Hoop groeit in de marge

Krakers. Het woord klinkt voor de gemiddelde burger even aantrekkelijk als ‘punkers’, ‘leeglopers’ en ‘marginalen’. Alleen dat laatste klopt: de krakers bewonen de uiterste marge van onze steden en economieën. Maar in die rand zijn ze wel actief en creatief. Ze doen er wat de postmoderne Amerikaanse filosoof Richard Rorty aanbeveelt: ‘Je moet trouw zijn aan een droomland, niet zozeer aan het land waarin je wakker wordt.’
Wereldwijd dook enkele dagen in het Antwerpse krakersmilieu. Een reportage over jonge mensen die hun verbeelding heel concreet vorm en kleur geven.

‘NIEMAND WORDT HIER RIJK VAN’

Fred is druk doende orde te scheppen in zijn bestelwagen wanneer ik het domein rond de afgedankte NMBS-kantine binnenwandel. De plek heeft een idyllische uitstraling, een rustpunt in de stadsdrukte. Kleurrijke busjes, caravans en mobilhomes hebben postgevat op het weiland naast het gebouw. Het gebouw zelf werd opgefleurd met tekeningen in blauw-witte tinten en exotische figuren. Op een bank onder de brede kruin van een lindeboom doet Fred -Fredje Dredje voor vrienden- het verhaal van de Scheld’apen, de groepsnaam van de krakers die hier vorige zomer hun intrek namen. ‘Toen ze hier binnenkwamen, wisten ze niet dat het terrein tien dagen vroeger was toegewezen aan de jeugddienst van de stad om er een ontmoetingscentrum voor jongeren op te richten. Er waren plannen voor een nieuwe vzw, maar geen vrijwilligers om de lokalen op te knappen en het initiatief te doen draaien. En hier zaten wij, een groep jonge mensen die iets om handen wilden.’ De Scheld’apen kregen de verantwoordelijkheid voor het jeugdcentrum, maar meer dan een erkenning en de toewijzing van het gebouw willen ze niet. Subsidies hoeven niet. Fredje: ‘Wij zijn volledig zelfbedruipend. Water en elektriciteit betalen we met de opbrengsten van de bar.’

In het gekraakte gebouw woont niemand, de lokalen dienen voor optredens en feestjes, er is repetitieruimte voor theater- en muziekgroepen, een bibliotheekje, een zithoek en bedden voor rondreizende groepen. De ‘vaste’ medewerkers huizen in mobiele woningen rondom. ‘Niemand wordt rijk van dit initiatief, alleen binnenin wordt ieder van ons rijker.’ Fred is nu drieëntwintig. Hij stopte met zijn studies Oosterse Talen en Culturen, maar voor hem is het leven in en rond het kraakpand de echte universiteit. ‘Op cultureel en persoonlijk vlak je ontplooien, daar groei je van als mens. Veel jongeren wíllen niet werken, wíllen niet studeren. Dat is een reëel probleem, tenzij ze terecht kunnen op een plaats als deze. Hier zet de een de ander aan. In plaats van rond te hangen op de straat en hun verveling te verdrijven met drank, drugs en criminaliteit, ontdekken ze hier dat ze wel degelijk in staat zijn iets op te zetten, te organiseren, te repareren. Er komen voortdurend verrassingen uit de bus. Velen krijgen hier terug hoop, terug zin in het leven.’ Van politiek balen de Scheld’apen. ‘Wij hebben toch geen vat op het politieke bestel,’ zegt Fred. ‘Er wordt weinig geluisterd naar de jeugd. Wij voelen ons in België een minderheid en moeten vechten voor een plek van waaruit er naar ons geluisterd wordt. Er is een ontzettende behoefte bij jongeren aan zulke plekken, om zichtbaar te worden.’

‘IK WIL NIET SCHREEUWEN OF EISEN’

Verderop langs dezelfde Schelde, op de hoek van de Jordaenskaai en de Zakstraat, wacht ik op David. ‘Het kan iets later worden’, had hij me via zijn gsm verwittigd. Aan de vitrine van het kleurrijk geschilderde kraakpand heb ik voldoende leesvoer om het wachten boeiend te maken. Tussen enkele foldertjes over kinderanimatie en jongleercursussen, lees ik een tekst van Paul Akkermans: ‘De jeugd is geen tijdvak uit het leven, ze is een geestestoestand, een effect van de wil, een kwaliteit van de verbeelding, een krachtbron van emoties, een triomf van de moed over de angst en van de drang naar avontuur over gemakzucht… Niemand wordt oud door een aantal jaren te leven. Oud wordt men door zijn idealen in de steek te laten. Met de jaren rimpelt de huid; met het verzaken aan een ideaal, rimpelt de ziel.’ Even later draait een rammelende bestelwagen de hoek om. Getoeter en gezwaai: David en zijn grote zwarte hond begroeten me alsof we oude bekenden zijn.

De ligging van dit drie verdiepingen hoge gebouw, met uitzicht op de Schelde, is prachtig. Niet voor niets speculeert de eigenaar met dit pand. En niet voor niets kozen de krakers het uit als hun plek. ‘De Zonen van Jordaens’ noemen de bewoners van dit pand zich. Na een jaar experimenteren met occasionele gasten en aangespoelde daklozen, heeft de kern van dit huis zich uitgezuiverd tot drie mensen: David, Diego en Annemie. We zetten ons op een rustige plek in de kamer van David. Oosterse doeken aan de muur, Marokkaanse tapijten op de vloer en een bloeiende geranium op de kast geven het vertrek warmte en persoonlijkheid. David Ramaekers (28) is zowat de ‘founding father’ van de Antwerpse krakers. Hij wijst me op een bundeltje fotokopies, een ‘handleiding bij het kraken’, door hem samengesteld. Enkele jaren geleden deed hij ervaring op bij de ‘squatters’ in Genève. ‘Vele mensen marginaliseren de term ‘kraken”, legt David uit. ‘Ze denken dan aan junkies en toestanden. Eigenlijk zijn wij ‘squatters’, mensen die een leegstaand huis bewonen zonder daarvoor huur te betalen. We willen gewoon de aandacht vestigen op de leegstand in de stad. In Genève zijn er zo drieduizend mensen gehuisvest, in vaak heel luxueuze appartementen, voorzien van liften en warm, stromend water. Door hun groot aantal maken ze dat het verschijnsel er vandaag maatschappelijk aanvaard is.’ Versterkt door de ervaring in Genève legde David in Antwerpen de basis voor het ‘kraken met contract’. ‘Kort nadat we dit gebouw gekraakt hadden, kregen we het aan de stok met de huisbewaarder van de eigenaar en met de politie. Ik was zeer nerveus bij die confrontatie maar probeerde hoffelijk en voorkomend te blijven. Ik wilde vooral duidelijk maken dat wij geen criminelen zijn. Uiteindelijk zijn we, met de hulp van een advocaat, naar de vrederechter gestapt en hebben met wederzijds overleg een ‘acte van tijdelijke bezetting’ opgesteld, een overeenkomst in het voordeel van beide partijen. Doordat wij dit pand bewonen, hoeft de eigenaar geen leegstandbelasting meer te betalen, wat hem 300.000 BEF per jaar bespaart. Wij van onze kant vragen dat hij ons minstens twee maanden op voorhand verwittigt wanneer hij voor het gebouw een andere bestemming heeft. We hebben hem een fles champagne gegeven om de deal te bezegelen.’

Waarom hij kraakt? ‘Ik zoek gewoon een aangename plek om te wonen, een thuis. Voor mij is kraken een noodzaak. Als ik aan huurprijzen denk, voel ik de stress opkomen. Ik leef van een vervangingsinkomen. Al mijn geld zou opgaan aan de huur, ik zou niet meer kunnen leven, niet meer op reis kunnen.’ David nipt aan zijn sinaasappelsapje en controleert of de batterij van zijn gsm, het enige statussymbool van deze mobiele beweging, oplaadt. ‘Ik begrijp niet waarom sommige mensen geboren worden en alles hebben, terwijl anderen niets hebben. Steeds meer mensen worden de dupe van dit systeem, dat alleen maar ‘in het groot’ denkt. Daarom vallen er altijd mensen uit de boot. De uitweg ligt in het werken in kleinere groepen en gemeenschappen. Dan is er meer aandacht voor ieder afzonderlijk.’ Voor vele problemen in onze samenleving zijn er oplossingen mogelijk, als je ze op een andere manier bekijkt, vindt David. ‘Ik wil niet staan schreeuwen of eisen. Ik wil ook geen politieke propaganda beneden aan het raam, zelfs niet voor anti-fascistische ideeën want die kunnen alleen maar provoceren. Ik wil gewoon in vrijheid kunnen samenleven met anderen, op een plek waar het goed toeven is. Wat wij doen is trouwens ook politiek: door onze kraakactie zetten wij de leegstand op de politieke agenda. Dat is de kracht die ieder van ons heeft om mee te werken aan verandering.’

‘MIJN HOOFD ZIT BARSTENSVOL IDEEËN’

Aan het noordelijke uiteinde van de Scheldekaaien ligt ‘Villa Delphia’. Hier wonen Gerd, haar twee dochters Saar en Roos, en Saar’s vriend Greg. Het gebouw, dat eigendom is van het Nederlandse Loodswezen en al jarenlang leegstond, werd in maart zonder al te veel moeilijkheden gekraakt. Gerd was op zoek naar een alternatieve woning omdat ze geen huur kon betalen met haar bestaansminimum. Saar wilde bovendien ruimte om te schilderen. Het pand werd tegelijk het onderkomen voor het Kunstencollectief ‘Ile Mobile’, een verzameling jonge kunstenaars op zoek naar atelierruimte. Zo herbergt het huis de ‘Antifare La Familia’ -een bonte verzameling fanfaremuzikanten-, een zeefdrukatelier, een donkere kamer en een ‘writersbox’. Dat laatste is een goed geïsoleerd, stil kamertje voor wie zich wil terugtrekken om te schrijven. Huurprijs: één beschreven vel per dag. ‘Maar een goede ‘one-liner’ is ook goed,’ lacht Gerd. Zolang er ruimte vrij is, staan de deuren van Villa Delphia open voor creatievelingen die het huis zien als een moestuin voor nieuwe experimenten -en dat hoeven niet per se artistieke initiatieven te zijn.

Ik zit met Gerd aan de tafel in de living die eigenlijk onthaalruimte is. Hier is iedereen welkom. Hier vind je meestal een luisterend oor -vaak dat van Gerd-, is er koffie of thee, een telefoon en fax. Ik vraag aan Gerd of ze geen behoefte heeft aan meer zekerheid in haar leven.

‘Je stelt je er op in. Ik heb gekozen voor deze manier van leven. De mensen die hier wonen zijn allemaal op één of andere manier ongeschikt voor het formele arbeidscircuit.’ Ze zucht diep wanneer ik haar vraag naar haar vroeger leven. Ze rolt nog een sigaret en schenkt zich een kopje koffie in. ‘Ik heb allerlei zaken gedaan en meegemaakt. Ik heb me nooit geaccepteerd gevoeld door het systeem en heb me er ook nooit toe aangetrokken gevoeld. Het systeem draait ook niet meer, je ziet het vastlopen. Er is zoveel werkloosheid omdat werkgevers de sociale lasten niet meer kunnen betalen. En wie een bedrijfje wil opzetten maar van een vervangingsinkomen leeft, krijgt geen lening. De mensen die hier samenkomen zijn voor een groot deel mensen die hun weg niet vinden binnen het systeem, die ploeteren en frustraties opstapelen. Voor hen willen wij een alternatief bieden. Hier is altijd eten, onderdak, gezelligheid.’ ‘Eigenlijk leven wij van recyclage’, legt Gerd uit. ‘Niet alleen van meubels, kleren en voedsel, wij recycleren ook menselijke kwaliteiten. Veel mensen ontplooien in dit circuit capaciteiten waarmee ze elders niet terecht kunnen. De stad zou eigenlijk het beheer van de leegstaande ruimte best in onze handen kunnen geven. Sinds wij hier actief zijn, wordt er veel sneller gerenoveerd.’

De stadsjutter

Op het raam aan de voorgevel van Villa Delphia adverteert ‘De stadsjutter’. Het winkeltje is ondergebracht in de kelder van het huis. Ysabel (23) herschikt de ruimte op de rekken. Een nieuwe lichting knuffeldiertjes en andere prullaria moet zijn plaats krijgen in de al tamelijk volle rekken met boeken, juweeltjes, garnituren en kledingstukken. Het verzamelen van weggeworpen voorwerpen, gaande van asbakjes over poppenwagens tot stofzuigers, is een obsessie geworden voor Ysabel. ‘Mijn huis stond tot de nok toe gevuld met gevonden materiaal’, vertelt ze. ‘Daarom stelde Villa Delphia me voor dit winkeltje te openen. Het is er pas een maand, maar het draait wonderlijk goed.’ Van onder een tafeltje haalt ze een filmprojector-oud-model te voorschijn. ‘Kijk, hij werkt nog. Ik heb alleen het elastiekje vervangen. Geef me een leeg appartement en ik richt het binnen de maand voor u in, helemaal naar uw eigen smaak’, verzekert Ysabel. Aan het stadsjutten heeft ze een voltijdse baan. Alles gebeurt ‘s nachts en per fiets. Gezien het overvloedige aanbod en haar beperkte transport- en stapelmogelijkheden, werkt ze sinds kort met een bestellijst. Mensen kunnen opgeven waarnaar ze precies op zoek zijn.

‘Soms lijk ik echt verslaafd aan dit werk. Ik fiets en fiets en kan niet ophouden. Ik wil altijd nog eens om de hoek kijken. Je kán ook niet ophouden, want de overschotten blíjven groeien. Ik zie de straten door die bril. Ik let niet op de etalages maar op het afval op de stoep.’ Toch vindt Ysabel niet dat haar werk thuishoort onder de groene noemer van ‘recyclage’. Ze ziet zichzelf eerder als een ‘vuilbakarcheologe’, iemand die bestudeert wie wat waar en waarom weggooit. ”Ik vind het soms ronduit schandalig wat mensen wegwerpen. Af en toe bekruipt me de neiging om aan te bellen en de eigenaars te vragen of ze asjeblief een en ander willen terugnemen. Het is soms onverantwoord.’
Het ‘maskesmachien’

Elke eerste zondag van de maand houdt dit bruisende krakerspand ‘open deur’. Op zo’n zondag ga ik, op uitnodiging van Gerd, een kijkje nemen. Het loopt tegen de middag aan, toeristen stromen bij bosjes samen voor een rondvaart op de Schelde. Het is weer voor koele drankjes en zomerse versnaperingen. Villa Delphia heeft zijn eigen terras opgetrokken, op de stoep vóór het huis. Terwijl dat langzaam volloopt, is de living al aardig gevuld met jonge mensen die elkaar hier weten te vinden. Op zo’n opendeurdag wordt telkens één van de initiatieven van Villa Delphia in de kijker gesteld. Vandaag is het de beurt aan het ‘maskesmachien’. ‘Het maskesmachien, dat zijn Liesbet en ik en wat wij in beweging brengen met onze straatoptredens,’ legt Barbara Van Hoestenberghe uit. Liesbet loopt op houten klompen, Barbara met tapschoenen. Zo dansen en acteren ze op straat. Voor de muziek zorgen ze zelf: Barbara speelt viool, Liesbet ukelele. Ofwel draaien ze Adamo’s ‘Dolce Paola’ op een oude pick-up. In hun haar steken stengels van gerbera’s, hun ‘voelsprieten’. Daarmee treden ze in contact met het publiek. Barbara: ‘Mijn hoofd zit barstensvol ideeën, flitsen uit het dagelijkse leven, waarmee ik aan de slag wil.’ Als sociologe werkte ze mee aan enquêtes, deed daarna ervaring op in de journalistiek maar wilde iets ‘doen’ met wat ze om zich heen zag gebeuren. Zo realiseerde ze vorig jaar ‘Goesting’, een theaterstuk gebaseerd op interviews: indrukwekkende levensverhalen, schrijnende en grappige getuigenissen van min twintigers en plus zestigers. Het onvermoede, in de stad verscholen talent dat hier aan het licht kwam én de communicatie die het tussen mensen op gang bracht, maakten het stuk tot een geweldig succes. Het ‘prikkelde’ jong en oud om anders naar de dagelijkse realiteit te kijken. Het maskesmachien wil kleinschalig, op hoeken en pleinen, ook zulke prikkels geven.

‘DE STAD IS VAN IEDEREEN, DUS ZEKER VAN ONS’

Een buitenbeentje in de Antwerpse krakersbeweging -die zich vooral uit in culturele experimenten- is ‘weik’ (zonder hoofdletters). De jongeren uit deze groep, die zich wél expliciet met politiek inlaat, vonden een thuis in een leegstaande viswinkel op de Paardenmarkt. Zij willen niet prikkelen, ze willen de wereld een geweten schoppen. ‘Onze acties zijn een probaat middel tegen machteloosheid. Niet door ondergronds of terroristisch te werken maar via ludieke en geweldloze initiatieven’, legt Peter terryn (ook zonder hoofdletter) me uit. Hij is één van de spilfiguren van weik. ‘De stad is van iedereen, dus zeker van ons’, betoogt terryn. ‘We zien die stad steeds meer evolueren naar een neoliberale en rechtse samenleving. Wij willen ook impact hebben en vechten voor de publieke ruimte, voor een leefbare binnenstad.’ Omdat deze jongens en meisjes niet houden van loze woorden, richtten ze ‘Spaak en Tandrad’ op, de fietsguerrilla die op geregelde tijdstippen -per fiets en al dan niet verkleed- kruispunten bezet en verkeerschaos veroorzaakt. Daarnaast begonnen ze met de ‘volxkeuken’, het sterkste trekpleister van weik. Iedere vrijdagavond bereidt een handvol mensen een biologisch maal voor een vrijwillige bijdrage. Als dessert licht een gastspreker één of ander actueel thema toe, dat in de interessesfeer van de mensen ligt: de vredesbeweging, dierenrechten, milieuproblematiek, vluchtelingen, stemrecht voor migranten. Voor wie van garderobe wil wisselen, organiseert weik dan weer een ‘krijg de klere’ markt, een ruilmarkt van tweedehandskledij.

Weik, een samentrekking van we-ik, is ontstaan in de naweeën van de eerste Antwerpse kraak, in de Meistraat in juli ‘96. Sommigen van deze jongeren komen uit een radicaal ecologische hoek, anderen hebben een klassiek marxistische achtergrond, nog anderen noemen zich anarchist. Peter terryn: ‘Vanuit die verschillende invalshoeken ontstaat een bredere, algemeen politieke visie. In heel Europa zie je jongeren op deze manier bezig. Wij maken deel uit van die ruimere beweging. Ons opzet, om ook in Antwerpen een beweging in de stad op te zetten met mensen die in de marge cultureel en politiek actief zijn, is geslaagd.’

Toch heeft weik er een allesbehalve rustig jaar opzitten. De problemen begonnen in het najaar van vorig jaar, nadat enkele mensen van weik deelnamen aan een uitzending van TerZake over de acties van het ALF, het Animal Liberation Front. Anja en Lindsey, twee meisjes die regelmatig bij weik over de vloer kwamen, werden daarop aangehouden. De politie viel binnen en nam de computers en het werkmateriaal van weik in beslag. Sindsdien heerst er nogal wat paranoia binnen en buiten weik. Mensen aarzelen om te komen, ouders zien hun kinderen hier liever niet meer rondhangen.

Eefke Saris -medewerkster van het theatergezelschap STAN maar nauw betrokken bij weik en ook ondervraagd in verband met de ALF heisa: ‘Het opzet om een ontmoetingscentrum en de nodige infrastructuur te bieden voor allerhande actiegroepen van jongeren, heeft een tijdlang gewerkt. Jongeren uit het Antwerpse alternatieve milieu vonden bij weik een plek. Sinds de moeilijkheden van vorig jaar, verplaatst het leven zich naar Villa Delphia, de Scheld’apen, de Zonen van Jordaens. Die genereren een ontzettende dynamiek. Ik blijf alleszins geloven in pogingen om dergelijke alternatieve milieus te organiseren. De gedachten die hier leven, moeten ruimte krijgen. Het is mijn diepe hoop dat die ruimte groeit.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.