Indonesische vakbondsleider Muchtar Pakpahan: 'God gaf me een tumor'

Dit voorjaar zat Muchtar Pakpahan nog achter de tralies in Indonesië, omdat president Suharto hem als staatsvijand nummer één beschouwde. Eind mei moest Suharto echter zelf het toneel van de macht verlaten. Muchtar Pakpahan is niet groot, niet uitgesproken aantrekkelijk, niet herkenbaar charismatisch. Een gewone man met een zwart hoedje op. De eerste keer dat ik hem ontmoet, doet hij zijn bescheiden best om het verhaal van de Indonesische arbeiders te laten klinken op een feest van de campagne ‘Werk aan de Wereld’ waar nogal wat toeters, bellen en BV’s weerklinken.
De volgende dag zijn het de meubelen van de grote vergaderzaal van het ACV te Brussel die een krimpend effect lijken te hebben op deze ‘Indonesische Lech Walesa’, zoals een krant op Sumatra hem ooit noemde. Het is niet de fysieke uitstraling die van Muchtar Pakpahan een bijzondere man maakt, maar zijn innerlijke kracht. Daarover hadden we een gesprek. En over de heilzame effecten van een longtumor.

Ik was elf jaar toen mijn vader stierf en achttien toen ik mijn moeder verloor. Ik heb dus de hele tijd hard moeten werken om mijn studies te betalen. Gedurende heel wat jaren heb ik mijn inschrijvingsgeld bijeengespaard door mensen de stad Medan in Noord-Sumatra rond te rijden in een fietsriksja. In die periode heb ik veel onrecht en ongelijkheid gezien. Machtigen die zwakkeren opzij schoven of die het land opslorpten van wie al bijna landloos was. Maar ik stelde ook vast dat onrecht niet alleen iets is dat de elite de massa aandoet. Verscheidene keren werden mijn zuurverdiende centen afgeperst, door andere schooiers. Wie economische, politieke of fysieke macht heeft, bedreigt altijd wie zwak is. Tenzij er rechtvaardige wetten en structuren zijn. Toen ik, ondanks de moeilijke omstandigheden, toch mijn diploma in de rechten haalde, heb ik gezworen dat ik al mijn kennis, al mijn wetenschap, al mijn kunnen zou inzetten voor de armen, de mensen uit wie ik zelf voortgekomen ben. Ik wou God bedanken voor de steun die ik kreeg om alle tegenslagen te overwinnen en mijn studies succesvol af te ronden. En de beste manier om God te bedanken, is door te werken voor rechtvaardigheid en met name voor de rechtvaardigheid waarnaar de armen verlangen.

En dan bent u meteen met een onafhankelijke vakbond begonnen?

Neen. Als pas afgestudeerde ben ik een advocatenpraktijk begonnen in Medan, in de hoop dat ik er goed mee zou verdienen. Daarom had ik mijn kantoor gevestigd in de zakenwijk van de stad. En ik weet niet meer wanneer of hoe het begonnen is, maar na verloop van tijd had ik vooral een clientèle van arme boeren en arbeiders.

Hoe vonden die mensen hun weg naar u?

Eens ik iets beloof, kan ik daar niet meer onderuit. Ik begon dus inderdaad mensen te verdedigen die niets meer hadden, zonder ervoor betaald te worden. Dat soort nieuws hoef je niet bekend te maken, dat verspreidt zichzelf wel. Al snel was ik dus de advocaat van de arbeiders en de boeren en in 1982 verscheen het eerste artikel waarin ik de ‘Lech Walesa van Noord-Sumatra’ werd genoemd. Dat was een verrassing voor mij, want ik was helemaal niet bezig met het organiseren van arbeiders en van een soort ‘Solidarnosc’ was ook nog geen sprake. Het was volop Suharto-tijd en dus was het onmogelijk om de waarheid hardop te zeggen, laat staan om een autonome arbeidersorganisatie op poten te zetten. Arbeiders verdedigen in de rechtbank was al erg genoeg. Toen ik jaren later in Jakarta een kantoor opende, gebeurde ongeveer hetzelfde. Op een bepaald moment gingen de 6500 bestuurders van de busmaatschappij in staking. Ik kreeg een heel grote delegatie op bezoek met de vraag om hen te helpen. Ik ben niet in staat dat soort vragen te weigeren. Ik ben tenslotte geboren bij arme mensen.

Heeft uw familie u altijd gesteund in die keuze?

Mijn familie had verwacht dat ik een gewone -liefst succesvolle- advocaat zou zijn, zodat ik rijk zou worden en hen vooruit zou helpen. Of beter nog: dat ik na een tijdje een hoge ambtenaar zou worden, waardoor ik niet enkel financieel zou kunnen bijspringen, maar ook een handje zou kunnen helpen om werk of school te vinden voor de hele familie. Dat is heel normaal in Indonesië. Alle families dromen ervan om iemand op een belangrijke overheidsfunctie te krijgen, zodat ze toegang krijgen tot alle voordelen van de staat. Dat viel dus erg tegen, want ik heb mijn familie nooit concrete voordelen kunnen of willen geven. Ik kan het gewoon niet: geld aannemen om iets te regelen. Eén van mijn tantes heeft járen niet met me gesproken wegens van mijn engagement. Eén van mijn vier zusters haatte me er gewoon voor. Het was natuurlijk pijnlijk om te merken dat je eigen familie je de rug toekeert omdat je niet wilt meedoen met de normale corruptie of omdat je jezelf inzet voor rechtvaardigheid.

Daar bovenop kwamen dan de arrestaties en de doodsbedreigingen vanwege het regime. Hebt u nooit zin gehad om ermee te kappen?

Als ik erop terugblik, dan sta ik versteld van mezelf. Ik geloof nog altijd dat ik het niet was die weerstand bood tegen al die druk, tegen al die bedreigingen. Het was God die me de kracht gaf. Als je de zaken louter logisch bekijkt, dan is het moeilijk te verstaan waarom ik vandaag nog in leven ben. Er zit iets heel onlogisch aan mijn verhaal en het enige dat die niet-rationele draai kan verklaren, is de opperste irrationaliteit: God. Op een keer richtte een soldaat zijn wapen op mij en hij dreigde me te doden. Ik zei tegen hem: ‘Ga je gang, dood me. Jij doet deze vuile karwei om er geld mee te verdienen, terwijl ik mijn werk doe om er rechtvaardigheid mee te bereiken. Als je een kogel afvuurt, zal het God zijn die beslist of ik eraan sterf dan wel of ik je aanslag overleef. Het enige waarvan wij zeker kunnen zijn, is dat onze beide families voor eeuwig als vijanden door het leven zullen moeten gaan. Schiet, maar weet dat de naam van het leger erdoor besmeurd zal worden. Schiet, asjeblief.’ De man stak zijn wapen weg en liet me gerust. Toen ik later terugdacht aan dat incident, begreep ik mezelf niet. Ik ben op eigen kracht niet tot zoiets in staat. Het is een voorbeeld van ‘peristiwa iman’, het werk van God. Mijn hele leven hangt aaneen van dergelijke ervaringen.

Ik sprak vorig jaar met uw zoon Binsar. Ik had de indruk dat hij meer twijfels had over uw welzijn en over uw leven.

Het is toch normaal dat mijn zoon en mijn vrouw zich zorgen maken over mij als ik in de gevangenis zit? Zij hebben helemaal geen controle over de situatie. Ik heb tenminste in principe de mogelijkheid om te zeggen dat ik ermee kap, dat ik als een gewone advocaat ga werken met bedrijven. Ik heb mijn leven in de handen van God gelegd en kan daarom met heel veel vertrouwen doorgaan met het gevecht voor gerechtigheid, maar ik kan datzelfde vertrouwen niet opleggen aan anderen.

Dat vertrouwen zal wel niet gegroeid zijn toen u in 1996 weer eens gearresteerd werd.

Suharto liet mij opsluiten met de vanzelfsprekende bedoeling mijn beweging te dwarsbomen. Maar God stak hem stokken in de wielen. God gaf me een tumor (klopt op zijn rechterlong). Dat zorgde eerst voor veel bijkomende zorgen in mijn familie. Het was wellicht in die periode dat je met Binsar gesproken hebt. Noord-Amerikaanse artsen werden ingeschakeld om mij te behandelen en door de internationale druk die zo ontstond, was Suharto gedwongen om me te laten hospitaliseren. Ik wou me niet laten opereren in Jakarta. Ik stelde voor om naar Canada, Nederland of Singapore te gaan, maar dat liet Suharto niet toe. Achteraf denk ik dat het een prima zaak geweest is dat ik in Indonesië moest blijven. In het ziekenhuis, een privé-instelling, had ik immers de kans om de strijd voor ‘reformasi’ nationaal en internationaal te organiseren. Ik kon telefoneren met wie ik wou, ontvangen wie ik wou, lezen en schrijven wat ik wou. Ik belde met Willy Peirens en sprak met studenten, vertegenwoordigers van ngo’s, politici en militairen die zich distantieerden van Suharto. Maar wat dit verhaal helemaal onbegrijpelijk maakt, is dat bij een recent onderzoek er helemaal geen sprake meer was van een tumor. Ik kan dat alleen uitleggen met de logica van het geloof. Wetenschappelijk is dit verhaal een beetje krankzinnig, toch?

U hebt tijdens uw gevangenschap meer tijd doorgebracht in een ziekenhuisbed dan in een cel?

De eerste vijf maanden werd ik in eenzame opsluiting gehouden. In die periode had ik recht op vijftien minuten bezoek per week. Dat was een lange en moeilijke periode. Ik ben begonnen met een hongerstaking van veertien dagen. Tot ik inzag dat ik mezelf niet moest vernietigen, maar dat ik integendeel de kracht moest verzamelen om mijn rol te kunnen spelen. Daarom begon ik te lezen, te bidden en te zingen. Ik schiep mijn eigen liederen, die bijna allemaal gingen over mijn geloof, over God. Er waren liederen van hoop en vertrouwen, waarin ik zong over de steun die ik van God kreeg, ongeacht wie ik was of wat ik deed. Die liederen maakten me trots en krachtig. Ze hielpen me te vergeten dat ik een politiek gevangene was. Ik improviseerde ook vaak op basis van Psalm 43, een psalm die toegeschreven wordt aan David en waarin die Gods hulp en rechtvaardigheid vraagt: ‘Verlos mij van de mens die liegt en verraadt.’ Al klinkt in diezelfde psalm ook twijfel en wanhoop door: ‘Waarom verstoot Gij mij? Waarom ga ik in rouw en heeft mijn vijand macht?’

Zijn de psalmen uw lievelingsteksten uit de bijbel?

Ik heb geen voorkeur voor bepaalde delen. De hele bijbel spreekt mij aan. Al moet ik toegeven dat ik vroeger vooral aangesproken werd door het stuk uit het evangelie volgens Mattheüs waarin Jezus zegt dat hij iedereen verwerpt die zich niets aangetrokken heeft van zijn medemensen, terwijl hij juist open staat voor de barmhartigen, voor wie opkomt voor armen en verdrukten, voor wie zich inzet voor gevangenen en zieken. Geloven in God betekent je inzetten voor wie niet meetelt. Dat zeg ik niet zomaar, dat is de boodschap van Jezus.

Leest u ook wel eens iets anders dan de bijbel?

Voor mijn geloof lees ik de bijbel en voor mijn werk lees ik veel juridische lectuur. Ik wil exact weten wat wettelijk is en op welke manier we in Indonesië de uitbuiting op juridische manier kunnen bestrijden. Ik wil er zeker van zijn dat ik niet betrapt kan worden op vergissingen.

Betekent dat ook dat u vaak afstand moet nemen van uw eigen gevoelens en u alleen mag laten leiden door de teksten uit het wetboek?

De wetgever omschrijft Indonesië als een rechtsstaat, als een democratische staat, als een staat waar de mensenrechten gerespecteerd worden. Als ik me dus boos maak over onrechtvaardige situaties, dan is dat niet enkel een emotionele reactie, maar een reactie die gebaseerd is op de grondwet. Ik ben stap voor stap tot inzicht gekomen. Toen ik begon met het verdedigen van arbeiders, werd mijn leven bedreigd door de militairen. Dat begreep ik niet en dus ben ik steeds dieper gaan graven in de werkelijke machtsverhoudingen in mijn land. Daarom beschuldigde men mij ervan een communist te zijn. Ik vond dat een belachelijk verwijt en putte er nog meer kracht uit om door te gaan, om meer te weten, om harder te knokken.

Steunde uw kerk u in dat moeizame gevecht met een autoritair regime?

De Indonesische kerken doen wel wat voor de armen, maar ze durven zich niet echt inzetten voor de onderdrukten. Mensenrechten en democratie, daarover wordt bijzonder weinig gesproken in de kerken. Al ligt de wortel van de armoede uitgerekend in het gebrek aan inspraak en in de schendingen van de mensenrechten. Tot 1985 gaf ik les aan een christelijke universiteit. De rector van de universiteit gooide me eruit, zogezegd op bevel van de lokale legerbevelhebber. Maar in feite was de reden dat ik probeerde om zowel de regering als de kerk tot meer engagement tegenover arbeiders en boeren te bewegen. Ik organiseerde cursussen, gespreksavonden en vormingssessies. Niet alleen voor christenen, ook voor moslims. Ik werd ontslagen omdat ik me inliet met de armen.

Of omdat u te vaak optrok met moslims?

Ik weet niet of dat er veel mee te maken had. Het is wel waar dat de vakbond, die ontstond uit al die bijeenkomsten, mee opgericht werd door de leider van de grootste moslimorganisatie van Indonesië. Tot mijn spijt was er bij de stichting van SBSI geen enkele dominee of priester betrokken. Zij hadden te veel schrik. Ik organiseerde ook bijeenkomsten in moskeeën, op uitnodiging van de plaatselijke moslimgemeenschap. Ik heb daar nooit een probleem mee gehad: ik ben tenslotte opgegroeid temidden van moslims, vandaar mijn voornaam Muchtar. De buren gingen op vrijdag naar de moskee, wij gingen op zondag naar de kerk. Op kerstmis kwamen zij bij ons op bezoek, met het offerfeest gingen wij bij hen langs. De goede samenwerking die ontstaan is tussen mij, als overtuigd christen, en de arbeiders die in overgrote meerderheid moslims zijn, heeft ook te maken met het feit dat ik nooit probeer iemand te overtuigen van mijn geloof. Ik probeer te handelen zoals Jezus. Die vroeg ook niet aan de zieken dat ze christenen zouden worden. Hij genas hen uit menselijk mededogen. Ik ben er niet om mensen tot het christendom te bekeren, maar wel om mensen te helpen. Vanuit mijn religieuze inspiratie. En ik geloof dat veel moslimvrienden vanuit hún geloof tot dezelfde houding komen.

Toch zijn er de voorbije jaren meerdere incidenten geweest waarbij kerken in brand gestoken werden.

Kijk, de eerste keer dat dergelijke gewelddadigheden voorkwamen, was in 1967. Het was na een verordening van een generaal die het fokken van varkens verbood. Daarop reageerde een zogenaamde jeugdorganisatie -in feite een criminele bende- door alle varkens te slachten en door kerken in brand te steken. Van de weeromstuit vielen christenen moskeeën aan. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat er toen, net zoals dit voorjaar, een strategie achter zat vanwege het leger. ‘Verdeel de civiele samenleving en heers’, is hun regel. Wij hebben de plunderingen van de Chinese winkels tijdens de opstand van dit voorjaar zorgvuldig bestudeerd en we stellen vast dat ze zo goed georganiseerd waren en zo efficiënt uitgevoerd, dat we moeilijk kunnen geloven dat het om ‘spontane volkswoede’ ging. Wij geloven dat ze georganiseerd en gecoördineerd werden door professionele strategen, meer bepaald uit het leger.

Zal dat allemaal veranderen met de nieuwe regering?

Ik vrees het niet. Er is wel een nieuwe president, maar de oude mentaliteit van regeren heerst nog steeds. De regering is niet veranderd, het systeem is niet veranderd. De boom staat er nog, alleen de wortel -Suharto- is verwijderd. Habibie is weliswaar uit hetzelfde hout gesneden, maar hij is veel minder sterk. Daardoor wordt het makkelijker om de macht van het leger te bestrijden. Zij hebben nu nog steeds een vinger in elke pap. Dat moet veranderen. We moeten, via politieke weg, ook zorgen dat de wetten die in tegenspraak zijn met onze grondwet veranderd worden. Tenslotte willen we een sociale economie opbouwen. Een economie die de winsten eerlijk verdeelt. Gelukkig moet ik dat niet allemaal zelf doen. We hebben een grote arbeidsorganisatie, we hebben gebouwd aan een politieke partij ook. Mijn plaats is vanaf nu op de achtergrond.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur