Internationale nutsbedrijven zoeken rustiger water

De Europese nutsbedrijven die de voorbije jaren een hoofdrol speelden in de privatisering van de drinkwaterdistributie in verscheidene ontwikkelingslanden, zijn nu begonnen aan een strijd om de Amerikaanse markt. Ze gaan ervan uit dat hun winsten daar veiliger zijn. In ontwikkelingslanden waar de zaken niet goed lopen, trekken de watertransnationals zich terug, waardoor de negatieve gevolgen van het soms keiharde privatiseringsproces nog toenemen. Dat blijkt uit een maandag verschenen rapport, het eerste deel van een omvangrijke studie van het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten (ICIJ).


De distributie van drinkwater is in veel landen nog een overheidsmonopolie, maar de Wereldbank en andere ontwikkelingsfinanciers proberen arme landen al jaren te overtuigen de sector te privatiseren om op die manier de dienstverlening te verbeteren en de staatsfinanciën te ontlasten. Vooral Europese bedrijven zijn in dat kunstmatige gat in de markt gesprongen: Suez, Vivendi Environnement en Saur uit Frankrijk, Thames Water dat in handen is van het Duitse RWE en het Britse United Utilities. Hun enige concurrent van formaat uit de VS is Bechtel.

Dat handvol watertransnationals is nu 56 landen actief; binnen afzienbare tijd kunnen ze er samen 3.000 miljard dollar verdienen, schat het onderzoeksteam van het ICIJ. Volgens het ICIJ, een onderdeel van de Amerikaanse ngo Centre for Public Integrity, leidt de privatisering van de waterdistributie in ontwikkelingslanden niet noodzakelijk tot een betere dienstverlening. In de landen waar de Europese bedrijven de zaak in handen hebben genomen, blijven miljoenen arme mensen verstoken van zuiver water, stelt het ICIJ. In Zuid-Afrika hebben de problemen die samengaan met de privatisering zelfs geleid tot de ergste cholera-epidemie ooit, stellen de auteurs van het rapport, dat de komende tien dagen in evenveel delen wordt vrijgegeven.

Het rapport is gebaseerd op een onderzoek van een jaar in Zuid-Afrika, Australia, Colombia, Azië, Europa, de VS en Canada. De transnationals ontpoppen zich als meedogenloze spelers die constant aandringen op hogere prijzen, vaak hun beloften niet nakomen en zich terugtrekken als hun investeringen niet genoeg opbrengen, luidt één van de conclusies. Dat laatste is vooral het geval in ontwikkelingslanden als Argentinië en de Filippijnen die te maken hebben met een aanhoudende economische crisis. De nutstransnationals lijken nu opeens veel liever in een meer stabiele omgeving te investeren. In de VS hebben ze onlangs de drie grootste private waterdistributiebedrijven opgekocht en proberen ze het congres ertoe aan te zetten wetten te stemmen die noodlijdende gemeenten aanzetten hun watermaatschappijen van de hand te doen in ruil voor federale financiële hulp.

Hier zijn ze zeker van een gestage stroom aan inkomsten - dat was het probleem in de ontwikkelingslanden, zegt Sara Grusky, een medewerkster van de ‘Water for All’-campagne van de Amerikaanse actiegroep Public Citizen. Volgens Grusky zijn de transnationals ook niet geneigd overal de enorme investeringen te dragen die in dergelijke arme landen nodig zijn.

Toch kunnen activiteiten in ontwikkelingslanden soms fraaie winsten opleveren, terwijl investeringen in de VS geen garantie op succes bieden. Een dochtermaatschappij van Suez verloor in januari een contract met de stad Atlanta nadat het project niet voldoende bleek op te leveren naar de zin van het stadsbestuur. Intussen zegt Vivendi Universal, de moedermaatschappij van Vivendi Environnment, dat het in 2002 meer dan 12 miljard dollar verdiende aan waterprojecten, zeven miljard meer dan in 1990. Vivendi Environnement is precies in de jaren 90 actief geworden in de landen van het Zuiden.

De auteurs van de studie geven toe dat de privatisering van de waterdistributie in veel ontwikkelingslanden tot een aanzienlijke verbetering van de infrastructuur en de dienstverlening heeft geleid. Maar vaak is dat nauwelijks de verdienste van de transnationals: die investeren zelf relatief weinig, maar profiteren van het geld dat de Wereldbank en andere internationale instellingen ter beschikking stellen. Tussen 1990 en 2002 leende de Wereldbank ontwikkelingslanden 20 miljard dollar uit voor de verbetering van de drinkwaterdistributie. Bij een derde van die projecten was de voorwaarde dat de distributie geprivatiseerd zou worden.

De privatisering van watermaatschappijen in arme landen gaat ook met veel ellende gepaard. In Zuid-Afrika werden gemeentelijke overheden gedwongen de kraan dicht te draaien bij slechte betalers onder de klanten van de gedeeltelijk geprivatiseerde waterdistributie. Sinds 1998 zijn op die manier 10 miljoen mensen voor korte of langere tijd van de drinkwatervoorziening afgesneden. Het gevolg daarvan waren cholera en andere epidemieën van maag- en darmziekten, stellen de ICIJ-onderzoekers. Bij de ergste epidemie tot hiertoe kwamen bijna 300 mensen om en raakten er 250.000 besmet.

Grote problemen dreigen ook in landen waar de watertransnationals hun investeringen alweer berouwen. In 2002 boekte Suez een verlies van een half miljard dollar met het project ‘Aguas Argentinas’ - een gevolg van de economische neergang van Argentinië. De Filippijnse dochtermaatschappij van Suez was eerder al uit een project in Manilla gestapt omdat de Aziatische muntontwaarding eind de jaren 90 alle winsten deed wegsmelten. Er gaan geruchten dat Suez van plan is één derde van zijn waterprojecten in ontwikkelingslanden af te stoten. Dat brengt dan weer de Wereldbank in moeilijkheden - die heeft bij al haar plannen voor de verbetering van de waterdistributie in ontwikkelingslanden altijd een grote rol toebedeeld aan de transnationale nutsbedrijven. Het valt te verwachten dat de bedrijven die rol alleen nog zullen willen spelen als ze meer garanties krijgen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift