Interview met Daniel Cohn-Bendit

Daniel Cohn-Bendit is gepassioneerd door Europa, al wordt hij niet echt warm van de neoliberale koers die de Europese Commissie uitzet. Gelukkig heeft de voormalige studentenleider van zijn revolutionaire jaren de capaciteit behouden om het onmogelijke te dromen. Dat Cohn-Bendit die verbeelding ook wil omzetten in wetten en decreten, heeft hij aangetoond in zijn politieke carrière. ‘1968 is voltooid verleden tijd. We moeten Europa voorbereiden op 2028.’

Het jaar 1968 is een thema dat Daniel Cohn-Bendit stilaan de keel uithangt, zeker nu de veertigste verjaardag van dat magische jaar voor dikke pakken nostagiebijlagen en heruitgaven zorgt. Dat hij toen een van de leiders van de Parijse revolte was, hoeft echt niet meer herhaald. Veel liever praat hij over Europa. Als kind van een joodse advocaat die in 1933 de benen moest nemen voor de extreem-rechtse machtsovername in Berlijn, weet hij maar al te goed dat de vrede na 1945 veel meer is dan het uitblijven van oorlog. Vrede is ook een kwestie van gevaarlijk nationalisme tegengaan en een duurzaam economisch alternatief uitbouwen, tenminste zo ziet hij de Europese Unie. En aangezien hij een geresepecteerd Europees Parlementslid is voor de Duitse Grünen, doet zijn mening er wel degelijk toe.

De droom die Cohn-Bendit anno 2008 in beweging houdt, is een Europese Unie die nauw aanleunt bij de begininspiratie van vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen een kleine groep landen een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op poten zetten. Die EGKS moest vrede funderen op wederzijdse economische afhankelijkheid. De Europese Unie van de toekomst, zei Cohn-Bendit onlangs op een colloquium georganiseerd door de Europese denktank Friends of Europe, wordt een Europese Gemeenschap voor Milieu en Energie. Toen de Europese Commissie eind januari de klimaatdoelstellingen voor de lidstaten bekendmaakte, herhaalde het groene Europarlementslid dat milieu en energie de centrale pijlers moeten zijn van een levensvatbare Europese constructie. Is dat een toegeving aan degenen die de EU liever niet zien als een politiek project, maar als een open markt met hoogstens technische regels?
Daniel Cohn-Bendit: Neen, want om zijn energie- en milieuproblemen te kunnen aanpakken, moet Europa zijn politieke capaciteit uitbouwen. Deze twee thema’s bewijzen dagelijks hoe noodzakelijk Europa is voor zijn burgers. Welke zijn dan de voornaamste uitdagingen waarop Europa moet antwoorden? We moeten op de eerste plaats de energieconsumptie terugdringen –en dat geldt zowel voor het verbruik door de industrie als door gezinnen. Daarnaast moet Europa veel meer inzetten op het ontwikkelen van hernieuwbare energie. Het aandeel daarvan moet snel uitstijgen boven de huidige ambitie van twintig procent. En Europa moet een energiebeleid krijgen dat ons minder afhankelijk maakt van deze of gene exportregio.

De EU mikt onder andere op biobrandstoffen om die doelstellingen te realiseren.
Daniel Cohn-Bendit: En dat is problematisch. Wij moeten een beleid uitzetten dat gericht is op het voeden van mensen, niet op het voeden van motoren. Er moeten andere manieren zijn om de noodzakelijke veertig procent hernieuwbare energie op korte termijn te bereiken. Het voornaamste probleem binnen Europa is het ontbreken van een uitgesproken politieke wil om een gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Dat is nochtans een voorwaarde om onze eigen keuzes in de rest van de wereld te verdedigen of op te leggen. Het wordt makkelijker met het nieuwe Verdrag van Lissabon: voor een heleboel zaken volstaat nu een meerderheidsbeslissing, unanimiteit is niet langer nodig voor elke kleine stap voorwaarts.

Als we onze energieconsumptie willen verkleinen, moeten we dan uitgaan van een economische nulgroei?
Daniel Cohn-Bendit: Neen, daar geloof ik niet in. Om tot veertig procent hernieuwbare energie te komen, heb je bijvoorbeeld een enorme groei in die sector nodig. We moeten wel discussiëren over de vraag wat er nog moet groeien in onze economie en wat er moet krimpen. We moeten alles zetten op kwalitatieve groei. De zakenwereld is daar nog niet klaar voor, maar men begrijpt intussen wel dat er een echt probleem is met het klimaat en dat er dringend wat aan gedaan moet worden. Als we nu niet handelen, krijgen we over een jaar of tien een economische crisis die uitgerekend de industrie zal treffen. Langzaamaan klimmen de captains of industry aan boord van het klimaatschip.
Het lijkt er steeds meer op dat klimaat het enige milieuprobleem is waarover we ons zorgen maken.
Daniel Cohn-Bendit: Het klimaat is zeker niet de enige milieuzorg. Je hebt de hele problematiek van de biodiversiteit, het formuleren van ecologische regels voor de globalisering, het ontwikkelen van een nieuw landbouwbeleid. Wat dat laatste betreft, moet de EU de exportsubsidies verminderen en een landbouw creëren binnen Europa die zichzelf kan voorzien en onderhouden. Tegelijk kan Europa andere regio’s helpen en steunen om tot zo’n duurzame landbouw voor eigen voorziening te komen. Ik ben dus niet tegen steun aan de landbouw, als die steun niet op export gericht is maar op rurale ontwikkeling.
Sommige mensen vinden zelfs die landbouwsteun fout, aangezien ze voorkomt dat boeren uit het Zuiden eerlijk kunnen concurreren op de Europese markt.
Daniel Cohn-Bendit: De oplossing ligt niet in het organiseren van voedselafhankelijkheid in Europa door steeds meer voedsel te importeren. Subsidies moeten ook niet zozeer gaan naar kwantiteit van voedselproductie, maar veeleer naar kwaliteit. Met name naar een duurzame bio- of bijna biolandbouw in Europa.
Hoe verzoenbaar zijn uw doelstellingen van duurzaamheid met de Lissabon-strategie en haar nadruk op competitiveit?
Daniel Cohn-Bendit: We moeten beginnen met het herdefiniëren van wat competitief is. Ik geloof dat de niet-duurzame landbouw ervoor zorgt dat onze hele regio niet-competitief aan het worden is. Wie de Lissabon-strategie versmalt, reduceert zijn eigen competitiviteit. De economische toekomststrategie voor Europa moet gebouwd zijn op twee pijlers: ze moet mensen toelaten waardige dagelijkse levens te leiden en zichzelf te ontwikkelen, én ze moet ons in staat stellen een nieuwe relatie te ontwikkelen met de wereld buiten de EU.
Voorlopig lijkt de neoliberale invulling van competitiviteit onbedreigd in regeringskringen. Waarom hebben die ideeën zoveel invloed in zowat alle regeringen van de Unie, of ze nu sociaaldemocratisch, conservatief of christendemocratisch zijn?
Daniel Cohn-Bendit: Omdat je niet om de realiteit heen kan dat de wereld ook een wereldmarkt is, en dat je op die markt terecht moet komen als je economisch wilt bestaan. Een economie die de blik alleen maar naar binnen richt, is waardeloos. Je moet je producten aanbieden en verkopen. Dat spreekt toch voor zich.

Europese producenten moeten dus concurreren tegen Chinese arbeidsvoorwaarden?
Daniel Cohn-Bendit: Neenee. Dat is bullshit. Europese en Chinese arbeidsstandaarden komen elkaar nauwelijks tegen. Europa en China produceren compleet verschillende producten. Kijk naar Duitsland. De Duitse economie is de grootste exporteur ter wereld. Duitse werknemers hebben toch geen Chinese of Indiase arbeidsvoorwaarden, wel? De uitdaging voor Europa is niet om zijn arbeidsvoorwaarden aan te passen aan de Chinese concurrentie, maar wel om producten op de markt te brengen die de Chinezen niet kunnen produceren. Dat is de echte uitdaging. De andere weg is gewoon onhaalbaar. Zelfs al realiseer je hier een loonvermindering van tien procent, dan kom je nog niet in de buurt van de Chinezen. Het is een vals debat. Onze kennis en onze onderwijssystemen, dat zijn terreinen waarop we echt competitief kunnen zijn, in plaats van op het vlak van de lonen. De mensen moeten namelijk ook kunnen consumeren, we hebben ook een interne markt nodig.
Hoe lang kan Europa nog vooruit blijven lopen tegenover China en India op het gebied van kennis en hightech?
Daniel Cohn-Bendit: Het hangt ervan af naar welk land je kijkt als je het over China hebt: de pieken van rijkdom en technologie in de steden, of de miljoenen en miljoenen armen en analfabeten. Als je naar die laatste groep kijkt, lopen we nog steeds honderd jaar voorop. Ik vrees de Aziaten dus niet.
Is de opkomst van de Aziatische landen ook een politieke opportuniteit voor de westerse landen, om de multipolaire wereld te creëren waarvan de EU al zo lang droomt?
Daniel Cohn-Bendit: Ja, maar het hangt ervan af hoe we zullen omgaan met China. Multipolaire machtsverhoudingen zullen maar ontstaan als Europa ook bereid is China te confronteren met bepaalde wantoestanden. Het zou goed zijn om China als één van de vele machtspolen van de toekomst te krijgen, maar alleen als we spreken over een democratisch China. De vraag is: hoe geraken we daar? De wereld kan geen sociale en economische mondialisering verdragen als de mondialisering niet rechtvaardig is. Met andere woorden: de Chinese burgers moeten het recht hebben om te strijden voor een betere verdeling van de economische groei. In een normale democratische omgeving zouden vakbonden een deel van de gigantische groei opeisen voor de werknemers. Op dit moment is nog niet eens een begin gemaakt aan die noodzakelijke herverdeling in China. Wij mogen dat niet zomaar aanvaarden. Idem dito voor Rusland. Natuurlijk moeten we met Moskou onderhandelen over olie en gas, maar dat neemt niet weg dat Europa principeel moet blijven als oppositiebijeenkomsten verboden worden of demonstranten gearresteerd worden. Wij kunnen en mogen dat niet aanvaarden. Bovendien zijn er nog altijd een boel mensen in Rusland en zelfs een aantal mensen binnen het systeem die iets anders willen dan het uitgesproken autoritaire systeem dat zich nu ontwikkelt. De EU zou zwaarder moeten wegen op dit vlak, maar ze is er gewoon niet op voorbereid.
Er wordt weer volop gepraat over 1968. Leeft de geest van dat revolutionaire jaar nog door in 2008?
Daniel Cohn-Bendit: 1968 is voorbij. Gedaan. We hebben toen de samenleving veranderd. Mensen zijn vandaag veel autonomer dan voor ‘68. Maar we leden tegelijk een politieke nederlaag. Zelfs de stakende arbeiders stemden tegen de communisten. En op economisch vlak droeg de revolte ertoe bij dat het kapitalisme zich ging moderniseren. Dat is de “erfenis” van ’68. Ze is wat ze is. En het is aan de mensen van vandaag om ze te interpreteren en te waarderen.
Bent u het eens met mensen die zeggen dat de antiglobaliseringsbeweging van de jaren 2000 de nieuwe belichaming is of was van de spirit of ‘68?
Daniel Cohn-Bendit: Voor een deel wel, voor een ander deel niet. Wat ik zeker herken, is de zoektocht naar een sociaal en ecologisch duurzaam model voor de samenleving. En als je daaraan wil werken, moet je beginnen op het niveau van de EU. Maar ik blijf erbij, al die debatten over 1968 zijn belachelijk, want geschiedenis. Als we het vandaag over de thema’s van toen willen hebben, moeten we het debat plaatsen in nieuwe contexten, met andere mensen, andere belangen.
Het is dus niet zo dat er niet meer over emancipatie gesproken moet worden?
Daniel Cohn-Bendit: Natuurlijk moeten we het over emancipatie hebben, maar dan over de vraag hoe dat moet in Rwanda of in België anno 2008. Emancipatie vandaag kan niet gewoon een soort “verworvenheid” zijn van veertig jaar geleden, want je zit in alle Europese landen met een volkomen nieuwe bevolkingsconstellatie. Dat betekent niet dat je een stap terugzet op de evolutie die in ‘68 in gang gezet werd –je kan nooit terug. Maar het leven is een perpetuum mobile, iets dat voortdurend in beweging is. Je kan voor de geschiedenis het beeld gebruiken dat zo vaak voor de EU gebruikt wordt: ze is zo wankel als een fiets, dus zodra je stopt met trappen en vooruitgaan, val je om.
Is dat een reëel gevaar voor de EU vandaag?
Daniel Cohn-Bendit: De vaart gaat eruit en we dreigen wel degelijk te vallen, ja. Het Europese verhaal moet dus opnieuw verteld en geargumenteerd worden. We hebben een nieuw enthousiasme nodig. Niet alle 27 lidstaten zullen die herlancering met dezelfde snelheid of overtuiging doen, maar we moeten er sowieso aan beginnen.
Hoe zorg je voor sociale cohesie in samenlevingen die nieuw samengesteld zijn en waarin burgers meer autonomie verworven hebben?
Daniel Cohn-Bendit: Sociale cohesie is niet iets dat je met een eenvoudige truc tevoorschijn kan toveren.  Je moet in elk geval uit gaan van een grote diversiteit aan belangen, waarbij zowel nieuwe rijken als oude armen, migranten en autochtonen, iedereen betrokken moet worden en zich betrokken moet voelen. De eerste behoefte is een algemene sociale bescherming en daarbinnen moet er verduidelijkt worden waarin de gemeenschappelijke belangen zitten. In elk geval hebben mensen aan de onderkant of de buitenkant van de samenleving behoefte aan een duidelijk perspectief van groeiende kansen en insluiting, anders zullen zij eerder opteren voor afscheiding dan voor cohesie.
Hebben we ook behoefte aan gemeenschappelijke waarden?
Daniel Cohn-Bendit: Wie sociale cohesie nastreeft, weet dat je niet zonder gedeelde waarden kan –al ben je zelfs met zo’n gedeelde waarden nog niet zeker dat er sociale cohesie ontstaat. Waar vind je die gedeelde waarden? In het debat erover. Je kan ze niet zomaar uit de lucht of uit het verleden plukken. En als je ze uitgekristalliseerd krijgt, moet je ze ook vormgeven binnen regels en instituties. Debatten over nationale normen en waarden, zoals in Nederland, zijn tot mislukken gedoemd want dat is iets van het verleden, het is een voorbijgestreefd idee. In de multiculturele samenlevingen van vandaag hebben nationale waarden geen zin.
Ook al hebben we nog altijd natiestaten.
Daniel Cohn-Bendit: Maar binnen die natiestaten zien de burgers in toenemende mate dat kernproblemen zoals globalisering, migratie of klimaatverandering niet op nationaal niveau aangepakt kunnen worden. Een mondiale aanpak zal op termijn om universele waarden vragen, maar ik stel voor dat we intussen alvast beginnen met het ontwikkelen van multilaterale instituties.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur