IJsland na de crisis

Portret van een Vikingactivist

Je wordt wakker en je wereld staat op zijn kop. Van de ene dag op de andere is de hypotheeklast van je huis verdubbeld, die van de lening voor je auto verdriedubbeld. Theaterregisseur-burgeractivist Gunnar Sigurðsson (53) maakte van de nood een deugd en draaide een documentaire over de IJslandse crisis. Vier jaar later blikt hij terug én vooruit.

  • MO*/Kristof Clerix Gunnar Sigurðsson. MO*/Kristof Clerix
Lees hoe deze reportage tot stand kwam op IJsland na het vikingkapitalisme, de blog die Kristof Clerix bijhield tijdens zijn reportagereis.

In het Grand Hotel in de IJslandse hoofdstad Reykjavik staan gasten in avondjurk en maatpak in de rij voor een meterslang buffet, rijkelijk gevuld met lokale wildspecialiteiten. Op de menukaart: eend, rendierhart, orka en walvis. De avond ademt pracht en praal, niet bepaald wat je verwacht in een land dat in 2008 bijna bankroet is gegaan. ‘IJsland is rijk’, zegt Gunnar aan het dessertbuffet. ‘We zijn een noordelijke welvaartsstaat met een hoge levensstandaard, en die zullen we blijven behouden.’ Op de Menselijke Ontwikkelingsindex van het VN-Ontwikkelingsprogramma staat IJsland op de veertiende plaats – vier trappen hoger dan België.

‘Maar trek geen verkeerde conclusies. Veel IJslanders hebben nog altijd problemen – vooral gezinnen met kinderen, en mensen die net voor het uitbreken van de crisis leningen zijn aangegaan. De trendy bars en de 4x4’s in de straten tonen maar één gezicht. Er is ook een ander IJsland, dat zal ik je nog wel tonen. In 2013 zullen we de crisis pas echt gaan voelen omdat mensen hun spaargeld hebben aangesproken om leningen terug te betalen. Dat geld raakt langzaam maar zeker op.’

Financiële vikings

Drottinn blessi heimilið’, staat te lezen op een bordje op de deur van Gunnars huis in een middenklassebuurt in Reykjavik. ‘De Heer zegene dit huis.’ Gunnar vertelt hoe hij het gebouw in 2007 kocht en vervolgens 100.000 IJslandse kroon per maand aan zijn lening afbetaalde (omgerekend 632 euro tegen de huidige, lage koers). Gunnar: ‘Van de ene dag op de andere moest ik 170.000 kroon (1075 euro) per maand gaan aflossen. Dat kon ik natuurlijk niet meer betalen. Een man heeft mijn huis dan maar gekocht en nu huur ik het van hem.’

‘Met mijn auto was het nog erger: het af te betalen bedrag steeg in een klap van 2 miljoen kroon (12.500 euro) naar 5 miljoen kroon (31.000 euro). Ik heb mijn auto dan maar teruggeven, en toch bleven de banken geld vragen. Van mij krijgen ze geen cent meer. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik niet betaal. Veel IJslanders doen het zo: ze weigeren te betalen.’

Gunnar geeft toe dat hij naïef is geweest. ‘In 2003 hebben we de overheidsbanken geprivatiseerd en in geen tijd werden we een soort financiële Vikings. Alsof het niets was begonnen we bedrijven op te kopen in Europa en de rest van de wereld. Tussen 2003 en 2008 was iedereen vol lof over het beleid van de IJslandse banken. Zelf dacht ik ook dat alles oké was.’

Kreppa. Zo noemen de IJslanders de crisis die in oktober 2008 genadeloos toesloeg. Niet lang na de Amerikaanse bankencrisis spatte de zeepbel van het IJslandse Vikingkapitalisme uiteen. In een paar maanden tijd gingen de drie grootste banken over de kop: Kaupþing, Landsbanki en Glitnir. De IJslandse economie bleek gebouwd op een overdosis krediet. De bevolking had zich diep in de schulden gestoken om huizen, auto’s en buitenlandse uitstapjes te kopen. In korte tijd verloor de IJslandse kroon de helft van zijn waarde.

Michael Moore vs Monthy Python

‘Het was misschien niet slecht dat we een klap in het gezicht kregen’, zegt Gunnar. ‘Als je slecht bezig bent, is het goed als iemand je even wakker schudt. De kreppa heeft de families in IJsland wat dichter bij elkaar gebracht. Dat was bij ons ook zo.’

Gunnar heeft vier dochters: Geirþrúður, Kristin, Halla en Unnur Regina. Vier dochters bij vier verschillende vrouwen. Hij heeft nogal een rijkgevuld leven achter de rug. Op zijn twaalfde begon Gunnar te werken op een vissersboot, drie jaar later werd hij voor de eerste keer vader. Zware jeugd, drankprobleem, ontwenningskliniek. Op zijn 35ste ging Gunnar zijn droom achterna: vier jaar naar Engeland om toneel te studeren aan de Bristol Old Vic Theatre School. Hij keerde naar IJsland terug als regisseur.

Gunnars bedrijfje 540 Floors huist in een modern kantoorgebouw in Reykjavik. Verderop in de gang werken advocaten, een verdieping hoger een pr-adviseur van bankiers, die hen zegt welke kleur kostuum ze moeten aantrekken in de rechtbank. 540 Floors is een theatergezelschap annex filmbedrijfje. De naam verwijst naar de Vikingmythologie: Thor, de god van de donder, had het grootste huis van alle goden, met maar liefst 540 verdiepingen.

Net voor de crisis in IJsland uitbrak, zou Gunnar in Engeland gaan toeren met een theatervoorstelling die jongeren waarschuwt voor de gevaren van alcohol- en drugsgebruik. Maar de crisis gooide roet in het eten en de buitenlandse tournee kwam er nooit. Gunnar besloot dan maar een documentaire te draaien over de kreppa. In een stijl die het midden houdt tussen Michael Moore en Monthy Python gaat hij in Maybe I should have op zoek naar het verdwenen geld van de IJslanders.

Ongekend succes

‘De afgelopen jaren ben ik in tien landen uitgenodigd om lezingen te geven over mijn documentaire’, zegt Gunnar. Hij toont Facebookfoto’s uit Spanje, Portugal, Frankrijk, de VS en Japan. ‘Overal vragen de mensen mij: wat kan ik als individu doen? Ik antwoord steeds hetzelfde. Dat ik bij het uitbreken van de crisis gewoon thuis tv zat te kijken en probeerde te begrijpen wat er gebeurde. Ik luisterde naar de premier en andere politici, maar leerde niets bij. Niemand sprak over de kern van het probleem. Daarom ben ik zelf maar op zoek gegaan naar antwoorden.’

Gunnar huurde een klein theaterzaaltje in het centrum van de hoofdstad en organiseerde een eerste burgerforum (Borgarafundur). ‘De formule sloeg aan. Mensen konden hun woede en frustratie kwijt, en ze kregen antwoorden.’ Daarna volgde nog een zitting. En nog een. Voor het vierde forum kwamen 1200 IJslanders opdagen. ‘Bijna alle belangrijke politici uit het parlement en de regering waren aanwezig. De avond werd live uitgezonden op de nationale televisie.’ De burgerfora werden een ongekend succes. Uiteindelijk organiseerde Gunnar zestien meetings in het hele land.

‘Ik ben maar één persoon, maar ik heb mensen om mij heen verzameld. Vervolgens stampten we een politieke partij uit de grond: Borgarahreyfingin (Burgerbeweging). In amper twee maanden tijd slaagden we erin vier van onze leden in het parlement te krijgen. Terwijl ik vroeger absoluut niet geëngageerd was. Ik haatte politiek. Moraal van het verhaal: je kunt véél doen als individu.’

Helemaal rose kleurt het plaatje overigens niet. Gunnar vertelt hoe het na de verkiezingen misliep met de politieke partij. De vier verkozen parlementsleden gingen elk hun eigen weg en braken met de burgerforabeweging. Gunnar zelf nam intussen ook wat afstand van de politieke en publieke arena. ‘Ik richt me nu weer op theater en documentaires. De ervaringen van onze burgerforabeweging neem ik wel mee, want ik geloof sterk in het idee van een soort Europees burgerforum.’

De krachten bundelen

Gunnar deelt zijn bureau met Guðmundur Andri Skúlason (41), die ook mee aan de kar trok van de burgerforabeweging. Skúlason zelf staat aan het hoofd van de IJslandse Vereniging van Schuldenaars. De organisatie telt 4000 leden, voornamelijk huiseigenaars en kmo’s. Skúlason: ‘We bundelen de krachten, want het is duur om in je eentje de banken juridisch te bevechten. Dat is wat mensen volgens mij overal ter wereld zouden moeten doen: lees de wetgeving na, kijk wie de wet niet respecteert, en vervolg hen. Het is moeilijk, het duurt lang, maar het werkt.’

Het slimme van ons beleid is dat wij de crisis niet voor privatiseringsdoelstellingen gebruiken. Integendeel, we willen het sociale weefsel in ons land juist versterken.
De vereniging won een proces tegen een kleine bank die voor de krach gespecialiseerd was in het financieren van huizen via leningen in buitenlandse valuta. De rechter noemde die leningen illegaal. Daarop stelde de IJslandse regering dat de hypotheken dan maar retroactief herberekend moesten worden op basis van IJslandse indexen. Maar ook die beslissing vocht de schuldenaarsvereniging aan, want de hypotheken bleven onbetaalbaar hoog. Het hooggerechtshof gaf hen gelijk. Intussen gooide de vereniging het op een akkoordje met de banken: de schuldenaars mogen voorlopig hetzelfde maandelijks bedrag aflossen als voor de crisis. Maar de zaak is nog niet definitief beslecht; de toekomst blijft onzeker. Skúlason hoopt dat het toezichtsorgaan van de Europese Vrijhandelsassociatie (EFTA) kan helpen.

Dat IJsland vier jaar na de crisis economisch niet te gronde is gericht maar er juist bovenop lijkt te komen, komt volgens Skúlason door een aantal doordachte maatregelen van de overheid. ‘Een noodwet splitste de banken op in een binnenlands en een buitenlands gedeelte, opdat het banksysteem zou kunnen blijven functioneren en iedereen ’s maandags gewoon naar de supermarkt kon gaan. We hebben de bestaande banken dus laten omvallen.’ Dat is volgens Skúlason het grote verschil met de aanpak van de crisis in Griekenland en Ierland. ‘Daar wil men de banken per se redden. Een tweede verschilpunt is dat we een eigen munteenheid hebben. Door de IJslandse kroon te devalueren, wisten we banen te redden: we konden onze vis tegen concurrerende prijzen blijven exporteren, en ook voor het toerisme bleek de goedkopere kroon een zegen.’

Dankzij het succes van de IJslandse visindustrie en het toerisme doet de economie het opmerkelijk goed. Na een forse krimp in de eerste crisisjaren haalde IJsland in 2011 weer 3,1 procent groei. Voor 2012 wordt een groei van 2,5 procent voorspeld. Maar cijfers zeggen niet alles.


De groei en krimp van de IJslandse economie en enkele andere sterk door de crisis getroffen Europese landen. Beweeg over de grafiek voor de exacte cijfers. Bron: IMF

Voedselpakketten

Voor het gebouw van liefdadigheidsorganisatie Fjölskyldu Hjálp (“Familiehulp”), in een buitenwijk van Reykjavik, staat een veertigtal IJslanders van alle leeftijden in de druilregen in de rij. Zo gaat het elke tweede en vierde woensdag van de maand. Binnen maken vrijwilligers voedselpakketten om uit te delen. Plastic zakken gevuld met melk, vlees, vis, brood, boter, kaas, toiletpapier, groenten en vitaminen.

‘De situatie is héél treurig. Duizenden mensen hebben het heel moeilijk. In 2011 hebben we 25.560 voedselpakketten uitgedeeld aan zo’n 5000 IJslandse gezinnen’, zegt Familiehulp-directrice Ásgerður Jóna Flosadóttir. ‘Ouderen, alleenstaande moeders en mensen met een handicap hadden het de afgelopen twee decennia in IJsland sowieso al moeilijk. Door de crisis is alles alleen nog maar verergerd. Nadat je je huur en rekeningen hebt betaald, blijft er nauwelijks nog iets over om eten en medicijnen te kopen.’

Gunnar knikt. ‘Ik ontmoet elke dag mensen in deze situatie’, zegt hij. ‘Het maakt me triest dat we dit niet kunnen oplossen in een welvarend land zoals IJsland, met zo weinig inwoners. Maar het grootste probleem met liefdadigheidsorganisaties zoals deze is dat ze te weinig samenwerken. Als we dingen willen veranderen in de maatschappij, moeten we ons beter organiseren. We vechten tegen een goed georganiseerd systeem dat al bijna een halve eeuw aan de macht is. Een paar mensen worden rijk over de rug van vele armen. Waarom kunnen ze dat? Omdat ze goed georganiseerd zijn.’

Iedereen mee aan boord

Halla (31), een van Gunnars dochters, is politiek adviseur van de IJslandse minister van Binnenlandse Zaken Ögmundur Jónasson. ‘Of ik het politieke virus van mijn vader heb? Nee, net omgekeerd: hij heeft het van mij’, lacht Halla in haar kantoor op het ministerie. Haar baas maakt deel uit van de groen-linkse regering van premier Jóhanna Sigurðardóttir. Die kwam aan de macht toen de kiezer in 2009 het wilde speculatiekapitalisme van de centrumrechtse regering van Geir Haarde afstrafte.

Besparen, dat was de weinig dankbare opdracht waar de groen-linkse regering voor stond. ‘De voorbije vier jaar hebben we 20 tot 25 procent moeten snoeien in overheidsuitgaven, waaronder ook onderwijs en gezondheidszorg. Dat heeft een enorme druk gelegd op de sociale dienstverlening’, zegt minister Jónasson. ‘Binnen de regering is gediscussieerd over de vraag of we daarin niet te ver zijn gegaan. Persoonlijk vind ik die kritiek absoluut terecht.’

Maar met een rechtse regering aan de macht zou het alleen maar erger zijn geweest, benadrukt Jónasson. ‘Die zou de crisis hebben gebruikt om te privatiseren. Het slimme van ons beleid is dat wij de crisis niet voor dat soort doelstellingen gebruiken. Integendeel, we willen het sociale weefsel in ons land juist versterken. We weten nog niet precies wat er in de komende jaren zal gebeuren. Maar één ding staat vast: we zullen uit de crisis raken.’

Volgens Jónasson is IJsland er langzaam maar zeker bovenop aan het komen. ‘Een IJslands gezegde luidt: “Als je op zee in moeilijkheden komt, moet iedereen de roeispanen opnemen”. Dat is wat we hebben proberen te doen. Een voorwaarde om samen de roeispanen op te nemen is natuurlijk dat je in dezelfde boot zit. En dat was onze politieke opdracht: iedereen in dezelfde boot krijgen.’ Tijdens de parlementsverkiezingen in 2013 moet blijken of de IJslanders die aanpak honoreren.

Geisers en gletsjers

In de centrale winkelstraat Laugavegur ofte Wasstraat slijten toeristische winkeltjes Vikingbeeldjes, expeditie-uitrusting en robuuste wollen truien. ‘Whale watching tours’ schreeuwen grote billboards voor de haven van Reykjavik, de toeristenboten liggen voor anker. Walvissen kijken, het is maar een van de redenen waarom toeristen naar IJsland gaan. Uit een onderzoek van de IJslandse Toeristische Dienst blijkt dat acht op de tien buitenlanders het eiland bezoeken voor zijn natuur: vulkanen, geisers en gletsjers, watervallen en warmwaterbronnen, ongerepte landschappen, weidse vergezichten en het unieke noorderlicht.

Door de zwakke IJslandse kroon is een tripje naar het tot voor de crisis peperdure eiland plots voor veel Europeanen en Amerikanen nu wel haalbaar geworden. Vooral Amerikaanse, Britse, Noorse, Deense, Duitse, Zweedse en Franse toeristen vinden hun weg naar Reykjavik en omstreken. Het aantal internationale bezoekers is in tien jaar bijna verdubbeld. In 2000 waren het er zo’n 300.000, in 2011 maar liefst 565.000. Als dat zo doorgaat, verwacht IJsland een miljoen bezoekers tegen 2020.

Ook Gunnar ziet wel wat in toerisme, ‘want van film en theater alleen kan ik niet leven’. Hij heeft een nieuwe website klaargestoomd – Friend of Iceland, een soort boekingskantoor voor buitenlandse bezoekers. ‘Het idee is dat we toeristen in contact brengen met gewone IJslanders. Je kan gaan dineren met locals, een dag op een boerderij gaan werken, dat soort dingen. We gaan de site lanceren via een Facebookcampagne, en daarna zien we wel hoe het loopt. Ik ben 53 jaar, heb al een heel leven achter mij, mijn kinderen zijn groot, ik hoef alleen nog voor mezelf te zorgen. Ik zal me wel redden.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur