Hoop voor kinderen in Katangese mijnen

Naar schatting 50.000 kinderen zwoegen in de mijnen van de Congolese provincie Katanga. De kinderen en hun volwassen collega’s ploeteren in schrijnende werkomstandigheden. De hulporganisatie Groupe One zet met steun van het VN-kinderfonds (Unicef) projecten op die voor een aantal van de jonge ‘creuseurs’ een alternatief kunnen bieden. Raf Costermans, die Groupe One in Congo vertegenwoordigt, ziet een voorzichtige kentering bij de plaatselijke autoriteiten, maar wil zeker nog geen victorie kraaien.
In Katanga zijn op grote schaal koper, kobalt, coltan en andere ertsen te vinden. De ineenstorting van de formele economie en de teloorgang van een oude glorie, het Congolese staatsbedrijf Gécamines, leidde tot een explosieve groei van de ambachtelijke mijnbouw en van de kinderarbeid in de mijnen. Gécamines produceerde in 1986 nog bijna een half miljoen ton koper. In 2003 was de koperproductie verschrompeld tot een schamele 15.000 ton.

“De teloorgang van Gécamines had immense gevolgen”, weet Raf Costermans. “Gécamines had heel wat satellietbedrijven en toeleveranciers, die allemaal rake klappen incasseerden. Als paternalistische werkgever financierde het bedrijf ook scholen, ziekenhuizen, meelfabrieken en andere voorzieningen. Al die initiatieven kwamen zwaar onder druk toen het bij Gécamines bergaf ging. Tegelijk nam de informele economie een hoge vlucht. Zo nam de ambachtelijke mijnbouw gestaag uitbreiding. De Congolezen werden meer en meer gedwongen ‘article 15’ toe te passen, anders gezegd hun plan te trekken. Die evolutie deed zich ook in Katanga voor.”

De kinderen van de kopergordel

Volgens Costermans vind je kinderarbeid in de hele ‘kopergordel’ die vanuit Zambia de grens met Congo oversteekt. “Je praat over een zone van 300 op 50 kilometer”, vertelt de medewerker van Groupe One. “De grootste concentratie kindarbeiders vind je in de mijnen en concessies rond Kolwezi in Katanga. Ook in de steden Likasi en Lubumbashi zijn er veel kinderen aan de slag.”

In heel Katanga zouden 100.000 tot 140.000 ‘creuseurs’ in de mijnen opereren. Veertig procent van deze ‘gravers’ zijn kinderen. “Op basis van gemiddelden mag je spreken over rond de 50.000 kinderen”, schat Costermans. “Officiële statistieken bestaan niet, en geen enkele dienst van de Congolese overheid houdt zich met het probleem bezig.”

De jonge werkkrachten zijn van 7 tot 18 jaar oud. “In de streek van Lubumbashi gaat 65 procent van de kinderen die in de mijnen werken niet langer naar school. De andere kinderen verdelen hun tijd over de schoolbanken en het werk in de mijn. Het zijn doorgaans de eerstgeboren kinderen die in een familie mee de last moeten dragen voor hun jongere broertjes en zusjes. Wanneer de vader niet meer in leven is, neemt de kans toe dat kinderen in de mijn terechtkomen.”

Het werk in de ambachtelijke mijnen heeft zeer negatieve effecten op de kindarbeiders. “Ze moeten heel zwaar werk verrichten. Vaak moeten kinderen ertsen wassen en zware zakken op hun rug vervoeren. Ze ademen ook het stof van zware metalen in. De gevolgen blijven niet uit: de kinderen hebben last van pijn en jeuk in de ogen, en op latere leeftijd lopen ze een ernstig risico om kanker te krijgen.”

Ongevallen

Net als de volwassen gravers werken de kinderen zonder stofmaskers, helmen of handschoenen. Van veiligheidsvoorschriften is doorgaans geen sprake, met als gevolg dat er geregeld ernstige ongelukken plaatsvinden. “In het regenseizoen is de ondergrond kwetsbaarder voor grondverschuivingen en instortingen”, weet Costermans.

“Sanitaire voorzieningen ontbreken dikwijls in de mijnconcessies. Water moeten de gravers uit putten of rivieren halen. ‘Om beter te kunnen werken’ wordt er nogal wat alcohol en marihuana geconsumeerd. Er zijn ook veel jonge meisjes die zich komen prostitueren. Dat werkt de verspreiding van HIV onder de mijnwerkers dan weer in de hand.”

In Shinkolobwe is er een mijn waar uranium te vinden is. Het gaat om de mijn die tijdens de Tweede Wereldoorlog het uranium leverde waarmee de Amerikanen de eerste atoombommen produceerden. Officieel wordt er niet meer gewerkt in Shinkolobwe, maar de realiteit is heel anders. Informeel wordt er nog wel gegraven. Volgens recente getuigenissen zijn sommige arbeiders uit Shinkolobwe zo sterk met radioactiviteit besmet dat ze de signalen van tv-toestellen en zaktelefoons verstoren. In de streek worden ook kinderen met diverse afwijkingen geboren. “Soms zijn er zelfs baby’s zonder hersenen”, zegt Raf Costermans.

Aandacht

De jongste tijd blijken de Katangese autoriteiten iets gevoeliger voor het probleem van de kinderarbeid in de mijnen. De reden is niet ver te zoeken. Het werk van ngo’s als Groupe One, de aandacht van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en artikels in internationale media doen de interesse voor het trieste lot van de creuseurs toenemen. “Maar van een echte teruggang van de kinderarbeid kan je nog niet spreken.”

Een waaier van kleine bedrijfjes koopt in Katanga ertsen op zonder wakker te liggen van de sociale wantoestanden in de mijnen. Hun klanten komen uit landen als China, India of Libanon. Nieuwe mijnprojecten als Tenke Fungurume Mining, Phelps Dodge, KCC (Kolwezi) en Ruashi Mining kunnen volgens Costermans resulteren in een nieuwe bloei van de formele economie. Het valt niet uit te sluiten dat bonafide investeerders en ondernemers gevoeliger zijn voor de sociale noden van het plaatselijke personeel. “Maar veel buitenlandse investeerders nemen een afwachtende houding in. Zij willen eerst het Congolese verkiezingsproces volledig voltooid zien. Wanneer dat proces rond is, zal er hopelijk een stabiel politiek klimaat komen.”

In 2005 zetten de IAO en Groupe One het project ‘strijd tegen de kinderarbeid in de ambachtelijke mijnen in Zuid-Katanga’ op. Nadien vond Groupe One, een niet-gouvernementele organisatie met hoofdkantoor in Brussel, voor het project financiering bij de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Bedoeling is de bevolking en de plaatselijke autoriteiten te sensibiliseren, kinderen uit de mijnen te halen en bedrijven aan te moedigen om meer blijk te geven van sociale verantwoordelijkheid.

Terug naar school

Een eerste groep van 250 kinderen onder de 15 jaar verliet onlangs de mijnen. Deze kinderen zitten nu weer op school. Het project van Groupe One verloopt in samenwerking met Unicef. “We steunen de families van de kinderen. Wij willen dat ze andere economische activiteiten opzetten of uitbouwen, zodat ze vanaf volgend jaar zelf de schoolkosten van hun kinderen kunnen betalen.”

In november moet een tweede groep van 250 kinderen, deze keer 15-plussers, een beroep beginnen te leren. De kinderen zullen bijvoorbeeld schoenmaker of elektricien kunnen worden. Hun training zal drie tot negen maanden duren, afhankelijk van het gekozen beroep. “Na hun opleiding worden zij begeleid bij het opzetten van een eigen micro-bedrijf, als alternatief voor het werk in de mijn. Door een overeenkomst tussen Groupe One en het Wereldvoedselprogramma (WFP) zullen de 15- tot 18-jarige kinderen tijdens hun opleiding zeker 1 maaltijd per dag krijgen.”

De 500 kinderen komen uit de mijnen van Pompage en Kalukulu. Pompage is een concessie van het Zuid-Afrikaanse Ruashi Mining; Kalukulu wordt ontgonnen door het Indiase Chemaf. De twee mijnen liggen op 10 kilometer van Lubumbashi, de hoofdplaats van de provincie Katanga.

“In het basisonderwijs hebben we per kind 60 euro nodig voor de inschrijving en het schoolmateriaal”, besluit Costermans. “Voor kinderen op de middelbare school gaat het om circa 80 euro per jaar.” (PD) MDG2 IPS

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift