Investeer in mensen in plaats van in beeldschermen

Hoe zal onze informatiesamenleving er morgen uitzien? Dat is de centrale vraag op de Wereldtop voor de Informatiemaatschappij(WSIS), die van 10 tot 12 december plaatsvindt in Genève. Politici, bedrijfsleiders, vertegenwoordigers van de VN en van de ngo’s willen er zich beraden over concrete doelen en plannen voor de informatietechnologie.
In een ijltempo transformeert de industriële maatschappij van de twintigste eeuw zich tot de informatiemaatschappij van de eenentwintigste eeuw. Voor ontwikkelingslanden zouden de snelle evoluties in de informatie- en communicatietechnologie kunnen betekenen dat ze dankzij internet, computers en mobiele telefonie aan leapfrogging kunnen doen: een aantal fasen in hun ontwikkelingsproces overslaan en met grote sprongen vooruitgaan. Dat is niet alleen het credo van de hele informatica-industrie, ook politici willen zich met dergelijke uitspraken graag een toekomstgericht imago aanmeten. Vraag is echter hoe realistische zo’n Grote Sprong Voorwaarts wel is en wat daar dan de voorwaarden toe zijn.

Kikkersprong


‘Informatie- en communicatietechnologieën kunnen de ontwikkeling van het Zuiden wel degelijk vooruithelpen’, zegt Gert Nulens, onderzoeker bij het SMIT (Studies on Media Information and Telecommunication, een centrum van de Vrije Universiteit Brussel), ‘mits er rekening gehouden wordt met bepaalde randvoorwaarden.’ Wat is immers het nut van computers en internet wanneer de bevolking ongeletterd is, wanneer de inhoud van de websites niet voldoet aan lokale noden of wanneer de elektriciteit voortdurend uitvalt?
Nulens: ‘Boerencoöperaties die via tussenhandelaars werken, kunnen door het internet te raadplegen de juiste prijzen voor hun producten te weten komen. Maar als er geen wegen worden aangelegd om de producten te leveren, brengt dat niks op.’ Politieke instabiliteit en armoede in ontwikkelingslanden zorgen bovendien vaak voor overlevingsstrategieën op korte termijn, en daarbij zijn het informatie- en communicatiebeleid zelden een prioriteit. Gert Nulens: ‘In sommige landen heeft het leapfrogging-proces puur technisch gezien wel plaatsgevonden. Bangladesh is bijvoorbeeld het eerste land met meer mobiele telefoons dan aansluitingen op vaste lijnen. Maar zo lang het sociale en politieke model hetzelfde blijft, kan je moeilijk stellen dat de ontwikkeling van dat land met grote sprongen is vooruitgegaan.’
Hamelink, hoogleraar internationale communicatie aan de Universiteit van Amsterdam, en speciaal adviseur van de VN voor de World Summit on the Information Society deelt de mening van Nulens: ‘De werkelijke kloof is de ontwikkelingskloof, en de digitale kloof is daar slechts een onderdeel van. De ontwikkelingskloof wordt steeds groter en de bereidheid om het Zuiden te helpen neemt af. Er moet in de eerste plaats geïnvesteerd worden in mensen en in onderwijs, in plaats van in apparaten.’ Hamelink wijt de overtrokken aandacht voor informatie- en communicatietechnologieën aan het feit dat het Westen nieuwe markten zoekt voor de geavanceerde producten, maar benadrukt ook de verantwoordelijkheid van de machthebbers in het Zuiden. ‘Er is niet enkel een kloof tussen samenlevingen, maar ook binnen samenlevingen. De grote steden in ontwikkelingslanden worden nu wel aangesloten op het mondiale netwerk, maar de meerderheid van de wereldbevolking leeft nog op het platteland.’

Allemaal in Genève


Niet enkel financiële beperkingen of infrastructurele problemen houden dat platteland tegen om ‘op het net’ te geraken. Onder druk van onder andere de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wordt de telecommunicatie in het Zuiden hoe langer hoe meer geprivatiseerd. Het gevolg daarvan is dat afgelegen gebieden, met minder inwoners en meer armen, en dus met dramatisch minder koopkracht, ook digitaal geïsoleerd blijven. In het Westen werden telefoonlijnen door overheden aangelegd en het proces van privatisering van telecommunicatiebedrijven kwam pas op gang nadat de hele infrastructuur up and running was. ‘Bij ons speelden de PTT’s de rol van Robin Hood’, zegt Cees Hamelink. ‘Met het systeem van kruissubsidiëring gebruikten ze de winsten om de toegang voor de armen in minder rendabele gebieden te verzekeren. Vandaag bekijken de overheden telefonie niet langer als een maatschappelijke dienst maar als een commerciële activiteit, waardoor er andere prioriteiten ontstaan.’ Het huis van de communicatie is de jongste jaren veel groter en diverser geworden, maar er moet een hoger entreegeld betaald worden. En wie dat niet kan opbrengen, blijft aan de deur.
Cees Hamelink pleit voor een politiek-economische analyse die de ontwikkelingskloof eens structureel onder de loep neemt. ‘Het streven om alle wereldburgers toegang te geven tot informatie en kennis via technologie en technische infrastructuur botst met de tendens om diezelfde kennis en informatie steeds meer te privatiseren, bijvoorbeeld door intellectuele eigendomsrechten. In Genève verzamelen regeringsleiders en officiële delegaties uit de vier windstreken zich op de Wereldtop voor de Informatiemaatschappij, met als streefdoel het toegankelijk maken van informatie.
Op datzelfde moment worden aan de andere kant van diezelfde stad, in de kantoren van de WTO, verdragen voorbereid om de toegang tot informatie af te schermen en voor te behouden voor wie nu al de economische macht bezit. De hele discussie over het overbruggen van de digitale kloof heeft geen zin als de regeringen van deze wereld er niet in slagen fundamentele veranderingen aan te brengen in de huidige TRIPs-akkoorden binnen de WTO, die leden ertoe verplichten patentrechten te verlenen aan uitvinders of ontdekkers van een nieuwe technologie. Want zo blijven arme landen gebonden aan de marktoverheersing door grote multinationale concerns.’

Geen nieuwe beloften, aub


In de aanloop naar de WSIS worden intussen wel mooie beloftes gemaakt. In de ontwerpverklaring staat bijvoorbeeld de belofte om een digitaal solidariteitsfonds op te richten tegen 2015. Dat werd voordien ook al tegen 2005 en 2010 beloofd. Uiteindelijk zijn overheden nooit bereid gebleken er voldoende geld in te steken.
Cees Hamelink: ‘De digitale kloof is ondanks alle beloften tot nu toe nog niet noemenswaardig verkleind. In sommige ontwikkelingslanden werden er hier en daar cybercafés opgericht in de grote steden, en bepaalde universiteiten kregen internetaansluitingen. Maar in afgelegen gebieden is er geen vooruitgang. Op dit moment is acht procent van de wereldbevolking aangesloten op het internet. Binnenkort zou dat tien procent worden, maar zelfs dat vind ik buitengewoon weinig. Zeker als je weet dat tachtig procent van die aansluitingen zich in de Verenigde Staten en Europa bevinden.’
Hamelink rekende uit hoeveel het zou kosten om iedereen toegang te geven tot het internet. ‘Met “toegang tot” bedoel ik dat er voor iedereen op maximum twee uur loopafstand een internetverbinding zou zijn en dat alle scholen aangesloten zouden worden. Het zou jaarlijks 80 miljard euro kosten om zoiets binnen tien jaar te bereiken. Die grote inspanning is niet onmogelijk. Een deel van het geld dat nu naar bewapening gaat, zou hiervoor gebruikt kunnen worden, maar zoiets voorstellen getuigt niet van realisme. Het zou beter zijn eerst alles wat de voorbije jaren al beloofd werd in daden om te zetten, in plaats van alweer nieuwe beloftes aan te kondigen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur