Intussen in Iran

Iran krijgt de woede van de westerse landen over zich heen omdat het weigert zijn nucleaire onderzoeksprogramma stil te leggen. De VS verwijten Iran dat het de sektarische conflicten in buurland Irak aanwakkert -alsof ze die niet zelf veroorzaakt hebben. Eind maart zorgde de Iraanse marine voor verdere polarisering door vijftien Britse militairen op te pakken. En alsof dat nog niet volstaat, doet president Ahmadinejad geregeld een schokkende uitspraak over Israël of de holocaust. Farouz Farzami bericht over de impact die al de internationale spanningen hebben op de straten van Teheran.
Iran is niet weg te branden van de voorpagina’s van internationale kwaliteitskranten en uit de hoofdpunten van de nieuwszenders. De Veiligheidsraad buigt zich nu eens over het atoomprogramma, dan weer over de Britse soldaten. In Teheran staat echter maar één hoofdpunt op het programma: Nieuwjaar.
Op 21 maart vieren de Perzen, de Koerden en de andere volkeren in Iran al eeuwenlang Nowruz. De begoede klasse duikt in een allesverslindende geschenkenjacht in de winkelcentra van noord Teheran, de arme meerderheid van de stad hoopt op koopjes op de markten in het zuiden.

In het noorden kan je dezelfde westerse luxemerken vinden als in Brussel of Parijs -tegen bijna dezelfde prijzen. In het zuiden schieten de bazaars uit de grond in parken en op straathoeken, en als de zon ondergaat, verdwijnen ze weer. Teheran is een grootstad met twaalf miljoen inwoners en een ontstellend diepe kloof tussen arm en rijk. De overheid probeert die realiteit te ontkennen door te verwijzen naar een recent IMF-rapport dat gunstige cijfers toonde voor de evolutie van de ongelijkheid in Iran.
De inwoners van de rijke wijken in het noorden kijken liever naar de bergen achter hen dan naar de zee van armen voor hen. Maar de inwoners van de stoffige wijken in het zuiden zien zelf in welk land ze leven.

Storm op komst


De regering hanteert een officieel inflatiecijfer van zestien procent. De miljoenen werklozen hebben geen doctoraat economie nodig om te becijferen dat ze hun levensduurte veel sneller zien stijgen en de meeste werknemers stellen hetzelfde vast. Ook de zowat 3,2 miljoen Iraniërs in overheidsdienst -het vierdubbele van in de periode voor de Islamitische Revolutie- kunnen het nauwelijks of niet redden met hun salaris.

Mohammad, een beenhouwer in mijn buurt, bevestigt: ‘Het voorbije half jaar is de groothandelsprijs van rood vlees, kip, vis en sommige koeken met twintig procent gestegen. En voor juni is ons een rantsoenering van de benzine en een fikse prijsstijging aan de pomp beloofd. God weet wat daarvan de impact zal zijn.’ Ahmad Hasan, een zestigjarige taxichauffeur, kent het antwoord op die retorische vraag: ‘Als de benzineprijzen verdubbelen, worden ook alle goederen die getransporteerd worden duurder. Dat leidt onvermijdelijk tot rellen.’

Aziz Daryani, een drieënveertigjarige supermarkteigenaar, breidt het lijstje prijsstijgingen verder uit: ‘De prijzen voor eieren, groente, olie en afwasproducten zijn met dertig procent gestegen. En de klanten verwachten een echt galopperende inflatie na Nowruz, als de gevolgen van de internationale sancties tegen Iran echt voelbaar worden aan de kassa.’
Iraniërs zijn geboren handelaars. Ze kijken naar de geopolitieke strubbelingen dan ook eerder vanuit een commercieel dan een politiek perspectief.
Zegt Hasan, die in de buurt van het Stadstheater in de textielwinkel van zijn vriend zit: ‘Ik begrijp maar niet waarom de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en hun bondgenoten toestaan dat de Chinezen onze consumentenmarkt innemen en de Russen de wapenmarkt domineren. Iran is een markt van pakweg zeventig miljoen consumenten, dat laat je toch niet zomaar links liggen?

Een vaste betrekking


Een van de weinige strategieën die de armen nog hebben om aan hun lot te ontsnappen, is te proberen op een goed blaadje te komen bij de steeds zwellende overheid. Al ongeveer 10 miljoen mensen -grotendeels mannen, een kleine minderheid vrouwen- zijn lid van de Basij-militie, de paramilitaire arm van de theocratische staat. Zij zijn altijd paraat om ingezet te worden tegen betogingen, rellen en andere burgerlijke wanordelijkheden. Daarnaast zijn 1,5 miljoen mensen tewerkgesteld in het leger of als Revolutionaire Wacht.
‘Het voordeel aan het lidmaatschap van een militie is dat je makkelijker toegelaten wordt tot een universiteit, sneller een baan bij de overheid krijgt -met een hoger salaris bovendien- en vooral dat je in contact komt met mensen binnen de machtshiërarchie. Dat zijn geen kleine voordelen in een land met 4,5 miljoen officiële werklozen en meer dan 12 miljoen mensen die minstens ondertewerkgesteld zijn.
Er zijn dus veel goede redenen om een Basij te worden’, zegt Reza Ahmadi, een landbouwkundig ingenieur die zijn baan in een serrebedrijf louter te danken heeft aan zijn jaren aan het front in de achtjarige oorlog met Irak. ‘Tijdens de beginjaren van de revolutie werden de Basij ingezet om het land te verdedigen,’ zegt Reza nog, ‘vandaag zijn ze een instrument in de handen van de macht om protesten en dissidenten te onderdrukken.’

Toch is een overheidsbaan geen waterdichte garantie tegen armoede. Wie in Teheran een taxi neemt, bijvoorbeeld, heeft veel kans dat hij rondgereden wordt door een gepensioneerde kolonel of een bijklussende onderofficier. Het helse verkeer van Teheran is trouwens voor meer mensen een bron van inkomsten. Fiets- en motorkoeriers worden ingezet om de eeuwigdurende files te kloppen. Al leidt dat met name bij de motorrijders tot bijzonder roekeloos gedrag, waardoor men het in de volksmond niet heeft over koeriers, maar over orgaandonors.

Vluchten als verzet


Wie het maatschappelijke leven in Teheran lang genoeg volgt, kent ze wel bijna allemaal, de toegewijde politieke activisten, feministen en vakbondsmensen. De ene dag ontmoet je ze bij een sit-in om opslag voor leerkrachten te eisen, de andere dag spreken ze je aan met de ‘miljoen handtekeningenpetitie’ om de wettelijke discriminatie van vrouwen aan te klagen. Ik schat dat ze met zo’n drieduizend zijn, de mannen en vrouwen die hun leven geven om dit land ten gronde te veranderen.
Ze beseffen zeer goed dat hun zelfgekozen opdracht een langetermijnproject is, waarbij ze moeten opboksen tegen een breed uitgewaaierd repressie-apparaat en tegen een veralgemeende angst voor radicale verandering -een angst die ontstaan is door de revolutie die nu al 28 jaar het normale leven verstoort.

Iran is een land van schrijvers en dichters en dus zoekt het maatschappelijk ongenoegen zijn weg in literaire vormen. Alle populaire schrijvers organiseren privéschrijfcursussen, en die lopen meteen vol. Behnam Nateghi, een 22-jarige amateur-schrijver: ‘Ik kan zo tien workshops in Teheran opnoemen waar jongen mensen samenkomen om het werk van Faulkner, Hemingway , Pamuk, Eco, Celine en hedendaagse en klassieke Iraanse schrijvers lezen en analyseren. Het is voor deze jongeren -grotendeels meisjes- een manier om met hun eigen gevoelens om te gaan.
Mojdeh Moradi windt er geen doekjes om: ‘Ik lees literatuur om te ontsnappen aan de bittere realiteit.’ In alle tijdschriften vind je advertenties voor schrijfcursussen en zelfs in de islamitische verkondigingscentra, die verbonden zijn met de overheid, zitten de schrijverscursussen afgeladen vol.

Yuric heeft zo zijn vragen bij het escapisme dat de literatuur overrompeld heeft. Hij schrijft kortverhalen en illustreert boeken. Zijn boeken halen een oplage van 1500 exemplaren, terwijl sportmagazines of roddelblaadjes in honderdduizenden exemplaren over de toonbank gaan. ‘Mensen lezen alleen de dingen waarbij ze zich op slag goed kunnen voelen’, zegt hij.

De overheid neemt echter geen risico’s en maakt op ruime schaal gebruik van censuur. Kortverhalen, romans, maatschappelijke boeken: ze moeten allemaal de onverbiddelijke schaar van de censuur passeren. Gek genoeg zijn er geen duidelijke regels en sta je soms versteld van de zaken die toch gedrukt kunnen worden.
Maar internet is vandaag populairder -want vrijer- dan de gedrukte informatie. In 2005 waren er zeven miljoen internetgebruikers in Iran -een verzevenvoudiging op vijf jaar tijd. Farsi is nu een van de meest gebruikte talen op het web. Iran is extreem aanwezig in de blogosfeer en met naar schatting 75.000 Iraanse bloggers heeft de autoritaire overheid er een flinke taak bij gekregen. Bloggers vormen een polyfoon alternatief voor de staatsmedia. Het kat-en-muisspel tussen bloggers, officiële censuur en telecommunicatiediensten is nog maar pas begonnen, maar onder president Ahmadinejad lijkt de overheid die uitdaging schrikwekkend ernstig te nemen.

Ban de bom


Alle Iraniërs, jong en oud, arm en rijk, zijn trots op de nucleaire technologie die hun natie ontwikkelt en beheerst. Dat is de indruk die je krijgt als je naar de Iraanse staatstelevisie kijkt -en er zijn geen privé-omroepen in het land. De straat geeft een heel andere indruk. Als mensen zich al bezighouden met de nucleaire thematiek, dan is dat minder omdat ze vinden dat die technologie ons “onvervreemdbare recht” is, maar eerder omdat de vrees groeit voor een aanval door Amerikaanse of Israëlische bommenwerpers.
Op een universiteitscampus verwoordde een zekere Zaibadi het als volgt: ‘Wat betekent het om te zeggen dat het Iraanse volk recht heeft op nucleaire technologie, als we er niet eens een open debat over kunnen houden?’
Onder hun schuilnaam durven veel bloggers wel degelijk van mening verschillen met de regering. Wat in de officiële media niet gebeurt -een onderscheid maken tussen nucleaire technologie om elektriciteit op te wekken of de verrijking van uranium op een niveau dat het materiaal geschikt zou maken voor wapengebruik- gebeurt wel in de weblogs.
De argumenten contra het atoomprogramma variëren van ‘het is een verspilling van tijd en middelen’ over ‘het hele zaakje heeft een negatieve milieu-impact’ tot ‘de politiek misbruikt de hele zaak om haar falen in sociale en economische zaken te verbergen’. Het eerste argument wordt openlijk naar voor geschoven door dr. Ahmad Shirzad op zijn site www.shirzad.ir. Hij pleit ervoor de hele atoomwinkel te sluiten, aangezien Iran zich de investering van nu al veertig tot vijftig miljard dollar niet kan permitteren.
Shirzad is niet de eerste de beste. Hij is fysicus en vertegenwoordigde Isfahan in het zesde Parlement. Het laatste argument sluit nauw aan bij het standpunt dat wordt ingenomen door Nobelprijswinnares Shirin Ebadi, die het godgeklaagd vindt dat het hele debat over atoomenergie ervoor zorgt dat niemand nog praat over de schendingen van de mensenrechten die plaatsvinden in Iran.
De zestigjarige Albert Greogrian, een Armeense winkelier, is het eens met mevrouw Ebadi: ‘Wat mij vooral zorgen baart,’ voegt hij eraan toe, ‘is het feit dat onze Armeense gemeenschap steeds kleiner wordt, onder andere door de aanhoudende emigratie van onze kinderen naar de VS.’

Reza Hussaini, een veertigjarige goudsmid in het centrum van Teheran, heeft ook al geen hoge pet op van de pogingen van het regime om van het nucleaire verhaal een nationalistische zaak te maken: ‘De autoriteiten organiseren een bijeenkomst van schoolkinderen die schreeuwen dat atoomenergie hun legitieme recht is. Wat weten of begrijpen die kinderen ervan?’
De dertigjarige Hasan Ja’fari, een onderwijzer, springt hem meteen bij en zegt dat het échte onvervreemdbare recht van het Iraanse volk degelijk onderwijs is: ‘Dat is veel kostbaarder dan atoomenergie, maar er wordt veel minder aandacht aan gegeven door het beleid.’

Religieuze nieuwlichterij


Niet alleen de media zorgen voor de overheidspropaganda. Ook de predikanten hameren nu al maanden op twee thema’s tijdens het vrijdaggebed: ‘Dood aan de Israëli’s, de Amerikanen en -soms- de Britten’, en ‘Atoomenergie is ons onvervreemdbaar recht’. Het vrijdaggebed wordt in Iran gecoördineerd vanuit een nationaal hoofdkwartier dat in totaal 18.000 werknemers telt.
Elke dinsdag faxt het hoofdkwartier de hoofdpunten van de vrijdagpreek door naar alle uithoeken en moskeeën van het land. De punten die Teheran op de agenda zet, gaan vaak over de gebeurtenissen in Irak, Jeruzalem, Gaza of andere actualiteiten die de Amerikanen en westerse maatschappijen in een kwaad daglicht stellen.
De gecentraliseerde aanpak, maar eigenlijk het hele vrijdaggebed, is een controversiële vernieuwing die de Islamitische Revolutie sinds de jaren tachtig invoerde. Zo fundamenteel het vrijdaggebed is in de soennitische tradities, zo gecontesteerd was het in sjiitisch iran. Veel sjiitische geestelijken vonden immers dat het gemeenschapsgebed pas opnieuw georganiseerd kon worden zodra de Mahdi, “verborgen twaalfde imam”, zou terugkeren onder zijn volgelingen.

Oude verschillen tussen soennieten en sjiieten zijn door de oorlog in Irak opgerakeld, opgelaaid en dodelijk geworden. De sektarische oorlog die in Irak woedt tussen soennieten en sjiieten sijpelt stilaan binnen in het zuiden en het oosten van Iran. De Arabieren uit de moerassen in het zuiden en de Baluchi’s in de provincie Sistan-va-Baluchistan zijn vervreemd van de regering in Teheran en hun teleurstelling slaat stilaan om in verbittering.
Dat is een perfecte omgeving voor de propagandisten van de wahabitische en salafistische interpretaties van de soennietische islam om aanhangers te winnen in die regio’s. Meer en meer horen we van gewelddadige confrontaties tussen het leger en allerhande gewapende opstandelingengroepen. De overheid slaat terug met harde hand en organiseert onder andere publieke terechtstellingen van “separatisten” en “terroristen”. Dat intimideert de dissidenten en jaagt mensenrechtenactivisten de kast op -van waar ze alleen maar machteloos kunnen toezien.

Soennitische militanten onder leiding van de Baluchi krijgsheer Abudlmalak Rigy zijn geen doetjes. Ze kidnappen, moorden en verwonden grenswachten en politieagenten in Koerdistan en Baluchistan. In het openbaar laat de overheid zich echter niet uitdagen. Dat was in elk geval de indruk die je kreeg toen de Opperste Religieuze Leider, ayatollah Ali Khamenei, zijn nieuwjaarstoespraak besloot met een oproep tot ‘onderlinge eenheid onder verschillende naties en solidariteit tussen de soennitische en de sjiietische scholen van de islam.’

In troebel water


Van verzoenende taal was enkele dagen later, op vrijdag 23 maart, niet veel te merken. De Iraanse marine nam die dag vijftien Britse militairen gevangen. Omdat ze zich in Iraanse territoriale wateren bevonden, zegt Teheran. Niet waar, reageert Londen, ze waren in Iraakse nationale wateren en daar deden ze gewoon een routinecontrole. Voorlopig gaat het allemaal een beetje aan de gewone Teherani’s voorbij. Zij genieten van hun lange nieuwjaarsvakantie tot 3 april.
Siavash, een veertigjarige boekverkoper langs Enghelab Avenue -De Revolutielaan-, bekijkt het nogal stoïcijns: ‘Na 28 jaar revolutie hebben we het allemaal al wel gezien: korte crisissen, lange crisissen, grensconflicten, propagandaoorlogen, schermutselingen met de Britten. Ik ben er van overtuigd dat ook aan dit verhaal een onderhandeld einde zal komen.’

Op vrijdag 30 maart focussen Britse en Iraanse media voor de volle honderd procent op de crisis. De inwoners van Teheran, intussen, lijken vastgekleefd aan elk vindbaar en functioneel tv-scherm. Op die schermen kijken ze niet naar politieke boodschappen en nog minder naar religieuze oproepen, ze zijn gebiologeerd door de voetbalmatch tussen Persepolis en Esteglal -een match die al veertig jaar betekent dat half Iran een dagje vrij neemt.

Ook president Ahmadinejad is vandaag niet zijn gewone zelf. Hij kwam te laat op het vrijdaggebed en schoof gewoon aan in het midden van de gemeenschap, in plaats van zijn gewone plek vooraan in te nemen. Zijn enige boodschap voor iedereen die wou weten wat er verder met de Britse gevangenen ging gebeuren, was: ‘Heb geduld.’ De vraag is hoe lang hij dat ongestraft kan blijven herhalen.   

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3174   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift