Innu-indianen: jagers met een nieuwe toekomst

De Innu-indianen in Noord Canada weigeren nog langer in een niemandsland tussen twee culturen te vertoeven. Want daar liggen afhankelijkheid, alcoholisme, lethargie en gebrek aan zelfrespect op de loer. Zij vonden een bijzondere manier om hun eigenwaarde terug te krijgen: via het jachtkamp. De ouderen, die de innu-tradities en waarden nog kennen uit de tijd dat zij nomaden waren, trekken de wildernis in met de jongeren uit de gemeenschap. Ze wonen er in tenten, jagen en eten wat de natuur hen biedt. Oude legenden, rituelen en tradities komen er weer tot leven, en daarmee ook de Innu’s zelf. Bijeen ging met hen mee.
Aan het dok van Davis Inlet ligt de houten kano klaar. Iedere keer dat Georges Gregoire met zijn lieslaarzen van het strand naar de boot loopt, ligt de kano dieper in het water. Een witte kamvas tent, dekens en matrassen, zwart geblakerde pannen, een bijl, electrische zaag, twee geweren, en een zeildoek vol zelf gerookte vis, liggen opgetast. Of ik het niet erg vind om onder Innu’s te leven, vroeg George me eerder aan de telefoon. ‘Vanzelfsprekend niet’, heb ik geantwoord, verwonderd over zo’n vraag. Daarna pas besloot hij dat ik met hem en zijn familie mee mocht, het land in, om een aantal dagen door te brengen in hun tent. Bij gesprekken met andere Innu merk ik het ook; ze testen me, omdat ik een blanke ben, op mijn welwillendheid en respect voor de Innu-cultuur. De meeste Innu blijven gereserveerd, zelfs al zien ze er een belang in om met me te praten. Georges (50) begroet me niet, schudt geen handen, wijst alleen naar de boot ten teken dat ik mijn rugzak er in kan leggen. Toch zal hij de enige volwassene zijn die uiteindelijk zijn reserves voorzichtig opzij zet en spontane hartelijkheid toelaat. Als zijn vrouw Charlotte (49), dochter Elisabeth (22) en kleindochter Angela (4) instappen, volg ik hun voorbeeld. Prompt vertrekken we. Full speed over het meer.

Charlotte spreekt geen Engels, Elisabeth beantwoord beleefd maar kort mijn vragen en kleine ‘Angel’ kijkt verlegen de kat uit de boom. George staat aan het roer. Stil en stug. De wind is snijdend. De bergen langs de meren en brede rivieren zijn te ver om beschutting te bieden. Ik ben blij als we na een klein uur varen aanleggen bij een eiland. We wachten er tot het tij het water in een verder op gelegen rivier voldoende heeft laten stijgen om er over heen te kunnen varen. Ondertussen plukken we bessen, knielend op het rendiermos dat alle heuvels in Labrador bedekt. Bosbessen, zwarte bessen en een klein soort veenbessen hangen boven het mos. Vliegensvlug zijn de handen van Charlotte. In de tijd dat ik een hand vol bessen heb, heeft zij een pan gevuld.

George zit op een rots. ‘Het pad van onze ouders was ruig, maar goed om te volgen’ mijmert hij als ik even bij hem kom zitten. Al pratend komt hij los. En als het ijs eenmaal gebroken is, blijkt hij een man om voor te smelten. ‘Vandaag zijn er twee paden’, gaat hij verder. ‘Het Innu-pad en het pad van de blanken. We proberen beide sporen tegelijkertijd te volgen, wat goed is, zolang we de weg niet kwijt raken. De Innu’s zijn een jagersvolk. Mijn ouders leefden als nomaden. Zij wisten hoe ze moesten overleven en de natuur gaf hen alles wat ze daarvoor nodig hadden: Voedsel, materiaal om een tent, gereedschappen, vervoersmiddelen en kleding te maken, of een vuur te stoken. Ze hadden niets, maar hadden ook alles. Hun voedsel was sober, maar altijd vers, ze waren sterk en gezond, onafhankelijk en vrij. Ik ben geboren in zo’n tent op de toendra.’

‘Het is nog maar zo’n dertig jaar geleden dat de Innu de overstap moesten maken van hun traditionele manier van leven, naar de situatie van vandaag. In 1967 zei de missionaris in ons gebied dat het beter was als wij ons nomadenbestaan opgaven, zodat de Innu-kinderen naar school konden. We vestigden ons op zijn aanraden op het kleine eiland Davis Inlet. Daar was niet de ruimte die we gewend waren, we konden er niet jagen over de eindeloze vlakten. Alle levensmiddelen worden er ingevlogen met kleine vliegtuigjes, die alleen kunnen vliegen met goed weer. We zijn gewend geraakt aan instantvoeding en blikvoer, het enige dat verkrijgbaar is in de dorpswinkel. Er was nauwelijks werk, dus kregen we een uitkering van de overheid. De verveling sloeg toe. En de depressie. De priester leerde ons wat goed was om te geloven en we zetten ons oude geloof opzij. Onze kinderen gingen naar de blanke school en kregen in het engels les. Ze voelden zich dom als ze iets niet begrepen, maar ja, ze spraken aanvankelijk ook alleen Innu. En ze vonden geen herkenning. Ze leerden dingen die niets met onze leefwereld te maken hadden, maar die in de blanke wereld belangrijk zijn. Of ze leerden over olifanten en giraffen, dieren die in ons gebied helemaal niet voorkomen. De volwassenen leerden ondertussen alcohol kennen en werden er afhankelijk van. Alcoholisme leidde tot agressie, huiselijk geweld, seksueel misbruik en criminaliteit. Problemen waarmee we in het land eigenlijk nooit te maken hebben gehad. Als je vijftien jaar geleden naar Davis Inlet was gekomen, had je geen enkele volwassene in nuchtere toestand aangetroffen. En de kinderen hebben hun toevlucht gezocht in het snuiven van benzine.’

George bukt en stopt een paar bessen in zijn mond. Als hij verder vertelt, krijgt zijn verhaal een onverwachtte wending: ‘En toen, op een nacht, was er brand. Het was 1993. Er ging een huis in vlammen op en we hadden geen water om het te blussen; de door de overheid beloofde waterleidingen waren nooit aangelegd. In dat huis lagen zes kinderen te slapen, terwijl hun ouders uit drinken waren. Ze zijn levend verbrand. Die gebeurtenis heeft ons hardhandig wakker geschud. Velen van ons besloten om met drinken te stoppen. We beseften dat we allemaal kapot zouden gaan als we niet heel snel weer het heft in eigen hand zouden nemen. We zijn nagegaan er allemaal misgelopen was en hoe we het ten goede konden keren. Het gaat met vallen en opstaan, maar we zijn aan het werk op vele fronten. We laten onze stem horen in de media, we lobbyen, we vechten ervoor om ons land terug te krijgen, onze zelfstandigheid middels zelfbestuur en onze cultuur. We realiseren ons nu pas, dat onze kinderen wel degelijk educatie kregen voor ze naar de blanke school gingen. En dat de kennis die onze voorouders ons leerde minstens zo belangrijk en misschien wel relevanter was om op een goede manier te kunnen leven. Zij hadden ons geleerd hoe we moesten overleven als zelfstandige mensen. Ze leerden ons jagen en we gingen met respect met de natuur om. Wij hebben nooit een meer of rivier vervuild. Alles is bezield. De rotsen, het water, de sneeuw, de dieren. Ook vroeger waren we afhankelijk, maar anders. Het land en de dieren, die ons al zevenduizend jaar in leven houden, zijn deel van onze cultuur. Onze voorouders hadden daar dan ook een groot respect voor. Eigenlijk waren ze niet afhankelijkheid, maar verbonden.’

‘Inmiddels heeft de westerse leefstijl zoveel vat op ons gekregen dat we nauwelijks meer zonder kunnen. We hebben de blanke educatie nodig om de blanken onze rechten duidelijk te maken op de manier die zij begrijpen. We zijn goed georganiseerd op internet. We nemen sateliettelefoon mee, als we lang de wildernis intrekken. Ook de medische kennis van het westen zullen we wel moeten accepteren. Vroeger hadden wij onze kruiden en natuurlijke medicijnen. We wisten welk deel van een dier goed was voor welke kwaal. Maar we zijn veel kennis kwijt geraakt. En elke keer als er een oude Innu sterft, gaat er meer kennis verloren en wordt de verbinding met onze cultuur dunner. We mogen niet vergeten wie we zijn, want een blanke zullen we nooit worden, al spreken we inmiddels engels en hebben sommigen onder ons diploma’s. Voor het te laat is, moeten de ouderen daarom hun kennis doorgeven aan de volgende generatie. Als de kinderen weten dat ze deel uit maken van een waardevolle en prachtige cultuur, zullen ze zich goed voelen in zichzelf. Zo vaak mogelijk, neem ik mijn kinderen en kleinkinderen daarom mee de natuur in. Zoals vandaag’, besluit hij en dan lopen we terug naar de kano.

Het begint al te schemeren. In de verte grijpen de heuvels in elkaar in steeds vager wordende lagen. Angel ligt tussen de bagage te slapen, toegedekt met een zeil. We komen te vroeg bij de rivier; hij is nog altijd ondiep. George laveert de kano toch stroomopwaarts. Met het uitstrekken van een hand geeft Charlotte op de voorsteven aan waar de minste keien liggen. Desondanks hoor ik even later een slepend geluid en een knal. De kano ligt stil. Georges haalt de motor binnen en gooit het anker voor de boot uit. Hij probeert de kano er aan op te trekken terwijl wij de boot met bomen trachten los te krijgen en stroomopwaarts te bewegen. Hoe ongelukkig de situatie ook is, ik ben blij met deze gelegenheid waarin ik wat solidariteit kan tonen. Met vier volwassenen geven we een half uur lang onze uiterste kracht, maar de rivier is sterker. De stroom staat niet toe dat we grip krijgen op de stenen, trekt de kano zijwaarts en vervolgens achterwaarts mee, om ons op de volgende rotspartij te smijten. Ik heb geen gevoel meer in mijn handen van de kou, als vanuit de nevels een speedboot verschijnt. Prote Poker, de vormalige Chief van de Innu in Davis inlet, staat achter het roer. Vanwege de kleinere motor kan zijn boot wel door het ondiepe water en hij neemt ons mee. Zijn kampement is niet ver van het onze.

‘Mensen zijn tegenwoordig zo afhankelijk van machines en snelheid. Ik ben er ook aan verslaafd.’ zegt Georges voor hij in stapt. ‘Vroeger, in de tijd van mijn vader, liepen we door de bush naar het jachtkamp. Of we gingen per kano of per slee. Nu hebben we speedboten en skidoo’s. En als we ons tentenkamp een paar honderd kilometer verderop willen opslaan, huurt de Innu Nation een vliegtuigje en worden we er met ons hele hebben en houden heengevlogen. We kunnen niet terug in de tijd. We hebben niet meer de conditie om honderden kilometers te lopen. De jachtkampen zijn goed, je voelt je vrij in de natuur, maar we moeten het combineren met het goede uit de cultuur van de blanken.’ Dan start de lawaaierige motor.

Aan de oever van het meer staat een grote witte tent. De schoorsteen puft; het zelfgelaste potkacheltje is hoog opgestookt. Charlotte bakt wat gerookte bergforel en deelt dat uit met zelf gebakken brood en veenbessencompot. Buiten staat het noorderlicht in een wit-blauwe baan langs de hemel. Het is een heldere, koude nacht. ‘Laten jullie de kachel ‘s nachts aan?’ George grinnikt mijn hoop weg. En hij lacht nog harder als hij mijn slaapzak ziet. ‘Zeker een Hollandse?’ ‘Hij verwarmt tot min vijf graden, zei de verkoper.’ ‘Dan ben je hier net op tijd, want over twee maanden kan het hier vijftig graden onder nul zijn.’ Hij gooit me een extra deken toe. Dik, maar nat. Als het laatste hout in de kachel is opgebrand, lig ik de rest van de nacht te rillen.

Nog voor alle anderen wakker zijn, rond half zes ‘s ochtends, heeft Charlotte de kachel weer opgestookt, buiten een vuur aangelegd en het ontbijt gemaakt. De handen van deze vrouw zijn altijd bezig. Zit je rustig met haar in de tent, heeft zij ondertussen een brood gebakken, maakt ze even een ommetje, komt ze thuis met een vis die ze gevangen heeft, of met een nieuwe lading bessen. Zij is het die als eerste merkt dat het regent en die naar buiten gaat om wat spullen te bedekken. Zij is het die ziet dat de kachel nieuw hout nodig heeft en een paar keer per dag de zware bijl hanteerd. En ‘s nachts zijn die sterke handen teder. Ik hoor hoe ze Georges warm wrijft en als Angel mokkend wakker wordt, vindt zij alleen troost in de armen van haar grootmoeder. In de wildernis heb je geen drank en drugs nodig, denk ik. Er is geen verveling, maar vervulling. Iedereen komt er letterlijk in beweging. De jagers scherpen hun alertheid. Er is werk en er is rust.

Dan zie ik Elisabeth. Er hangt een logge zwaarheid over haar heen, die ik ook terug zie bij andere Innu. Het lijkt zich zelfs lichamelijk te uiten. Zo als velen, is ze niet lang, wel breed gebouwd en dik. Het lijkt of er gewichten hangen aan haar mondhoeken, waardoor het moeite kost ze tot lachen te bewegen. Zo actief als haar moeder is, zo uitgeteld lijkt zij. Ze ligt grote delen van de dag te slapen en als ze wakker is zegt ze steeds maar hoe moe ze is. Aanvankelijk denk ik dat dat het verschil in generatie is. Charlotte is nog van het oude slag, opgegroeid in een tent, gewend hard te werken om te overleven. Elisabeth groeide op in de lethargie en onverschilligheid van Davis Inlet. Maar als wij even alleen zijn zegt ze plotseling: ‘Ik geloof dat ik weer zwanger ben.’ ‘Oh!’ zeg ik verrast. ‘Maar mijn vriend, Angel’s vader, zit in de gevangenis wegens inbraak’, gaat ze verder. ‘Hij komt pas in februari vrij.’ ‘Je zult hem wel missen?’ ‘Helemaal niet. Ik voel me beter zonder hem.’ ‘Waarom ga je dan met hem door?’ ‘Als hij uit de gevangenis komt, zet ik er een punt achter.’ ‘Drinkt hij?’ Ze knikt alsof dat de oorzaak van alle problemen is. ‘Lijkt me lastig als je zelf niet drinkt’, bevestig ik, maar schat haar verkeerd in: ‘Ik ben ook een drinker. Vorige week was ik nog lazarus.’ Ik kijk naar een heel diep gat in haar arm. ‘Op een spijker gevallen toen ik dronken was’, verklaart ze. Voor de zekerheid vraag ik: ‘Weet je dat alcohol slecht is voor je baby?’ ‘Ja’, antwoord ze kort. En dan flapt ze er uit: ‘Ik ben zwanger van een ander’. ‘Zal hij wel goed voor je zijn, denk je?’ ‘Hij zit inmiddels ook in de gevangenis. Ik wist niet dat hij een moordenaar was.’ ‘Ben je ondanks alles toch blij met het kind dat gaat komen?’ ‘Nee. Ik denk dat ik het weggeef voor adoptie.’

‘Don’t play with the gun’, grapt George, telkens als hij de tent verlaat en zijn geweer in de hoek laat staan. Sinds hij me vertelde hoe hij een Innu-meisje in de bergen vond dat zich met het jachtgeweer van haar vader door haar buik had geschoten, heeft de grap een wrange bijsmaak. Bij de thee overhandigt Charlotte haar man een dichtgeknoopte zakdoek. George houdt het vast met een zeker ontzag, als waren het gouden ducaten. Hij twijfelt even, knoopt de zakdoek dan open. Ik zie de doffe glans van koperen kogels. Hij legt er één in mijn hand en zegt: ‘Deze kogel kan ieder dier doden’. Ik heb gevraagd of ik mee mag als hij gaat jagen. Maar niet veel later zie ik hem samen met Prote Poker in de speedboot stappen, mannen onder elkaar, geweren over de schouder. Ze verdwijnen over het meer. Jagen is zeker geen vrouwenwerk. Een fris geurende vloerbedekking in de tent leggen wel. Samen met de vrouwen ga ik het bos in. Met een bijl en handschoenen ontdoen we de magere sparrebomen van hun jongste takken. Stapels dennengroen liggen een half uur later voor de tent. Charlotte legt er dakpansgewijs een isolerend tapijt van. Visvellen, sigarettenpeuken, afgehakte patrijzenpootjes en ander afval dat op de grond was beland, verdwijnt onder de nieuwe laag. De mannen komen terug. Ze hebben niet gejaagd, maar water gehaald op de plek waar een zoetwaterivier het meer in stroomt.

De tijd is lang gerekt in het kamp. Als ik het gevoel heb dat het wel bijna zal gaan schemeren, is het pas één uur in de middag. Angel heeft een levend speeltje. Nu eens is ze lief tegen haar pup, dan weer knijpt zij zijn keel dicht of gooit hem door de tent. Ze krijgt geen correctie. ‘Hoe drukken jullie je respect voor de dieren uit’, vraag ik aan George en Prote. ‘Elk dier heeft zijn eigen benaderingswijze’, antwoord George. Alle dieren die voor de Innu van belang zijn om te kunnen overleven, hebben aan onze voorouders aangegeven hoe zij behandeld wensen te worden. De jagers houden daar rekening mee. Stekelvarkens willen bijvoorbeeld niet door een kogel om het leven komen. Als ze een boom in vluchten, schieten wij hem er dus niet uit, maar hakken de boom om, zodat we hem met een stok op het hoofd kunnen doden. Wanneer we een zwarte beer in een boom aantreffen, bezig met zijn winterslaap, dan moeten we eerst tegen hem praten. We vragen hem de boom uit te komen. Als hij niet luistert, moeten we hem er wel uit schieten.’

‘Is er in het geval van het stekelvarken dan geen respect voor de boom?’ ‘Ook een boom is bezield’, antwoord Prote nu, ‘maar de ‘spirit’ waarmee we rekening houden zit niet in één boom, maar in het hele bos. Zo is er ook één spirit voor alle kariboes: de kariboemeester. Alle diersoorten hebben een meester, die je je moet voorstellen als een geestelijk wezen. Innu’s geloven dat de dierenmeesters de dieren vrijwillig aan de jagers aanbieden in ruil voor respect. Het is daarom ook van levensbelang om een goede relatie met de dierenmeesters te onderhouden. Als je hen niet respecteert, is de kans groot dat je de volgende keer geen wild meer vindt.’

George: ‘Kariboe’s, een soort rendieren, zijn de meest heilige dieren voor Innu’s. Zij maakten het onze voorvaderen mogelijk te overleven. De warme vachten waren bruikbaar kleding, moccasins of vloerbedekking in de tent. Van de pezen maakten we sneeuwschoenen. En het vlees werd natuurlijk gegeten. Daarom mogen we niets van het dier verspillen. Uit respect voor de dieren schieten we nooit meer dan we kunnen eten of gebruiken. Er zijn vele rituelen rond kariboe’s die we nog steeds uitvoeren. Na een succesvolle kariboejacht bijvoorbeeld, danken we de kariboemeester door een ‘Mukushan’ te houden, een rituele maaltijd waarvoor we het merg uit de beenderen bereiden. De maaltijd wordt gedeeld met alle mensen die in een kampement aanwezig zijn.’

‘Het is zoiezo traditie dat we het voedsel dat we met jagen hebben verworven, delen’, reageert Prote. ‘In het land reisden we met clans. De mannen gingen samen op jacht, maar je kon natuurlijk nooit allemaal dezelfde kariboe schieten. De gene die een dier geschoten had, gaf zijn buit aan de andere jagers. Die traditie blijf ik trouw. Of ik nu een kariboe, stekelvarken, bever of vis gevangen heb, ik geef het altijd weg aan een oudere van de gemeenschap. Delen is een belangrijke waarde in de Innu-cultuur en ik wil dat onze kinderen dat ook leren. Als je iets weggegeven hebt, kun je het altijd weer krijgen. Het werkt als een rivier. Die stroomt in het meer en stroomt er weer uit. Maar altijd stroomt hij er ook weer opnieuw in. Je mag de stroom van de spirits niet belemmeren. Zij zenden een stroom van dieren via de jagers naar de Innu’s toe. Een jager hoort die stroom door te geven. Als je hebberig bent en het zelf wilt houden, onderbreek je de stroom en ontstem je de dierenmeesters.’

‘Hoe communiceren jullie met die dierenmeesters?’ Prote: ‘Vroeger stonden de Innu’s zo dicht bij de natuur, dat ze er mee konden praten. Tegenwoordig kunnen we dat niet meer.’ George vult aan: ‘We communiceerden via de ‘shaking tent’. Dat was een ritueel dat we uitvoerden als we bijvoorbeeld heel lang geen wild meer hadden gevonden. Om er achter te komen wat er aan de hand was, verdween de sjamaan in een kleine tent, waar de rest van de gemeenschap omheen zat. De sjamaan zong en riep de dierenmeesters aan. Stuk voor stuk kwamen ze binnen. Soms waren de krachten die daarmee gepaard gingen zo groot dat de hele tent ging schudden. We konden de animalmasters met de sjamaan horen spreken in verschillende stemmen, maar we konden niet altijd verstaan wat ze zeiden. Dat legde de sjamaan dan later uit. Soms vertelde de dierenmeesters ook waar en wanneer wij bepaalde dieren zouden aantreffen. Voor de kariboe’s klopte dat meestal. Maar bij eigenwijzere diersoorten kon je er niet altijd op rekenen, want die houden zich niet altijd aan de beloften van hun meester. Sinds we ons in Davis Inlet hebben gevestigd, is er geen Shaking tent ritueel meer gehouden. De priester had de sjamaan-praktijken verboden. Hij zei dat het slecht en gevaarlijk is. Toen zijn de mensen bang geworden voor de overweldigende kracht die bij de rituelen vrij kunnen komen.’ Prote: ‘De katholieke denkbeelden die in onze hoofden werden geïmplanteerd, zijn in strijd met onze oude gebruiken. De ouderen zijn bang geworden voor hun eigen spiritualiteit. Of eigenlijk zijn ze bang voor de veroordeling van de christelijke God waarin wij nu geloven. Daar komt nog bij dat ze een paar keer belachelijk zijn gemaakt door de jongeren, juist op het moment dat ze de heilige drum bespeelde en daarbij de liederen uit hun dromen zongen. De jongeren hebben op school geleerd dat die rituelen allemaal onzin zijn. Veel ouderen zijn heel voorzichtig geworden.’

‘Zijn er behalve de shaking tent nog meer manieren om er achter te komen waar zich het wild bevindt?’ George: ‘We krijgen wel eens aanwijzingen in onze dromen. Ik heb bijvoorbeeld een keer gedroomd dat ik aan een meer stond. Aan de overkant zag ik een prachtige vrouw met haar dochter. Ze stapten in een kano en voeren naar mij toe. Toen ik wakker werd, bereidde ik me voor op de jacht en ging direct naar de rand van het meer. Aan de overkant zag ik een kariboe-moeder met haar dochter. Ze liepen het water in en zwommen recht op mij af.’ Verlegen lachend vertelt hij me meer dromen. Ze gaan steeds over vrouwen op een bepaalde plaats. En altijd vond hij op die plaats de volgende dag kariboes. ‘Vroeger droomde een jager zelfs welke afbeeldingen of patronen hem kracht zouden geven bij de jacht. Op aanwijzing van de jager schilderde zijn vrouw die patronen dan op zijn kariboe-lederen jas.’

‘Ga je mee? We hebben je hulp even nodig’, zegt Georges en staat op. Hij gaat het bos in met een electrische zaagmachine, Charlotte draagt de bijl. We zakken tot onze enkels weg in het hoogpolige tapijt van mossen. Georges loopt blindelings naar een dikke boom die hij een paar dagen geleden al in het bos heeft zien staan en zaagt hem om. Daarna worden er twee dunnere gevild. Onze nieuwe voorraad hout. Charlotte slaat de stammen kaal en toont me hoe je het makkelijkste met een boom op je schouder door het woud kunt lopen; hij moet balanceren op zijn evenwichtspunt, met het kortste eind voor. Het is zwaar, maar we zijn niet al te ver van de tent af. Een beetje te stoer begin ik vast naar het kampement te lopen. Recht er op af, denk ik, precies de verkeerde kant op, blijkt. Er komt geen einde meer aan het bos. George en Charlotte zijn niet meer te horen en de boom is inmiddels verpletterend zwaar. Net als ik overweeg om me van het gewicht te ontdoen, zie ik in de verte een meer. Ik ga er naar toe en door eindeloos de oever te volgen, vindt ik uiteindelijk de tent. ‘Waar was je?’ vraagt Georges, ‘Even de omgeving verkennen.’ Ze vinden me maar raar.

‘Never hang yourself’, zegt Georges opgewekt, als ik toekijk hoe hij lange takken test op hun buigzaamheid. En terwijl ik me afvraag wat hij daar nu weer mee bedoelt, meldt hij geheimzinnig: ‘Ik ga iets heel speciaals voor je bouwen’. Ik vrees dat het een zweethut wordt. In Sheshatshiu, het andere Innudorp van Labrador, heb ik er één gezien. Buigzame takken worden als halve bogen in de grond gezet en daaroverheen legt men tentdoek. Ik was afgekomen op het enorme vuur dat aan de baai van Sheshatshiu brandde. Twee jongens haalde met een hark roodgloeiende keien uit het vuur en legden die in het midden van de tent. ‘Ga er maar inzitten’, moedigde Apenam aan, nadat hij me van alles over de werking van de zweethut had vertelt. De zweethut werd onder zijn leiding voorbereid. Met al mijn kleren aan nam ik plaats tegenover een oude man die de warmte had opgezocht. Apenam sloot het doek van de tent en daar zat ik dan, in die donkere en warme baarmoeder, waaruit de Innu, naar eigen zeggen, als herboren weer te voorschijn komen, na de lichamelijke en geestelijke reiniging. Want in een zweethut zweet je niet alleen, je praat er ook. Zoals het zweet de lichamelijke afvalstoffen afvoert, zo voert de taal de geestelijke ongezonde gedachten en gevoelens af. De deelnemers zitten in een cirkel en vertellen ombeurten over hun zorgen, hun verdriet of problemen. De andere luisteren alleen maar, tot iemand helemaal is uitgesproken. In het veilige donker en de intimiteit van de kleine besloten ruimte, is het makkelijker delen. Na elke ronde wordt een klepje in het dak van de tent geopend om letterlijk de stoom, vermengd met zweet en zorgen, af te blazen. Daarna sprenkelen ze nieuw water op de stenen en begint een nieuwe ronde. Menstruerende vrouwen is het ten strengste verboden om deel te nemen aan een zweethut, tot drie dagen na de menstruatie. ‘De creator heeft de vrouw zo geschapen dat zij haar lichaam elke maanstonde zelf reinigt. Dat is een heel krachtig proces, dus daar moet je niet nog eens een zweethut overheen nemen, dat is dubbel,’ vertelde Apenam. Ik moet het George wel zeggen.

Steeds als in de verte het geluid van een motorbootje klinkt, spitst George zijn oren. Hij praat in het Innu met Charlotte, pakt zijn verrekijker en loopt onrustig naar buiten om over het meer te turen. Een verzetje in de stilte van het kampleven, dacht ik eerst. Maar nu zie ik voor het eerst de paniek. George laat er zelfs zijn eten voor staan. ‘Elke keer als ik een motor hoor, ben ik bang en vol zorgen’, verklaart hij als hij weer binnenkomt. ‘Bang dat die boot naar mij opweg is, om me slecht nieuws te brengen. Vijf van mijn zes kinderen, waaronder een van twaalf jaar, zijn in Davis Inlet achtergebleven. Het broeit er altijd. Er gebeuren daar te veel ongelukken. Geweld, zelfmoord…’ Altijd voorbereid op het meest verschrikkelijke, denk ik. En hoe kan je anders. Er zijn jaren dat 25% van de bevolking van Davis Inlet een zelfmoordpoging doet. Ook kinderen. In 19?? was de wereld geschokt door de videobeelden die geregistreerd hadden hoe zes benzine snuivende kinderen op heterdaad betrapt werden, toen ze gezamelijk zelfmoord wilden plegen. Ze vloekten en scholden tegen de politie die hen uit een kleine ruimte haalde waarin zij zichzelf wilden vergassen. ‘Laat ons! Blijf van ons af. We willen niet meer!’ krijsten ze huilend.

‘Twee van mijn zonen snuifen benzine’, gaat George verder. ‘Ik heb gezegd dat ze ermee moeten stoppen als ze iets van hun leven willen maken, maar heb geen idee of ze dat ook echt gedaan hebben. Ik ben teleurgesteld, maar vrees dat ik er mijn aandeel aan gehad heb. Ik heb lang, dagelijks gedronken. En zij volgden het voorbeeld van hun vriendjes, denk ik. Er zijn heel wat kinderen in Davis Inlet die al op hun zesde jaar beginnen.’ Ik weet het. De nachten dat ik in Davis Inlet doorbracht, werd ik rond een uur of drie wakker van de kinderen die over de zandwegen van het dorp struinden en hun longen uit hun lijf schreeuwden. ‘Ze hallucineren en schreeuwen tegen de beelden die ze zien’, vertelt Prote, die zelf vroeger benzine snoof. ‘Ik herinner mij dat we met een hele groep soms dezelfde dingen waarnamen; de geest van een overledene bijvoorbeeld. Door het snuiven van benzine vertraag je de werking van je hersens. De kinderen krijgen het gevoel dat ze buitengewone dingen kunnen en in een tijdmachine zitten. Het ene moment kijken ze uit het raam naar een berg, het volgende moment bevinden ze zich boven op de top. In feite hebben ze gewoon een lange black out gehad en is de tijd dat ze de berg opklommen niet als waarneming geregistreerd.’

Met melancholische trots vertelt Georges dat zijn kinderen ooit vrolijk en leergierig waren. Mijn zoons hielden van jagen. Een van hen zeurde in het jachtkamp steeds om mijn geweer. Ik vond hem eigenlijk nog te jong om hem er alleen mee te laten. Maar hij bleef maar vragen en uiteindelijk heb ik het hem met drie kogels meegegeven. Hij verdween -acht jaar was hij- en kwam terug met een kariboe. Misschien wordt hij ooit nog een goede jager.’ Prote zegt desgevraagd dat hij op zijn vijfde jaar zijn eerste dier schoot: een patrijs. Als hij nu een patrijs ziet, laat hij zijn kinderen schieten. Het is gezellig in de tent. De familie van Prote is ook binnen komen stappen en we drinken kopjes thee. Zo’n vijf keer per dag worden wederzijdse theebezoekjes afgelegd. ‘In het jachtkamp groeit de familie weer naar elkaar toe. Door het samenwerken samen leven in één tent ben je veel meer bij elkaar betrokken. In het land voelen we ons weer verbonden met de natuur en met elkaar’, zegt Prote terwijl zijn dochter knus tegen hem aanhangt. Apenam een indiaan die ik een week geleden in Sheshatshiu ontmoette, het andere Innu-dorp van Labrador, benadrukte ook al het gunstige effect van jachtkampen op de sociale relaties. ‘De andere kant is natuurlijk het gebrek aan privacy’, voegde hij toe. Seksualiteit in de tent is taboe. Maar daar hebben de Innu eeuwenlang hun eigen inventieve oplossingen voor gevonden. Als een getrouwde man en een vrouw naar elkaar verlangen, gaan ze gewoon dennentakken verzamelen om de vloer in de tent te verversen en dan vinden ze wel wat tijd voor elkaar.’

Zo nu en dan wil de familie ook iets van mij weten. Waarom gebruik je geen make-up, zoals andere Europese vrouwen? Waarom heb je lange nagels en draag je zo veel ringen? Heb jij diamanten? Is het waar dat Europeanen zes tenen hebben? De vragen bevreemden mij soms wat. En ik besef dat mijn vragen in hun oren waarschijnlijk net zo gek klinken. Een Innu-jager vragen of hij wel eens een zwarte beer geschoten heeft… Soms schiet George er gewoon van in de lach: ‘Natuurlijk!’

De avond is gevallen. ‘Ik had je beloofd een legende te vertellen’, zegt Georges als Charlotte, Elisabeth en Angel zich al uitstrekken om te gaan slapen. Zo, in een tent die verlicht wordt door kaarsen, krijgen de Innu-kinderen ook de legendes te horen. Georges begint een verhaal over het ontstaan van het verbond tussen de Innu’s en de kariboes. ‘Er was eens een jonge Innu-jager die droomde dat een kariboevrouw hem ten huwelijk vroeg…’ Ik hoor hoe de andere vrouwen in de tent stuk voor stuk in slaap vallen op het rustige kabbelen van zijn stem. Ook ik ben rozig. De legende blijkt een lang verhaal en ik moet mijn best doen om zijn mompelen te blijven verstaan: ‘Toen de jager wakker werd, ging hij naar buiten en kwam de kariboevrouw tegen. ‘Trouw met mij’ vroeg het dier weer, en toen zij zag dat de jager twijfelde, toonde zij zichzelf even in menselijke gedaante. Er stond een adembenemend mooie vrouw voor hem en de jager kon niet meer weigeren. Door te trouwen werd de jager zelf een kariboe. Daarom kon hij steeds zien hoe mooi zijn vrouw was en ervaarde hij de kariboe-kudde als een gewone samenleving….’ George vertelt traag en met eindeloze uitwijdingen. De clou is uiteindelijk dat de vader van de jager ongerust wordt als zijn zoon niet thuis komt. Hij gaat hem zoeken en komt er achter dat de jongen onder de kariboe’s leeft. De vader wil zijn zoon terug, maar de kariboe’s houden het mensenkind, dat gelukkig is met zijn kariboe-vrouw, in hun midden. Niet alleen de vader, de hele Innu-gemeenschap mist de jongen. Regelmatig geeft de kariboemeester sindsdien vrijwillig wat van zijn dieren aan de Innu. Ter compensatie. De kariboe’s hebben een mens en daarom krijgen de mensen kariboe’s.

Ik wordt wakker van George die een Innu-lied zingt. Deze dag gaan we met Prote’s speedboot naar de overkant van het meer. George wil me wat laten zien. Daar klimmen we met z’n allen op één fourwheeler en crossen over het ongelijke terrein. Elisabeth stuurt. Als zij zin heeft in een sigaret geeft stuur over aan haar dochter van vier die voor haar zit. Met onverwachtte rukken trekt Angel het gas vol open en in amazone zit proberen wij te blijven zitten op de machine die te keer gaat als een wild geworden stier. Charlotte legt een arm om mijn been. Zelfs in deze situatie voelt haar hand veilig. Her en der zijn stroken bomen omgehakt voor de aanleg van wegen. ‘Stoppen’, roept George. Hij loopt een stuk bos in, zoekt en zegt dan: ‘Hier komt mijn huis te staan. Alle inwoners van Davis Inlet gaan verhuizen. We gaan hier een nieuw begin maken. Het was ons eigen idee en we hebben net zo lang gelobbyd, tot de overheid er geld in wilde steken. De overheid heeft lang genoeg gezegd waar en hoe wij moesten leven. Dat heeft niet tot veel goeds geleid. Nu is de beurt aan ons. Al is deze lokatie slechts tien kilometer verderop, alles zal anders worden. Dit is het vaste land, dus we zijn minder geïsoleerd en minder afhankelijk. We hebben deze plek zelf gekozen. Onder leiding van ingenieurs gaan we het dorp grotendeels zelf bouwen. De overheid ziet het experiment als een grootschalig werkgelegenheidsproject. Alle Innu die willen kunnen hier een goed betaalde baan krijgen, tot de relokatie over een paar jaar een feit zal zijn. In Davis Inlet leeft menige familie met 27 man in een drie-kamerwoning. Hier bouwen we huizen die ruim genoeg zijn, inclusief waterleidingen en riolering. Wij bouwen letterlijk aan onze toekomst.’ Georges is nu al zichtbaar trots is op het nieuwe dorp dat ‘Natuashish’ (Little Shango Pond) zal gaan heten.

‘We bouwen ook aan onszelf’, zegt Elisabeth. ‘Via een referendum heeft de bevolking van Davis Inlet onlangs gestemd voor een alcoholverbod. We moeten ons echter nog bezinnen op de manier waarop we het gaan realiseren en welke sanctie er staat op overtreding. Ik hoop zo dat het van kracht wordt vóór de relokatie. Natuurlijk zijn we dan niet abrupt al onze problemen kwijt die voortkomen uit de pijn van het verleden, maar we geven onszelf wel een echte nieuwe kans.’

De dagen zitten er op. We varen terug. In de kano ontdekt Angela haar echo. Ze gilt tegen de rotsen langs de rivier en de rotsen gillen terug. Daarom moet ze lachen. En de natuur lacht terug. Ik verwonder me over het afscheid op het strand in Davis Inlet. Elisabeth loopt zonder een woord het dorp in met Angela. En als ik het initiatief neem, schudden Charlotte en George me wat houterig de hand. Slaat Davis Inlet alle warmte dood? Ik zal ze een paar dagen later weer ontmoeten, een paar honderd kilometer (???) landinwaarts, maar dat weten we dan nog niet.

De piloot van een kleine twin-otter bindt een kano vast op de drijver van zijn watervliegtuigje. Acht mensen en een heleboel bagage kunnen mee in het toestel. In Borderbeacon, aan de grens met Quebec is een leiderschaps conferentie voor de Innu van Davis Inlet. Eindelijk laat het weer vandaag eens toe dat er gevlogen wordt en daarom heeft de Innu Nation zoveel mogelijk vluchten geboekt. Er heerst een bedrijvigheid zoals die er moet zijn vlak voor het grootste deel van de bevolking per vliegtuigje landinwaarts trekt om een aantal maanden in een jachtkamp te gaan wonen. Innu’s rijden af en aan om met hun fourwheelers bagage op het strand te dumpen. Vandaag vlieg ik mee over de toendra’s.

In Davis Inlet heeft iemand me een naam genoemd van een jager die in het kamp aanwezig zou zijn. Er zijn ongeveer vijfenzeventig mensen en op goed geluk loop ik af op een forse, wat gezette man. ‘Ik ben op zoek naar Sebastian Piwas’. ‘Dat ben ik’, antwoord de man. ‘Ik heb gehoord dat u een goede jager bent.’ De man glundert van oor tot oor. ‘Mag ik met u mee op jacht?’ Het is snel beklonken. Die namiddag al, lopen we door de heuvels, opweg naar de plek waar Sebastian gisteren een kudde van vijftig karibou’s naar het zuid-westen had zien trekken. Hij bewapend met een geweer, ik met een camera. ‘Kijk, poep van grijze wolven, wijst Sebastian vlak bij het tentenkamp. ‘Als de karibou in de buurt zijn, zijn de wolven het ook. Ze zijn onze concurrenten. Je zal ze vanacht wel horen huilen.’ We zijn nog geen tien minuten opweg, als Sebastian al door zijn verrekijker tuurt. ‘Zie je aan de andere kant van het meer, voor die donkere dennenbomen iets wits bewegen? Dat zijn twee kariboe’s. Ze komen naar ons toe.’ We verstoppen ons in een drooggevallen kreek en zien hoe de twee dieren inderdaad het meer in lopen en recht op ons af beginnen te zwemmen. Alsof ze zich aanbieden, zoals de legende vertelt. Een moeder en een dochter, zoals in de droom van Georges. De vlakte waarop wij ons bevinden ligt hoger dan het meer. Als de kariboes heel dicht bij komen verdwijnen ze onder ons uit het zicht. Op dat moment rent Sebastian sluipend naar de rand van de klif boven het strand, om ze onverwacht en van dichtbij neer te schieten. Ik volg op enige afstand. Sebastian is uit zicht, maar ik hoor drie schoten. ‘Het is gedaan’, denk ik en snel nu ook naar de rand van de klif.

En dan sta ik, onverwacht, oog in oog met een prachtige kariboe. Ze staat op het strandje onder mij, nog geen acht meter van mij vandaan. Fier en sereen, haar gewei als antennes naar de hemel opgericht. Ze kijkt mij alleen maar aan, recht in de ogen, in een intens stil moment. Haar kind ligt bloedend in het meer. En juist dan begint mijn camera terug te spoelen en duik ik geschrokkken ineen, haast me, om me met iets ridicuuls als het verwisselen van een filmpje bezig te houden. Weer hoor ik een schot. Als ik mij opricht, is zij al gevallen en ligt dood op het strand. ‘Ik had de moeder eerst willen schieten, want dan blijft haar jong om haar heen cirkelen. Maar raakte het jong per ongeluk in het oog. Daarop probeerde de moeder weg te komen. Ze snelde naar het strand. Ik heb haar snel moeten neerschieten, voor ze verdween’, evalueert Sebastian als we van het klif afklimmen. Meewarig kijkt de jager, als ik het nog warme moederdier aai over haar zachte neus en het met fluweel bedekte gewei.

Ik houd mijn kiezen op elkaar en gooi er wat rationele argumenten tegen aan om dat westerse sentiment te bedwingen. Dat deze dieren tot het einde toe een goed leven hebben gehad, dat de bio-industrie veel treuriger is, it’s their way of living, van die dingen. ‘Nou dat ging snel,’ probeer ik mijn meest nuchtere stem. ‘Je zult wel genoeg vlees hebben met twee van zulke enorme dieren?’ ‘Nee, ik heb nog wat nodig. Een stuk of twintig.’ Mijn hart krimpt ineen. Verscholen achter een rots zit ik de tijd uit. Sebastian heeft alweer twee kariboe’s in de smiezen. Ze nemen dezelfde route als de vorige twee en zijn al halverwege het meer. ‘Draai om! Vlucht voor je leven!’, sein ik ze in gedachten toe en hoop dat Sebastian daar nooit achter zal komen. En verdomd, de dieren maken een bocht van tachtig graden en zwemmen terug. ‘Goed zo’, moedig ik stilletjes aan. Het is echter niet mijn telepatische vermogen, maar het motorgeluid van een fourwheeler, dat hen van richting doet veranderen. Het voertuig met aanhangwagen wil de twee kariboes die Sebastian geschoten heeft ophalen. De jager gebaart dat hij nog bezig is en onmiddellijk zet de chauffeur zijn motor uit. De kariboe’s minderen vaart en wagen dan opnieuw de oversteek. Sebastian laadt zijn geweer. Juist als hij naar de klif wil sluipen draaien de dieren opnieuw om. Ze ruiken onraad. Even later zie ik hoe een kano zich los maakt van de kant. Er liggen kennelijk meer jagers op de loer. Zo hard als ze kunnen zwemen de dieren, maar de jagers in de kano halen hen gestaag in en schieten.

‘We gaan’ zegt Sebastian nu en we lopen terug naar het kampement. Tegelijk met de kano komen we aan. Het meer bloedt, als de jagers twaalf kariboe’s uit hun boot slepen. Het gaat er weinig romantisch aan toe. Geen gebed om de animalmaster te bedanken dat deze heilige karibou’s zich hebben geofferd. Geen eerbiedige stilte bij het uitladen van de dode lichamen. Ik zie een jager tegen de flanken van een dier schoppen om het om te rollen. Kinderen zijn uit hun tenten komen rennen en buitelen om de buit. Ze halen fratsen uit, zetten hun nagels in het oog van een karibou, trekken een open gesneden buik open als ze mijn camera zien. Mijn westerse invulling van respect speelt me parten.

Die avond hangen er honderden kilo’s rauw vlees in het kamp. Grote stukken hangen over houten stellages boven de kampvuren te roken. De komende dagen zullen de kariboehuiden wel opgespannen worden. Ik kom Georges tegen, die met een bijl een kariboe in stukken hakt. ‘Vroeger aten we alles van de kariboes’, vertelt hij, terwijl hij het dier van de ingewanden ontdoet. ‘Maar tegenwoordig eet ik de lever liever niet meer. Sinds de laagvliegoefeningen van de straaljagers boven ons jachtgebied, ziet de lever er anders uit. De dieren vertonen vreemd gedrag; ze eten andere dingen dan voorheen en sommige gaan op onverklaarbare wijze dood.’ ‘Trekt zoveel vlees de wolven niet aan?’ ‘Wolven zijn niet gevaarlijk. Ze zijn bang’, zegt hij. ‘Honden kunnen gevaarlijker zijn. Een week geleden lieten een paar Inuit-eskimo’s bij het jagen hun honden los op een eiland waar ze geen mensen verwachten. Er was echter een vrouw met haar kinderen bessen aan het plukken. Ze zijn verscheurd door de honden.’

Ik wacht al lang en begin honger te krijgen. Ieder moment verwacht ik de rituele maaltijd, de mukushan, ter gelegenheid van de succesvolle jacht. Maar de mukushan blijft uit. Misschien is een vangst van veertien kariboe’s niet succesvol genoeg. Als het helemaal donker is, ga ik naar buiten om de wolven te horen huilen. Maar ik hoor alleen de kinderen, die perfect huilende wolven immiteren, nu zij vermoeden dat ik dat interessant vind. Ik moet om hen lachen en zij waarschijnlijk om mij.

‘Mensen omhelzen is erg nieuw voor ons’, vertelt George me de volgende ochtend. ‘Sommige Innu doen het sinds kort. Ze hebben dat afgekeken van de therapeuten, tijdens hun behandeling om van de alcoholverslaving af te komen.’ Vlak voor ik met het watervliegtuigje vanaf het meer zal opstijgen en hem op het strandje van Border Beacon zal zien wuiven naar de enige passagier, bedank ik George nogmaals voor zijn goede zorgen. Was dit die stugge man? Hij staat voor me als een kleine verlegen jongen en vraagt: ‘You give me a hug?’ Dat doe ik.



KADER 1: HET HEFT IN EIGEN HAND

Er leven zo’n 10.000 Innu’s in Canada, verdeeld over twaalf gemeenschappen. Tien daarvan bevinden zich in de frans-talige staat Quebec. Twee in de Engels-talige staat Newfoundland, te weten: Sheshatshiu (1000 personen) en Davis Inlet (500). De Innu-indianen leven niet in reservaten, omdat de overheid ten tijde van de instelling daarvan, dacht dat er in Labrador geen inheemse volken woonde. De Indianen die in een reservaat leven hoeven geen belasting te betalen, zo bepaalt de Indian Act. In de reservaatswinkel en op vertoon van hun reservaatpas ook in andere winkels, krijgen ze 15% korting. De Innu hebben nooit van deze en andere voordelen kunnen profiteren. Jaren lang hebben de Innu gepleit om ook onder de Indian Act te mogen vallen. Maar toen de overheid daar recentelijk eindelijk oren naar had, waren de meningen onder de Innu inmiddels verdeeld. Ze willen niet in een reservaat leven, waarin je gecontroleerd wordt door de regering. Om een reservaat liggen grenzen en de bevolkingsgroei onder Indianen is groot. Te veel mensen in de beperkte ruimte van het reservaat komt het leefklimaat niet ten goede. Maar Indianen die buiten de grenzen van het reservaat gaan wonen, verspelen hun ‘Indianen rechten’. Zo ook Indianen die met blanken huwen. De Innu’s willen echter wel als inheems volk erkend worden. Katie Rich, de president van de Innu Nation van Davis Inlet, een Innu-organisatie die zich inzet voor innu-belangen, onderhandeld met de overheid over ondermeer de landrechten. ‘De Innu’s willen geen compensatiegeld, zoals sommige andere inheemse volken hebben geaccepteerd: Geld verdwijnt, land blijft’, zegt zij. De Innu’s en hun cultuur zijn verbonden met dat land. De landrechten zijn ook van belang om zeggenschap te hebben over zaken die in hun gebied plaats vinden en dus ook direct invloed hebben op de levenskwaliteit van de Innu’s; de bouw van een dam voor een hydro-electriciteitscentrale, die invloed heeft op de visstand, de exploitatie van een nikkelmijn die onlangs werd gevonden, wat gevolgen voor het milieu kan inhouden, de laagvliegoefeningen van, onder meer Nederlands, F16’s boven de Innu jachtgebieden die het gedrag en de migratieroutes van het wild veranderen, om maar wat te noemen. Er zijn Innu die het benutten en verkopen van de eigen natuurlijke bronnen in het gebied als mogelijkheid zien om financieel onafhankelijk te worden. Verder pleiten de Innu’s voor volledig zelfbestuur. Sommigen zien het al helemaal voor zich: ze willen ze de vitale instellingen in hun samenleving gaan overnemen, zodat er een Innu-vriendelijk beleid gevoerd zal worden. De school moet Innu-leraren krijgen en de schooltijden moeten worden aangepast aan het jachtseizoen, zodat kinderen mee het land in kunnen, want ook dat is educatie. De enige winkel in Davis Inlet moet door een Innu gerund worden, zodat die kan inkopen wat Innu’s nodig hebben en lekker vinden. Ook in het gezondheidscentrum, bij de politie, de rechtelijke macht, en justitie moeten Innu’s gaan werken, om taalproblemen te voorkomen en discriminatie tegen te gaan.

KADER 2: NIET STRAFFEN, MAAR HELEN

‘Wij geloven niet in het straffen, maar in het helen van mensen’, zegt Apenam T. Pone, directeur van het ‘Uauitshitun’ (Innu helpen Innu) Centrum te Sheshatshiu. In de Canadese gevangenissen behoort het meerendeel van de gedetineerden tot de inheemse volken. Vaak zitten zij voor delicten die in beschonken toestand zijn begaan. ‘Wij geloven er niet in dat een blanke rechter van bovenaf bepaalt hoe slecht iemand is en dan een straf bedenkt die buiten de gemeenschap uitgezeten moet worden. Als je een Innu achter tralies zet, is zijn probleem -en daarmee het probleem van de gemeenschap- niet opgelost. Uiteindelijk zal hij in de gemeenschap terugkeren en dan moet de geschiedenis zich niet herhalen. Een probleem dat in een bepaalde leefgemeenschap ontstaat, moet ook daar opgelost worden, samen met de mensen die er leven, om samen verder te kunnen leven. Zo deden we dat vroeger ook. Via een ‘healing circle’ zoeken we naar een oplossing die zowel voor de dader, als voor het slachtoffer, als voor de samenleving helend werkt.’ Sindskort werkt justitie mee aan een experiment om de oude Indiaanse methode van de ‘healing circle’ te betrekken bij de rechtspraak. Een blanke Officier van Justitie, advocaat en rechter in vol ornaat, komen op een middag naar Sheshatshiu om met een groep Innu’s een helende cirkel te vormen. Andere aanwezigen zijn de dader, -deze middag een alcoholist die zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld en mishandeling van zijn vrouw- het slachtoffer, verschillende Innu-genodigden die de situatie van het stel kennen en een oude vrouw, als representatie van de wijsheid. Ze zitten in een kring, symbool van heelheid en verbondenheid, rondom drie zwarte berenpelzen. Na een kort gebed reinigen ze zich ombeurten met de rook van verbrande tabak, salie en sweetgras, die hen met een veer wordt toegewuifd, om zich van slechte gevoelens en boze gedachten te zuiveren. Ter herinnering hangt aan de muur een vel met de woorden: openheid, eerlijkheid, vriendelijkheid, respect, zorg en ondersteuning. Alleen onder die voorwaarden kan de healing circle werken. Er wordt een ronde gemaakt waarin iedereen, ook de dader en het slachtoffer, vertelt hoe zij de man, de vrouw en hun gezamelijke geschiedenis zien. Zo ontstaat een veelzijdig beeld. Niemand valt een ander in de reden of stelt vragen. Het systeem is dat je luistert, tot de ander uitgesproken is. In een tweede ronde geeft iedereen zijn visie op een goede oplossing. De rechter betrekt al die adviezen uiteindelijk in zijn vonnis, waardoor het bijna een gezamelijk besluit wordt, waar iedereen achter kan staan. Geen gevangenisstraf, wel een drank en geweld-verbod en twintig uur werken voor de gemeenschap. Tenslotte bedankt de dader alle aanwezigen voor het feit dat ze hun aandacht en wijsheid hebben willen aanwenden voor zijn zaak.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift