talrijke minderheden (Kroaten, Serviërs, Slowaken, Roemenen, Duitsers, enz…) door de Hongaren na 1867 al even zeer werden onderdrukt als zij zelf tevoren door de Oostenrijkers, en het slachtoffer werden van hevige ‘magyariseringscampagnes’.

De geschiedenis van de moderne Hongaarse staatsvorming is dan ook een typisch voorbeeld van het zogenaamde ‘watervaleffect’ inzake minderheden en zelfbeschikking. De Hongaren, zelf een minderheid onder de Oostenrijkers, kregen autonomie binnen Oostenrijk-Hongarije. Dat leidde tot verdrukking van de niet-Magyaren die onder hun gezag stonden. Toen deze minderheden ook aangestoken werden door het nationalisme en zich aansloten bij Tsjecho-Slowakije, Roemenië en Joegoslavië werd meteen het probleem van de Hongaarse minderheden in die landen gecreëerd. Die werden op hun beurt als tweederangsburgers behandeld. Of hoe het principe ‘één volk, één staat, één taal’ botst met de realiteit waarin nu eenmaal mensen met verschillende taal en cultuur naast en door elkaar wonen.



Hongarije als beschermheer van de minderheden.

Deze blijvende frustratie rond ‘het onrecht van Trianon’ is tot op heden een politieke en sociale realiteit in Hongarije en heeft een dubbel gevolg:

- Enerzijds voelden zowel de laat-communistische als de huidige democratische regimes in Hongarije zich verplicht een rol van beschermheer ten aanzien van de Hongaarse minderheden in de buurlanden op zich te nemen. Hongarije heeft vooral de situatie in Roemenië en Slowakije, die inderdaad niet al te rooskleurig maar ook weer niet dramatisch is, aangekaart op internationale fora, wat mede verklaart waarom zij relatief veel aandacht krijgen. Tegelijkertijd werd gepoogd op bilateraal vlak tot overleg te komen. Vooral dit laatste is minder evident dan het lijkt. Tenslotte is de behandeling van minderheden nog altijd een interne aangelegenheid van staten, ook al hebben zij zich te houden aan de internationale standaarden inzake mensenrechten. De eis tot culturele autonomie van minderheden zoals die door de Hongaren wordt gesteld, is echter een stap verder.

- Anderzijds leeft in Slowakije en Roemenië de vrees voor het Hongaarse irredentisme (streven naar hereniging van Hongaarse minderheden in het buitenland) voort. Men dient hierbij te bedenken dat de politieke elites die in Slowakije en tot voor kort ook in Roemenië de dienst uitmaakten eveneens een sterk nationalistisch discours ontwikkelen dat traditioneel een anti-Hongaars element heeft. Men kan hiervoor vanuit het recente verleden enig begrip opbrengen. We mogen bv. niet vergeten dat Hongarije kort voor de Tweede Wereldoorlog, via de goede diensten van het duo Hitler-Mussolini een deel van Slowakije en Roemenië opnieuw ‘vreedzaam’ annexeerde, wat vaak met niet al te frisse praktijken gepaard ging. Als sommige Hongaarse politici zoals bv. de eerste post-communistische premier Antall, een zekere ‘flou artistique’ hanteerden over mogelijke nieuwe grenswijzigingen, en zich tot leider van 15 miljoen Hongaren uitriepen (Hongarije heeft maar tien miljoen inwoners), dan was dat uiteraard enkel koren op de molen van Roemeense en Slowaakse nationalisten. De Hongaarse minderheden in Slowakije en Roemenië konden door deze nationalisten dan ook gemakkelijk voorgesteld worden als een vijfde colonne van het Hongaarse expansionisme.

Slowaaks en Roemeens nationalisme

Maar uiteraard is de nationalistische inslag van het politieke leven in Slowakije en Roemenië ook een autonoom gegeven, dat niet louter verklaard kan worden vanuit een reactie op Hongaarse initiatieven.

In Slowakije heeft de autoritair-populistische premier Meciar als ‘vader des vaderlands’ van het nationalisme zijn handelsmerk gemaakt. Slowakije voelde zich bovendien zowel in het vroegere Oostenrijks-Hongaarse rijk als in Tsjecho-Slowakije altijd het kleine, achtergestelde broertje. Nu het land onafhankelijk is, wordt men geconfronteerd met een fenomeen dat ik het ‘minderheidscomplex van een meerderheid’ zou willen noemen en dat zich uit in een krampachtige wil de eigen identiteit te bevestigen én in een achterdocht ten opzichte van elk initiatief van de oude overheersers: Tsjechen en Hongaren, of hun lokale volksgenoten. (3) Dit fenomeen leidde tot wetten die het gebruik van het Hongaars in het openbaar leven beperken, tot het terugschroeven van de Hongaarse televisie-uitzendingen, tot pogingen om de bestaande Hongaarse scholen te ‘slovakiseren’ en tot discussies over op het eerste gezicht triviale maar daarom niet minder gevoelige kwesties zoals Hongaarse straat- en plaatsnamen, het enkel aanvaarden van Slowaakse voornamen én het verplicht gebruik van het suffix ‘ova’ door Hongaarse vrouwen.(4)

Als men hierbij nog bedenkt dat het Slowaakse politieke leven beheerst wordt door allerlei intriges, politiek en economisch machtsmisbruik en pogingen vanuit de omgeving van Meciar om heel het maatschappelijke en culturele leven en de pers te controleren en te manipuleren, dan is het wel duidelijk dat in Slowakije niet het goede klimaat heerst voor een zinnige discussie over Hongaarse eisen als gelijkheid van talen en Hongaars universitair onderwijs, laat staan over culturele en administratieve autonomie.

De situatie in Roemenië was tot voor kort tot op zekere hoogte vergelijkbaar met die in Slowakije. (5) Het land werd geregeerd door een coalitie van post-communisten én van minder of meer extreme nationalisten. Samen kunnen zij beschouwd worden als de erfgenamen van het Ceausescu-regime dat niet alleen de stalinistische orthodoxie tot op het einde in stand hield maar zich ook via een hevig nationalisme legitimeerde. Minder dan vele andere was de Roemeense maatschappij, gefragmenteerd en geïsoleerd als zij was door veertig jaar stalinistisch terreurbewind, klaar voor de uitdaging van de democratie. De democratisering heeft dan ook de tegenstellingen tussen Hongaren en Roemenen in de openbaarheid gebracht er daarom ging er ook een zekere bedreiging van uit voor de Hongaarse minderheid. Een bepaald deel van de bevolking kwam gemakkelijk onder de invloed van anti-Hongaarse nationalistische propaganda. Ook hier was het klimaat weinig gunstig voor de eisen van de Hongaarse minderheid, eisen die grotendeels in dezelfde lijn lagen als deze van hun Slowaakse volksgenoten.

Wat de discussie nog bemoeilijkt is de centrale rol die Transsylvanië zowel in de Roemeense als Hongaarse nationale mythologie speelt. (6) Voor de Hongaren is Transsylvanië het enige deel van Hongarije dat na de Turkse veroveringen een zekere onafhankelijkheid kon behouden en waar de Hongaarse waarden en taal het zuiverst werden bewaard. Voor de Roemenen is Transsylvanië dan weer de bakermat van de Roemeense cultuur, het land van de Daco-Romeinen die de Roemenen hun taal en cultuur (het christendom) schonken. Typisch is in dit verband de Hongaars-Roemeense ruzie over de zogenaamde continuïteitsthesis. Roemenen beweren dat na de invallen van de barbaren de Daco-Romeinen zich hebben teruggetrokken in de bergen van Transsylvanië om later weer uit te zwermen naar de rest van het huidige Roemenië. De Roemenen zijn dus altijd in Transsylvanië geweest en vooral waren ze er vóór de barbaarse (want heidense) Hongaarse stammen die het gebied in de negende eeuw veroverden. Hongaarse historici ontkennen dit en stellen dat Transsylvanië grotendeels ontvolkt was toen de Hongaren er kwamen. Pas later zouden Roemeense herders er zich gevestigd hebben. Kortom, een op zichzelf futiele ruzie over ‘wie was hier eerst’ en wie heeft dus het meeste recht om hier te zijn. Ook al gaat het om feiten die zich meer dan duizend jaar geleden voorgedaan hebben, zij spelen nog altijd een rol. Zo werden in de Transsylvaanse hoofdstad Cluj op initiatief van de Roemeense extreem-nationalistische burgemeester Funar opgravingen gestart die moeten bewijzen dat de Daco-Romeinen inderdaad altijd in Cluj hebben gewoond. Funar kondigde aan dat desnoods het ruiterstandbeeld van de Hongaarse renaissancevorst Matthias voor de opgravingen moet wijken. Rond het standbeeld zijn er ook incidenten geweest omdat Funar de latijnse inscriptie ‘Matthias rex’ door een Roemeense wou vervangen. Dit werd door de plaatselijke Hongaren gezien als een recuperatie van één van hun grote historische figuren. (7)

Dit alles ter illustratie van hoe een nationalistisch discours op intellectueel én emotioneel vlak een pragmatische benadering van de minderhedenkwestie bemoeilijkt.

Natiestaat en stichtende natie.

Twee grondwettelijke principes die zowel in Slowakije als in Roemenië worden gehanteerd hebben ook hun belang. Dit zijn het concept van de ‘stichtende natie’ en van de gecentraliseerde ‘natie-staat’. Zij zijn zeker niet uniek in Oost-Europa en dragen opnieuw het hunne bij tot het bemoeilijken van de minderhedensituatie.

- Het concept van de ‘stichtende natie’ vinden we zowel terug in de Slowaakse als in de Roemeense grondwet. Zo verwijst de Slowaakse grondwet naar het Slowaakse volk als stichtende natie, terwijl de Roemeense grondwet stelt dat ‘de staat is gebaseerd op de eenheid van het Roemeense volk (8). In wezen gaan zulke bepalingen uit van een etnische fundering van de staat. Het democratische principe dat ‘alle macht van het volk uitgaat’ wordt in etnische zin geïnterpreteerd waarbij het volk gelijkgesteld wordt met één bepaalde taal- en cultuurgemeenschap. Dit is typisch voor de Duitse nationalistische traditie en opvatting van de staat. In beide landen heeft de Hongaarse minderheid zich ernstig gestoord aan deze bepalingen, ook al hebben deze als dusdanig niet direct praktische gevolgen en gaat het hier eerder om symboliek. Maar de Hongaren voelden zich door deze bepalingen tot tweederangsburgers herleid. Het was bv. één van de redenen waarom de partij van de Hongaren in Roemenië weigerde de grondwet goed te keuren.

- Vooral in Roemenië speelt daarnaast nog de Franse traditie van de gecentraliseerde natie-staat. Deze bouwt voort op het abstracte 18de-eeuwse denken rond de volkssoevereiniteit, gaat uit van de gelijkheid van alle burgers en aanvaardt geen tussenniveau tussen de staat en het individu. In praktijk leidt dit er toe dat men mensen in ongelijke omstandigheden (bv. doordat zij tot een verschillende taalgroep behoren) gelijk behandelt en dus een ongelijkheid in stand houdt. Het concept vormt dan ook een ideologische barrière tegen elke vorm van culturele of territoriale autonomie. De eisen van de Hongaarse minderheid worden door de meerderheid beschouwd als niet minder dan een aanslag op de integriteit van de staat of als een inbreuk op het gelijkheidsprincipe.

Het gecombineerde resultaat van beide principes is dan ook een gecentraliseerde staat op etnische grondslag, waarin weinig ruimte is voor de bescherming van de rechten van een minderheid als groep.

Hongaars multiculturalisme.

In de nieuwe Hongaarse grondwet worden heel andere principes gehuldigd. (9) Zij bepaalt dat de minderheden staatsvormende elementen van de Hongaarse staat zijn, wat in de Centraal- en Oost-Europese context uniek, zo niet revolutionair is. Bovendien nam Hongarije in 1991 een wet op minderhedenzelfbestuur aan. Ook deze wet kan als uniek beschouwd worden omdat zij in de richting gaat van de erkenning van collectieve rechten voor minderheden (recht op het behoud van de eigen identiteit, recht van bestaan en voortbestaan als nationale en etnische minderheid), iets wat zowel op Europees als op internationaal vlak nog zeker geen algemene standaard is. Daar benadert men de kwestie van de minderheden nog steeds vanuit de individuele mensenrechten, als rechten van de leden van minderheden. Het toekennen van groepsrechten stuit immers ook in landen als Frankrijk op heel wat tegenkantingen. De Hongaren verleenden hun minderheden bovendien een vorm van beperkt (want hoofdzakelijk adviserend) zelfbestuur. Dit wekt enige verwondering omdat er in Hongarije, met uitzondering van de zigeuners, nauwelijks echte minderheden zijn. De meeste minderheden (Duitsers en zigeuners zijn hier een uitzondering) zijn nakomelingen van 19de eeuwse immigranten die zich vaak nog nauwelijks van hun afkomst bewust zijn. 98 percent van de bevolking geeft het Hongaars als moedertaal op. Toch telt Hongarije thans 13 erkende minderheden, waarvan er 11 zelfbestuur hebben. De zigeuners, Duitsers en Slowaken zijn volgens de statistieken als groep nog behoorlijk omvangrijk maar de Armeniërs of Grieken tellen niet meer dan een paar duizend zielen. Hongarije heeft zijn minderheden opnieuw ontdekt en voert in feite een uniek beleid van dissimilatie: de overheid stimuleert het behoud of zelfs het herontdekken van de eigen identiteit bij de minderheden zonder dat die daar zelf echt om gevraagd hebben.

Dit beleid kan overigens niet los gezien worden van het Hongaarse beleid ten aanzien van de minderheden buiten de grenzen. Het is er o.i. zelfs een onderdeel van. Hongaren presenteren hun eigen systeem graag als een model, wat bij Roemenen en Slowaken vaak als paternalistische pretentie van een oude overheerser overkomt. Door zelf groepsrechten en zelfbestuur toe te kennen, plaatsen de Hongaren zich bovendien in een sterke positie in de discussies met de buurlanden. Dat wekt in Slowakije en Roemenië nogal eens wrevel, en ten dele terecht. De situatie is immers grondig verschillend. Het is iets anders culturele of territoriale autonomie te verlenen aan grote zelfbewuste Hongaarse minderheden die dan nog vaak vlak langs de grens wonen dan een (louter adviserend) zelfbestuur aan talrijke kleine, verspreide en grotendeels geassimileerde minderheden die het unitair karakter van de Hongaarse staat niet echt aantasten.

Bilaterale en internationale bemoeienissen

Hongarije heeft gepoogd via bilaterale contacten en in internationale fora de minderheden in de buurlanden te ondersteunen. De resultaten hiervan zijn echter beperkt en niet altijd succesvol gebleken terwijl zij vaak wel de onderlinge relaties verzuurden. Zo probeerde Hongarije vruchteloos omwille van de minderheden de Slowaakse toetreding tot de Raad van Europa te blokkeren, wat een negatieve impact had op de relaties met Slowakije. Ook onderhandelingen over bilaterale verdragen waarin de situatie van de minderheden geregeld zou worden, hebben jaren aangesleept en de relaties met Roemenië en Slowakije verstoord. In beide landen ontstonden controverses en behoorlijk wat politieke spanningen rond de onderhandelingen, die nogmaals aanleiding gaven tot nationalistische beschuldigingen van Hongaars irredentisme.

Hongarije werd hierbij wel de facto gesteund door de Europese Unie die via het Stabiliteitspact (het zogenaamde initiatief Balladur) bilaterale verdragen tussen Centraal- en Oost-Europese landen, waarin minderhedenkwesties worden geregeld en bestaande grenzen werden herbevestigd, als voorwaarde stelde voor lidmaatschap van de Unie. Ofschoon Hongarije in deze verdragen een expliciete herbevestiging van de bestaande grenzen diende te geven, werd dit door Slowaken en Roemenen niet echt als een toegeving beschouwd, aangezien de onschendbaarheid van de grenzen sowieso al een internationaal vaststaand principe is. Daarentegen poogde Hongarije via een verwijzing naar een ontwerpprotocol van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (aanbeveling 1201) Slowakije en Roemenië tot een erkenning van de collectieve rechten van de Hongaarse minderheid te bewegen. Die erkenning is er nooit gekomen. Van Slowaakse zijde werd een dergelijke interpretatie van het basisverdrag van maart 1995 afgewezen. In het basisverdrag met Roemenië, (september 1996) werd expliciet gesteld dat de verwijzing naar aanbeveling 1201 geen erkenning van collectieve rechten of van het recht op territoriale autonomie inhield (10) Hongarije was wellicht te ambitieus in zijn pogingen dit principe door de Roemenen en Slowaken te laten aanvaarden. Het ontwerpprotocol werd immers ook door de regeringen van de Raad van Europa verworpen. Juist omdat er ook in Westerse landen bezwaren bestaan tegen het concept van collectieve rechten voor minderheden. Het getuigt van weinig realisme te verwachten dat Iliescu of Meciar iets aanvaarden dat Mitterrand of Major niet aanvaarden.



Beperkte resultaten.

Uiteindelijk zijn verdragen bovendien maar woorden en geen daden. Het valt te betwijfelen of zij echt bijdroegen tot een reële verbetering van de situatie van de Hongaarse minderheden. Voor het verdrag met Slowakije is het antwoord ronduit negatief. Het duurde een jaar voor het door het Slowaakse parlement werd geratificeerd en dan nog enkel nadat men twee wetten aannam die regelrecht ingingen tegen de geest en zelfs de letter van het verdrag. De nieuwe taalwet van november 1995 verplicht het gebruik van Slowaaks in alle officiële documenten, in scholen, in de administratie en tijdens culturele manifestaties, (al blijft onderwijs in het Hongaars behouden). Deze wet, die het in theorie zelfs strafbaar maakt een Italiaanse opera te zingen, stuitte op scherp protest vanwege Hongarije en van de OVSE-Commissaris inzake Minderheden. De aangekondigde wet op de minderheidstalen blijft ondertussen uit. Ook de administratieve herindeling van het land waardoor de Hongaren hun meerderheid in sommige districten zullen verliezen gaat in tegen de geest van het verdrag. Kortom, het huidige politieke klimaat in Bratislava sluit een betekenisvolle discussie over de positie van de Hongaren uit. Een verdere illustratie hiervan is het recente voorstel van premier Meciar om een Slowaaks-Hongaarse bevolkingsruil van de wederzijdse minderheden te organiseren. Vijftig jaar na de Tsjecho-Slowaakse pogingen om de Hongaren terug naar Hongarije te sturen (wat door de Hongaarse communisten werd verhinderd), spreekt zo’n voorstel boekdelen.

De situatie in Roemenië was aanvankelijk niet veel beter. Terwijl de onderhandelingen over het verdrag maar aansleepten werd onder de regering Iliescu een nieuwe onderwijswet aangenomen (juli 1995) die de Hongaarse minderheid ten zeerste verontrustte omdat een aantal garanties die zelfs in de Ceausescu-tijd aanwezig waren, nu achterwege werden gelaten. Waarnemers beschouwden de wet als een puur instrument van assimilatie. Zij ging in ieder geval in tegen de Hongaarse aspiraties voor volledig Hongaars onderwijs. In september 1996 werd dan toch een basisverdrag ondertekend dat opmerkelijk genoeg zowel door Hongaren als door Roemenen als historisch wordt beschouwd. Het verdrag is een compromistekst, die daarom door de nationalisten aan beide zijden van de grens wordt verworpen. Het hervestigt de bestaande grenzen, garandeert een aantal rechten voor de leden van minderheden, zonder collectieve rechten te erkennen. Sinds de ondertekening van het verdrag zijn de relaties tussen beide landen sterk verbeterd: wederzijdse bezoeken van ministers volgen elkaar in snel tempo op. In Cluj werd een Hongaars consulaat geopend. Tegelijkertijd lijkt er thans in Roemenië veel meer openheid te zijn voor de eisen van de Hongaren, met name inzake het onderwijs. De discussie rond het herstel van de Hongaarse universiteit in Cluj raakte bv. gedurende het afgelopen jaar in een stroomversnelling.

De beperkte invloed van internationale afspraken.

Waarom heeft het basisverdrag met Roemenië wél en dit met Slowakije niet bijgedragen tot een verbetering van de bilaterale relaties en meer openheid rond de minderhedenkwestie? Het antwoord op deze vraag is eenvoudig: uiteindelijk waren de interne politieke evoluties veel belangrijker dan de internationale context of de verdragen als dusdanig. In Roemenië verloor de coalitie van post-communisten en nationalisten kort na de ondertekening van het verdrag de presidents- en parlementsverkiezingen. De partij van de Hongaarse minderheid kwam mee in de regering. Dat, veel meer dan het basisverdrag op zichzelf, heeft wellicht de doorslag gegeven. Er groeide een nieuw klimaat. In Slowakije heeft daarentegen de autoritaire nationalistische groep rond Meciar de touwtjes nog steeds stevig in handen. Uiteindelijk lijken de interne politieke evoluties dus veel belangrijker dan enige bemoeienissen van het Hongaarse moederland of druk door internationale organisaties.

Dat wil niet zeggen dat de internationale gemeenschap helemaal geen invloed heeft gehad. De indirecte druk die uitgaat van de noodzaak van goede relaties met het Westen en de hoop op lidmaatschap van de NAVO en vooral van de Europese Unie spelen op de achtergrond zeker een rol. Zonder die druk waren de verdragen er waarschijnlijk nooit gekomen. Probleem hierbij is wel dat internationale standaarden rond minderheden zeer vaag zijn en dat wellicht ook moeten zijn omdat situaties van minderheden zo verschillend kunnen zijn, zoals de bovenvermelde vergelijking van de situatie van minderheden in Hongarije en de buurlanden aantoont. Hongarije noch de internationale gemeenschap hebben dan ook echt een middel om de naleving van gedane beloftes af te dwingen.

Los daarvan spelen internationale normen zeker een rol. Grootschalige schendingen van de elementaire individuele mensenrechten van de leden van minderheden zijn uitgesloten voor landen als Slowakije en Roemenië die, alle nationalisme ten spijt, toch gevoelig zijn voor hun internationaal imago. Op dezelfde wijze vormt de internationaal stevig gevestigde norm van de ‘onschendbaarheid van de grenzen’ en de ‘territoriale integriteit’ een barrière tegen openlijk irredentistisch gedrag. Het is trouwens opmerkelijk dat ondanks het heropflakkeren van het nationalisme en de talrijke gewapende etnische conflicten in het voormalige Oostblok, er sinds de val van de Muur geen enkel gewapend conflict is geweest rond internationale grenzen die vóór 1989 reeds bestonden, ook al waren die historisch vaak zeer betwist. Zelfs het meest pijnlijke internationaal territoriale geschil, dat tussen Polen en Duitsland rond de Oder-Neisse-grens, is zonder al te veel moeilijkheden afgehandeld. Ook de Hongaren beseften, alle occasionele retoriek en dromen over het herstel van het Groot-Hongaarse Rijk ten spijt, dat openlijk irredentisme gewoon niet past bij de moderne Westerse democratie die zij willen uitbouwen. Zij hadden de avonturen van Saddam Hoessein in Koeweit niet nodig om dat te beseffen.

Noten:

1. Cijfers over minderheden zijn altijd weinig betrouwbaar. Het aantal Hongaren in Roemenië wordt op zo’n 1,6 tot 2,3 miljoen geschat. In Slowakije op zo’n 600 tot 700.000. Het officiële Slovaakse cijfer ligt wel lager. Er zijn ook Hongaarse gemeenschappen in Servië (Vojvodina, 300 tot 400.000), in Oekraïne (150.000 tot 200.000) en nog veel kleinere groepen Hongaren in Oostenrijk, Kroatië (Slavonië) en Slovenië.

2.Voor een uitgebreider overzicht van de discussie rond Trianon en het Hongaarse nationalisme zie DE KEERSMAEKER, G., Hongarije, een kennismaking. Antwerpen, Pax Christi Vlaanderen, 1996.

3. Voor een algemene politieke inleiding tot Slowakije zie DE KEERSMAEKER, G., Slowakije, een kennismaking. Antwerpen, Pax Christi Vlaanderen, 1997. Een grondige studie van de verhoudingen tussen Slowaken en Hongaren vindt men in ASPESLAGH, R.; RENNER, H.; VAN DER MEULEN, H., Im historischen Würgegriff, die Beziehungen zwischen Ungarn und der Slowakei in der Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft. Baden Baden, Nomos, 1994.

4. In het Slowaaks wordt het suffix ’ova’ toegevoegd aan vrouwelijke familienamen. In het Hongaars bestaat dit uiteraard niet en de verplichting dit te doen, vanuit de redenering dat alle officiële stukken en dus ook namen in geboorteregisters in het Slowaaks gesteld moeten zijn, wordt door de Hongaren beschouwd als een aanslag op hun identiteit en een miskenning van hun taal. Slowaken stellen dan weer dat het over niet meer dan grammatica gaat, wat niets met mensenrechten te maken heeft.

5. Voor een goed overzicht van de recente politieke evoluties in Roemenië zie BOS, J.W. & NEEVEN, J. Democratisering aan de Donau, Roemenië na de revolutie van 1989. Amsterdam, Instituut voor Publiek en Politiek, 1997. Over de situatie van de Hongaarse minderheid zie de bijdrage van Matyas Szabo in dezelfde bundel.

6. Opgemerkt dient te worden dat ook in de communistische tijd zulke discussies niet verstomden. Zij werden zelfs tot in de communistische partijpers gevoerd. Zie o.m. ENGBERSEN, D., Magyaren en Daco-romeinen. In: Oost-Europa Verkenningen, nr. 67, juni 1983, pp. 32-38.

7. Zie o.m. GALLAGHER, T. Ethnic tension in Cluj. In: RFE/RL Research Report, Vol. 2, No. 9, 26 Feb. 1993, pp. 27-33 en GALLAGHER, T. Romania. Controversy in Cluj. In: Transition, Vol. 1, No. 15, 25 Aug. 1995, pp. 58-61.

8. Ter vergelijking de bepaling in de Belgische grondwet: ‘alle macht gaat uit van de natie’ zonder dat die natie verder etnisch wordt gedefinieerd.

9. zie ASPESLAGH, R., Minderheden in Hongarije en Hongaarse minderheden in de buurstaten, In: Wij waren hier eerst, etnische minderheden in Centraal- en Oost-Europa. Leuven, Davidfonds, 1996.

10. Over de achtergrond van het Stabiliteitpact en het ontwerpprotocol zie KERREMANS, B., De verantwoordelijkheid van de politiek, internationale antwoorden op de minderheidsproblematiek. In: Wij waren hier eerst. Leuven, Davidsfonds, 1996. Over de Roemeense controverse rond aanbeveling 1201 zie ANDREESCU, G. Romania. Political Manipulation at its Best. In: Transition, Vol. 1, No. 22, 01 Dec. 1995, pp. 46-49.

De auteur is directeur van IPIS (Internationale Vredesinformatiedienst). Voorheen was zij executif director van Helsinki Citizens Assembly in Praag.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift