‘Investeren in grondbezit en werkgelegenheid’

Het enthousiasme over de economische groeikansen van de Filipijnen is niet algemeen. De bereidheid om de handen uit de mouwen steken wel. De uitdagingen voor een ondernemend land in twee portretten.

  • Veejay Villafranca Antonio "Tony" Badong. Veejay Villafranca
  • MO*/Gie Goris Reese Fernandez-Ruiz. MO*/Gie Goris

‘Filipijnse economie groeide in 2012 met 6,6 procent.’ Het nieuws leidde begin februari tot enthousiaste voorspellingen over de toekomst van de Filipijnen als de nieuwe Aziatische tijger, die eindelijk aansluiting zou vinden bij de succesrijkere buurlanden als Thailand, Indonesië, Maleisië en Vietnam. Maar niet iedereen liep zo hard van stapel en verschillende commentatoren wezen erop dat sterke groei weinig betekent in een land met een zo uitgesproken ongelijkheid. President Benigno Aquino III erkent het probleem. ‘De kloof tussen rijk en arm, tussen de machtigen en de machtelozen, is te groot geworden. Er zijn te veel mensen die niet mee kunnen komen’, zei hij op 31 januari tijdens een toespraak in Manilla. Een kwart van de bevolking leeft onder de absolute armoedegrens, 79 procent van de Filipino’s behoort tot de lage-inkomenscategorie en maar 5 procent tot de bovenklasse. Ongeveer 66 procent van de 95 miljoen Filipino’s woont in steden en de bevolkingsaangroei in het land bedraagt meer dan het dubbele van het regionale gemiddelde. Samen betekent dat, volgens de Wereldbank, dat er tussen nu en 2016 minstens veertien miljoen banen moeten bijkomen om het werkloosheidsprobleem aan te pakken.

Volgens de krant Business World steunt de economische groei vooral op de steevast stijgende sommen geld die de ongeveer tien miljoen Filipijnse migrantenwerkers naar huis sturen. Volgens de jongste cijfers groeiden die stortingen in 2012 met 6 procent (tot 14,8 miljard euro over de eerste elf maanden van het jaar).

‘Als een overheid wil dat haar interventie in de economie betekenisvol en duurzaam is, dan moet ze zich richten op de twee dingen waarvan de armen afhankelijk zijn: grond en werk’, zegt Joel Rocamora, hoofd van de National Anti-Poverty Commission binnen de Filipijnse regering. ‘Dertig procent van de Filipino’s en zeventig procent van de armen wonen op het platteland. De landhervorming die in 1986 aangevat werd, is over zo’n lange tijd gespreid dat de maatschappelijke winst voor een groot deel verdwenen is.’

Volgens Rocamora moet het economisch beleid van de regering zich minder richten op de export en meer op binnenlandse investeringen, betere lonen en ondersteuning van de landbouw. ‘Het toerisme en het outsourcen van diensten doen het wel goed, maar blijven afhankelijk van de buitenlandse vraag.’ Lees het volledige interview met Joel Rocamora.

Tony — een boer met eigen grond investeert

Tony stuurt zijn bestelwagen zo behendig mogelijk over het zijweggetje dat tussen de rijstvelden slingert. De wagen stuitert over de gaten in de weg, terwijl de chauffeur van grote afstand zijn mahoniebomen aanwijst. Antonio “Tony” Badong plantte zijn bomen twintig jaar geleden, het duurt dus nog zeker tien jaar eer hij zijn kleine plantage kan “oogsten”, maar dan rekent hij wel op een mooie opbrengst. Intussen plantte hij tussen en rond de mahoniebomen ook mangobomen, cacaostruiken en zwartepeperstruiken. Langetermijninvesteringen zijn immers wel verstandig, maar intussen moet een mens ook eten en leven, en moeten de kinderen naar school.

Joshua en Jennifer, respectievelijk 13 en 21 jaar, wonen niet op de boerderij. Zij verblijven, samen met hun moeder, in een flatje in Naga City, de administratieve hoofdstad van de provincie Camarines Sur. Joshua gaat daar naar de middelbare school, Jennifer maakt er haar opleiding tot leerkracht af. Tony hoopt zijn zoon er later van te overtuigen de boerderij over te nemen. Maar voorlopig moet de jongen zich nog concentreren op zijn leerstof en examens. Tony heeft zelf ook gestudeerd, industriële technologie, maar moest die studie na een jaar voortgezet onderwijs stopzetten. Hij was daarna vijftien jaar aan de slag als verkoper, maar intussen was hij ook lid van de coöperatie van boeren en landarbeiders die door de landhervormingsautoriteiten erkend werd als rechtmatige ontvanger van het landgoed Pecuaria.

De vroegere eigenaar van Pecuaria, don Sibero Duazon, deed vrijwillig afstand van zijn haciënda met haar 817 hectare vruchtbare landbouwgrond, die voor een deel gebruikt werd als suikerrietplantage. Dat wil zeggen: mijnheer Duazon kreeg van de Filipijnse Landbank een eerlijke vergoeding voor zijn grootgrondbezit, waarmee hij onder andere een fastfoodketen opzette, terwijl de boeren die compensatie terugbetalen aan de bank over een periode van dertig jaar. De 426 leden van de Pecuaria Development Cooperative Inc. (PDCI) kregen daardoor de kans om aan een heel nieuw leven, en vooral ook een toekomst voor hun kinderen, te werken.

Tony kreeg, net als de andere leden van de coöperatie, een stuk landbouwgrond van 1,7 hectare toegewezen via een loterijsysteem. Het lot was hem die dag niet echt gunstig gezind, want “zijn” grond lag net te hoog om er geïrrigeerde rijst op te gaan telen. Vandaar de mahonie, de mango’s, de zwarte peper. Sinds enkele jaren waagt hij zich ook aan de contractkweek van kippen. Het huis waar hij me op een zachte avond in februari mee naartoe neemt, is een grote bamboeschuur waar zijn 9000 kweekkuikens twintig uur per dag gevoed en verzorgd worden. Vooraan werden een slaaphutje en een kleine keukentje ingebouwd.

Het gesprek bij het avondeten en de oploskoffie daarna bestaat uit evenveel stiltes als woorden. Een boer denkt en doet, maar houdt zelden redevoeringen. Dat geldt zelfs voor een ondernemende boer als Tony, die behalve in zijn gemengd bedrijf ook tijd investeert in de coöperatie. Hij is ondervoorzitter van de PDCI en die taak neemt hij heel ernstig. Hij wéét immers hoe bijzonder het is dat hij en zijn collega’s nu eigenaar zijn van hun grond en zelf kunnen beslissen wat ze verbouwen en waarin ze investeren.

PDCI is een van de weinige producenten van gecertificeerde biologische rijst in de Filipijnen, zegt Tony trots. ‘Bio kost minder aan input, en al helemaal omdat we zelf een groot deel van de benodigde organische meststoffen produceren sinds we met enkele boeren ook grote kippenstallen hebben geïnstalleerd.’ De kuikens, die tot één uur ’s nachts onder de neonlampen rond gele voeder- en drinkbakken scharrelen, leveren niet alleen een beetje snelle winst op – een kweekcyclus duurt maar 33 dagen –, ze zorgen vooral voor indrukwekkende hoeveelheden mest, die gemengd wordt met rijstvliezen en suikerrietafval. ‘De verkoopprijs van biorijst is ook iets hoger’, voegt Tony eraan toe. En aangezien de arbeidstijd nauwelijks in rekening gebracht wordt, eindigt de optelling van voor- en nadelen duidelijk in het voordeel van de bioproductie. Bovendien zijn de leden van de Pecuaria-coöperatie er stellig van overtuigd dat allerlei kankers en vervuiling voorkomen kunnen worden door pesticiden en chemische meststoffen te mijden. Toch kan er niet van de ene dag op de andere naar biologische rijst worden overgeschakeld: 160 hectare is momenteel gecertificeerd bio-areaal, 600 hectare is in conversie.

De grote droom van de Pecuaria-rijstboeren is dat hun rode, zwarte en bruine biorijst op de Europese markt terechtkomt.

De grote droom van de Pecuaria-rijstboeren is dat hun rode, zwarte en bruine biorijst op de Europese markt terechtkomt. Op dit moment geldt er echter grotendeels een exportverbod op rijst, omdat de Filipijnen er alles aan willen doen zelfvoorzienend te worden. Enkele jaren geleden was het land nog een van de grootste rijstimporteurs ter wereld, in 2013 hoopt de overheid een evenwicht tussen interne productie en consumptie te bereiken. Als het aan Tony ligt, moet de coöperatie zich echter niet alleen toeleggen op voedselproductie. ‘Deze regio is door de overheid uitgekozen voor een proefproject met agrotoerisme’, zegt hij. ‘Voor stadskinderen kan deze uitgestrekte en diverse landbouwcoöperatie een fantastische leerervaring zijn. En volwassen toeristen kunnen wandeltochten of paardenritten combineren met enkele uren meewerken op het rijstveld of in de bosbouw.’

Buiten is intussen een volkomen landelijke rust ingetreden. De krekels, het verre geblaf, de ritselende bladeren en de miljoenen sterren aan de hemel: het is er allemaal. Het bed dat Tony en Maria Josefina voor mij hebben klaargelegd op een verhoogje in de kippenstal, biedt iets minder exotische uitzichten en geuren. Het leven op het platteland is hard labeur, ondanks de postkaartpotentie van de omgeving.

Reese — fashionistas en slum mama’s

Je weet dat je in de moderepubliek gearriveerd bent, als het niet duidelijk is of het een jongen of een meisje is die binnenkomt om de nieuwe handtas met ooh’s en aah’s te laten ontvangen. Waarna de jonge fashionistas opgewonden beginnen te discussiëren over kleurentinten, afwerking en de verhouding tussen lengte en hoogte. De eerste verdieping van het kantoorgebouw van Rags to Riches wordt duidelijk bevolkt door het tweede deel uit de naam van de onderneming. De lompen verwijzen naar het basismateriaal waarvan de modeaccessoires gemaakt worden. Vandaag is dat textielafval dat in grote rollen aangekocht wordt van de fabrieken die er niets meer mee aanvangen, maar oorspronkelijk waren het vodden die gerecupereerd werden uit een gigantische afvalberg in de wijk Payatas van Quezon City, de grootste gemeente van Metro Manilla.

Het stinkende, giftige stort van Payatas is zo’n veertig voetbalvelden groot, en er leeft ongeveer een half miljoen mensen op en rond het vuilnis. Toen Reese Fernandez-Ruiz – mode-ontwerpster van opleiding – en enkele andere geëngageerde studenten Payatas leerden kennen, stelden ze vast dat een aantal jonge moeders aan een inkomen probeerde te komen door deurmatten te weven van de vodden die afvaljutters op de vuilnisberg verzamelden. ‘Dat bracht na een dag hard werken uiteindelijk nog geen kwartje op, want de tussenhandelaars gingen met alle winst strijken’, zegt Reese.

Om daar wat aan te doen, wilden de jonge activisten mooiere matten laten produceren om hogere prijzen te kunnen vragen, en die producten zelf gaan verkopen. ‘De grootste drempel tussen dat plan en de realisatie ervan was het gebrek aan vertrouwen. De vrouwen van Payatas hadden immers al zo vaak goedbedoelende organisaties of activisten zien komen en gaan, dat ze erg terughoudend reageerden. We begonnen uiteindelijk met een beginkapitaal van 150 euro en drie vrouwen die besloten het er met ons op te wagen. Enkele weken later waren dat er al dertig. En toen we begonnen te verkopen op kerkelijke bazaars en in chique hotels, stuurden we de eerste drie medewerksters als verkoopsters. Zij belichaamden tenslotte het verhaal achter het product.’

Fast forward naar 2013. Rags to Riches is geen initiatief meer, maar een bedrijf met dertien vaste medewerkers op het kantoor en vier ontwerpers, onder wie de Filipijnse topdesigner Rajo Laurel, die auteursrechten krijgen op hun ontwerpen. Het was de geslaagde samenwerking met de grote namen uit de modewereld die R2R optilde van goedbedoeld handwerk tot gewaardeerd modemerk. ‘Je kan er goed uitzien en je daar tegelijk goed bij voelen’, vat Reese de bedrijfsfilosofie samen.

In vijf jaar kregen 800 vrouwen een opleiding en op dit moment zijn er tientallen actief verbonden met R2R. De productietijd voor het maken van kleine en grote tassen, matten en andere accessoires werd getimed, zodat een objectief systeem voor vergoedingen uitgedokterd kon worden. Het is moeilijk om te antwoorden op de vraag hoeveel de vrouwen uit Payatas die voor R2R werken vandaag verdienen, zegt Reese. Dat hangt af van het aantal uren dat ze kunnen werken, van de kwaliteit die ze aankunnen, van het product waaraan ze werken. Maar als ze dan toch een gemiddelde moet geven, dan schat ze dat op 7,5 tot 9 euro voor een volle werkdag. Dat komt ongeveer overeen met het officieel opgelegde minimumloon voor formele arbeid in de hoofdstedelijke regio (456 peso of 8,5 euro per dag). Daarbovenop biedt R2R ook opleiding en een ziekteverzekering. Het secretariaat heeft ook wekelijks contact met de gemeenschappen waarin de productie plaatsvindt, om te weten welke behoeften er zijn.

‘Ik zou nog steeds lopen jutten, als ik niet had kunnen werken voor Rags to Riches’, zegt Nhing Estabillo, die me het atelier en de opslagruimte op de benedenverdieping toont. Ze woont nog steeds in Payatas, maar ze heeft geen moeite meer om het schoolgeld voor de kinderen te betalen of om elke dag driemaal daags rijst op de tafel te zetten. R2R had oorspronkelijk de bedoeling het kunnen van Filipijnse ambachtslui te tonen en te versterken, hen direct toegang tot de markt te verschaffen en hen daardoor uit de armoede te halen. Dat is voor honderden vrouwen gelukt, bevestigt Nhing. En Reese voegt er nog aan toe dat zij, als “sociale ondernemer”, niet alleen het verschil maakt in lonen en arbeidsvoorwaarden, maar vooral door de gemeenschappen niet op te geven, ook niet als het even moeilijk gaat op de markt.

‘Internationale solidariteit is geen vrijblijvende nevenactiviteit’

Piet Vanthemsche (voorzitter van de Belgische Boerenbond) en Karel Van Eetvelt (gedelegeerd bestuurder van Unizo) leerden de Filipijnen kennen tijdens een reis die georganiseerd werd door Trias, de ngo die vooral mikt op het versterken van organisaties van boeren en kleine ondernemers. Onder andere de Pecuaria Development Cooperative Inc. (PDCI) is een partnerorganisatie van Trias. Op het einde van hun reis langs Manilla, Camarines Sur en Antique vroeg MO* hen wat ze in de Filipijnen geleerd hadden.

Karel Van Eetvelt: ‘We hebben mensen ontmoet die door het werk van de organisaties waarmee we werken echt uit de armoede geraakt zijn. Dat is geen maatschappelijke omwenteling, maar voor elk gezin waarvoor dat geldt, ben ik blij. Het bestrijden van armoede en de ongelijkheid tussen mensen is een echte must als we stabiele en prettige samenlevingen willen. Wie niet terecht wil komen in een wereld waarin meer geld aan beveiliging besteed wordt dan aan onderwijs, moet mee zorgen voor een minder ongelijke wereld.’

Piet Vanthemsche: ‘Dat onze inzet voor internationale solidariteit geen vrijblijvende nevenactiviteit mag zijn. Zelfs als we in Europa in een crisis zitten, moeten we internationaal blijven handelen en werken. Natuurlijk is niet iedereen in Vlaanderen daarvan overtuigd, maar door de inzet van topmensen uit grote middenveldorganisaties kunnen we misschien toch een verschil maken. We moeten tonen wat we doen en wat we kunnen betekenen door onze schouders onder ledenbewegingen en lokale economische ontwikkeling te zetten. En vanuit de Boerenbond kunnen we die strategie versterken door het internationale netwerk van boerenorganisaties in te zetten.

Lees ‘De stem van de mensen moet harder klinken’, het hele gesprek met Vanthemsche en Van Eetvelt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur