Irak, tien jaar na de Amerikaanse invasie

Tussen puin en hoop

In maart 2013 is het tien jaar geleden dat de VS en Groot-Brittannië Irak binnenvielen. Niet alleen hun claim dat Irak massavernietigingswapens had viel een jaar later als een kaartenhuisje in elkaar. Tien jaar aanwezigheid van Amerikaanse troepen liet weinig heel van een reeds fragiele Iraakse staat. Tien cijfers die een beeld geven van het Irak van vandaag.

  • CC US Army/Staff Sgt. Samuel Bendet Een Iraaks meisje kijkt uit het gebroken raam van een klaslokaal in Nawaful, Irak. CC US Army/Staff Sgt. Samuel Bendet

13.000

Het minimum aantal personeelsleden van de nieuwe Amerikaanse ambassade in Bagdad, die in 2009 de oude verving. Volgens het laatste kwartaalrapport van SIGIR (de Speciale Inspecteur-Generaal voor de reconstructie van Irak) telt de ambassade momenteel tussen de 13.000 en 14.000 personeelsleden. Daarvan moeten, aldus de nieuwe VS-ambassadeur in Bagdad, Robert Beecroft, 2000 werknemers nog voor het einde van dit jaar afvloeien.

‘We komen van een bezetting van 16.000 maar dan nog blijft het een enorme buitenlandse missie. Een jaar geleden ging het nog om 2000 Amerikaanse diplomaten, 3500 Amerikaanse contractuelen in diverse sectoren en 5000 tot 7000 internationale huursoldaten die de Amerikaanse missie moeten beschermen’, zegt Nicolas Davies, die met Blood on our hands een boek schreef over de Amerikaanse invasie en bezetting van Irak. ‘Ter vergelijking: de Amerikaanse ambassade in Ankara heeft minder dan tien diplomaten en een totale personeelsbezetting van vijfenvijftig mensen.’

De bouwkosten van de exorbitante ambassade in het centrum van Bagdad, ook wel het monster van Bagdad genoemd, bedroegen 550 miljoen euro. De vesting, op een terrein van 42 hectaren, was niet alleen de duurste ambassade maar is ook tien keer groter dan ‘s werelds tweede grootste ambassade, de Amerikaanse ambassade in Peking. Volgens Davies draagt deze ambassade perfect het huismerk van de Obama-administratie: de “civilian surge” of het vervangen van de militaire bezetting door een burgerlijke en diplomatieke aanwezigheid. ‘Men wilde een zeer stevige civiele poot neerplanten in Irak, met als doel de Iraakse regering, door de VS mee in het zadel geholpen, mee te sturen. Alleen heeft de regering-Maliki zich onafhankelijker opgesteld dan de Amerikanen voor ogen hadden’, aldus Davies. ‘Voor de Amerikanen is hun ambassade in Bagdad dus veeleer een mislukte poging: men is er niet in geslaagd een sowieso mislukte invasie nog te redden. En voor de Irakezen is de mastodont een doorn in het oog. Ze weten dat het gebouw niet ontworpen was als een diplomatieke missie in een soeverein land maar als een quasi-koloniaal hoofdkwartier.’

221

Het rangnummer van Irak in de index Levenskwaliteit 2012 door Mercer Firm. Het onderzoeksbureau voert elk jaar in opdracht van multi- en internationale bedrijven een onderzoek naar de leefbaarheid van steden wereldwijd. Daarbij meten de onderzoekers het sociale, veiligheids- en stabiliteitsniveau. Bagdad staat op de laatste plaats. De onderzoekers maakten ook een aparte index betreffende de nutsvoorzieningen –elektriciteit, water, transport, telefoon. In die index staat Bagdad slechts één plaats hoger dan de hekkensluiter, de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince.

‘Veiligheid is een dagelijkse zorg in het leven van de Irakezen die in Bagdad wonen’, zegt de Iraakse Faris Nadhmi, doctor in de sociale psychologie aan de Universiteit van Bagdad. Publieke ruimte is een eng begrip geworden in Bagdad en er zijn strenge sociale codes aan verbonden.

‘Vrouwen moeten de hijab dragen. Het is normaal geworden voor de inwoners van Bagdad om ontmoetingsplaatsen zoals restaurants en cafés te ontwijken. Het uitzicht van de stad wordt nu bepaald door vuilnishopen, verlaten en verkoolde gebouwen, stoepen die kapotgereden werden door Amerikaanse militaire voertuigen, checkpoints, muren en blokkades die de stad fragmenteren, uitgesproken religieuze symbolen.’

De Iraaks-Belgische theatermaker Mokhallad Rasem (Toneelhuis), die in 2012 terugkeerde naar zijn stad, noemt Bagdad letterlijk een doolhof. ‘De logica is weg. Om een brood te halen, moet je een hindernissenparcours overwinnen. En het is angst die het ritme van de stad bepaalt: de aanslag maakt geen afspraak.’ Het ritme van Bagdad loopt ook samen met etenstijden, het vermijden van de bijna dagelijkse confrontatie met de dood ergens in een wijk en met het absurde wachten tot de elektriciteit terugkomt, voegt Nadhmi toe. Maar er is ook hoop. Volgens de onderzoeker geloven de Irakezen intuïtief in de tijdelijkheid van alles. ‘Ze geloven dat ook de verlammende politiek-islamitische beweging de drang naar moderniteit niet zal overwinnen.’ Mokhallad Rasem wijst op het symbolische en helende belang van de beroemde al-Motanabi-straat in het historische stadscentrum. ‘Die straat met haar vele boekenwinkeltjes is een plek waar kunst en letteren de angst overwinnen. Ze heeft –nog meer dan vroeger– heel veel waarde. Ze is het symbool van het vrije Bagdad, waar mannen en vrouwen, soennieten en sjiieten elkaar opzoeken.’

13.7.2003

De dag waarop de voorlopige Iraakse Regeringsraad benoemd is door de Amerikanen onder Paul Bremer, hoofd van de Voorlopige Autoriteit onder de Coalitie (CPA). De Regeringsraad zou Irak onder Bremers vleugels mee besturen. Voor Faris Nadhmi en vele anderen werden die dag de etnische en religieuze breuklijnen door het land getrokken. ‘Bremer benoemde de raadsleden volgens ras, religie en sekte, in plaats van een doordachte keuze te maken aan de hand van rationele politieke, culturele en burgerlijke bewegingen’, zegt Nadhmi. ‘Na de val van het Ba’athregime in april 2003, stond een veelbelovende civiele beweging op die geloofde in het herstel van vrijheid, gerechtigheid en burgerlijke rechten. Maar in plaats van in dialoog te gaan met deze progressieve stemmen, moedigden de Amerikanen leiders van religieuze groepen en sektarische partijen aan om een invloedrijke positie in te nemen. Dit was voor mij het echte begin van de politieke islam in het Midden-Oosten.’

Religieuze leiders wonnen al aan belang tijdens de periode van het internationale embargo dat, van 1990 tot 2003, de Irakoorlog voorafging, zeggen velen. En het seculiere Ba’athregime sloot eerder, tijdens de oorlog met Iran (1980-1988), al pacten met religieuze groepen om invloeden van buitenaf te weren, zegt de 62-jarige Iraakse schrijfster en activiste Haifa Zangana vanuit Londen. ‘Dat werd tijdens de bezetting enorm uitvergroot omdat de Amerikaanse troepen ook aanhechting zochten bij lokale leiders. Bescherming in ruil voor wapens, zeg maar. Niet alle stammen gingen daarin zomaar mee, maar het had wel machtsverschuivingen tot gevolg. En dus ja, de religieuze leiders, sjiitisch en soennitisch, zijn vandaag, in de chaos die Irak is, invloedrijk. Het sjiitische regime steunt op dit moment erg op de klerikale autoriteit in Najaf (een heilige stad voor sjiieten over de hele wereld, td). Die invloed is ook een gevolg van de zwakte van links in Irak. Bovendien zijn we in Irak nooit ernstig omgegaan met de betekenis, de inbedding van religieuze gevoelens en identiteiten in onze samenleving. Dat komt nu terug in ons gezicht.’

4

Het beruchte Artikel 4 van de Iraakse anti-terrorismewet staat centraal in de nieuwe politieke crisis tussen de –sjiitische– premier Nouri al-Maliki en zijn –soennitische– tegenstanders. Het werd in 2005 goedgekeurd door de Iraakse Nationale Vergadering. Op basis van de arbitraire en vage omschrijving van terroristische daden in Artikel 4 kan je veroordeeld worden tot de doodstraf. De voorbije jaren werd het veelvuldig gebruikt door het Iraakse gerechtelijk apparaat. Het staat fel ter discussie omdat het gebruikt zou worden om Maliki’s opposanten uit te schakelen.

In de demonstraties van de laatste maanden wordt geijverd voor de afschaffing of hervorming van de anti-terrorismewetgeving en voor meer transparantie in het gerechtelijk apparaat. Internationale mensenrechtenorganisaties en de VN noemen het artikel strijdig met de internationale rechtsregels omdat de vage omschrijving te veel ruimte laat voor interpretatie en dus misbruik. Volgens Haifa Zangana zitten heel wat van de 38.000 Iraakse gevangenen (bron Unami, toestand 31.12.2011) vast op basis van Artikel 4. ‘Deze wet geeft een vrijgeleide aan de Iraakse veiligheidsdiensten om iedereen vast te zetten zonder arrestatiebevel. Dat betekent dat je kan worden gearresteerd op basis van een leeg papiertje, zonder recht op informatie of een advocaat. Dat is heel arbitrair. Vaak zitten mensen vast zonder dat ze weten waarvoor of op basis van welke informatie. Bovendien is er ook een ernstig probleem met de ongebreidelde macht van geheime informanten, die immuun zijn voor vervolging en betaald worden per hoofd waarover ze informatie geven. Hoe meer mensen je laat arresteren, hoe meer centen je binnenrijft. Dat is zeer pervers.’ Artikel 4 leidde ook tot reële executies, die in 2012 fors zijn gestegen. Van januari tot oktober 2012 voerde Irak 119 doodstraffen uit, tegenover 68 in het jaar daarvoor.

169

De plaats van Irak in de mondiale corruptie-index van 176 landen door Transparency International. Het verklaart volgens velen waarom de snelst groeiende economie die Irak volgens de Wereldbank momenteel is, zo weinig investeert in zijn infrastructuur. Nicolas Davies: ‘Na de totale destructie van de economie tijdens het dertienjarige embargo en de daaropvolgende bezetting, zou je maar hopen dat Irak opnieuw op een normaler niveau komt.’

De zeer flou gedocumenteerde kapitaalvlucht uit Irak legt het land droog, schrijft de Speciale Inspecteur-Generaal voor de reconstructie van Irak (SIGIR) in zijn rapport. Volgens SIGIR wordt wekelijks, onder de vleugels van de Centrale Bank van Irak, 593 miljoen euro witgewassen via transfers naar het buitenland. De anti-corruptie-instituten in Irak zijn erg zwak, en onderhevig aan druk van buitenaf. Nog volgens SIGIR nam het vorige hoofd van de Commissie van Integriteit ontslag en vluchtte naar de VS. Een van zijn voorgangers getuigde dat hij zelf beschuldigd werd van corruptie omdat hij informatie doorgaf aan de financierende Amerikaanse instellingen.

In zijn boek Blood on our Hands schrijft Davies dat een groot deel van het budget dat het Amerikaans Congres vrijmaakte voor heropbouw van Irak, nooit werd besteed. ‘KPMG-auditeurs, gestuurd door de VN om het verdwenen geld te traceren, kregen van de Amerikanen geen toegang. Samen met een Amerikaanse speciale inspecteur-generaal ontdekten ze dat 6,6 miljard euro verdwenen was.’

472

Er blijft grote onduidelijkheid over het aantal burgerdoden dat de Amerikaanse invasie en post-invasie met zich meebrachten, variërend naargelang de bron van 120.000 tot het tienvoud. Meer duidelijkheid bestaat over het aantal vermoorde Iraakse academici. De activistische denktank Brussels Tribunal lijstte de namen op en kwam in september 2012 tot 472 doden. In het boek Cultural Cleansing beschrijven de auteurs hoe de Amerikaanse invasie tot doel had de Iraakse staat te ontmantelen en om te vormen tot een “client regime”. Met de Amerikaanse invasie werd het eeuwenoude culturele erfgoed van Irak vernietigd. Musea en bibliotheken werden vernield en de intellectuele elite van Irak systematisch gearresteerd, vermoord of gedwongen het land te verlaten.

Een aantal oorlogen, dertien jaar embargo, een agressieve Amerikaanse invasie en tien jaar bezetting later is Irak anno 2013 een puinhoop.
‘Geen van de moordenaars werd gevat en we staan geen stap dichter bij een gedetailleerd begrijpen van dit verschrikkelijke fenomeen’, schrijft coauteur Dirk Adriaensens. ‘Er zijn veel geruchten over de betrokkenheid van de Amerikanen en de Israëli’s maar dat blijft onbewezen’, zegt Saad Jawad, een prominente politieke socioloog die in Londen woont. ‘Zeker is dat Al Qaeda en andere terreurorganisaties werden ingeschakeld, al dan niet rechtstreeks. Later zetten ook de politieke partijen in op de anti-elite-campagne, omdat ze in die groep een seculiere tegenwerking zagen die hun belangen niet diende. Tot op vandaag gaat de afslachting van intellectuelen verder. Midden januari werd nog het hoofd van een Iraakse universiteit vermoord.’

‘De geweldcampagne tegen het Iraakse intellect neemt nog andere vormen aan’, zegt Faris Nadhmi. ‘De universiteitsbibliotheken zijn in veel gevallen gesloten, religieuze groepen hebben een greep tot op het besluitvormend niveau in de universiteiten, professoren worden bedreigd en tot zwijgen, isolement en migratie gedwongen.’

Maar waar Saad Jawad weinig hoop heeft en Irak vandaag nog hersendood noemt, is Nadhmi optimistischer. ‘Veel intellectuelen steunen, vanuit hun nieuwe thuislanden of vanuit de veilige Koerdische regio, zeer actief de Iraakse vooruitgang. En er is zeker nog een elite in Bagdad die wel ijvert voor burgerlijke vrijheden en sociale gelijkheid. Een linkse of seculiere elite ontbreekt maar er zijn wel degelijk individuen die zich verzetten tegen de politieke islamisering en tegen het lamleggen van cultuur en ons collectieve geheugen.’

2,2

biljoen euro schat de Amerikaanse economist Joseph Stiglitz de totaalkost van de Irakoperatie, en de impact ervan op andere buitenlandse militaire operaties zoals die in Afghanistan. Volgens de onderzoeksdiensten van het Amerikaans Congres kwam het naakte prijskaartje van Operation Iraq Freedom neer op een 603 miljard euro. Een enorme onderschatting volgens velen, die geen rekening houdt met bijkomende langetermijnkosten.

Nicolas Davies berekende dat de VS in 2012, op basis van cijfergegevens van USAID, 137 miljoen euro doorstortten voor de wederopbouw van Irak. ‘Dat kan je nauwelijks een serieuze verbintenis noemen om de gedane schade te herstellen. Elk ernstig debat over compensatie voor Irak wordt gegijzeld door de misplaatste mythe dat de invasie en de bezetting een daad van verlossing voor de Irakezen waren in plaats van een agressieve oorlog tegen diezelfde Irakezen.’

De Irakoorlog wordt door het gros van de Amerikanen als een mislukte oorlog gezien. Niet alleen is Irak een vernielde staat met een regering die de Amerikaanse bemoeienissen beu is, ook economisch vingen de VS bot. ‘Irak had massa’s onontgonnen olievelden, met een beperkte productie die jarenlang door sancties aan banden was gelegd. Alleen, het door Amerika gelobbyde wetsvoorstel voor de privatisering van de Iraakse olie, waarbij buitenlandse bedrijven twintig procent van de olie-inkomsten zouden opstrijken, heeft het niet gehaald. Er zijn vandaag weinig Amerikaanse spelers op de Iraakse markt, Irak is niet geneigd om in zee te gaan met zijn voormalige bezetter. Slechts zes procent van de Iraakse import komt uit de VS. We halen wel 25 procent van de Iraakse olie binnen en de VS blijven de grootste wapenleverancier van Irak, al lopen een aantal contracten tussen beide stilaan af.’ Andere leveranciers azen intussen op de Iraakse markt, die zich heeft opgewerkt tot een belangrijke wapenconsument op wereldniveau, en tot de vierde grootste speler in het Midden-Oosten. In oktober 2012 raakte bekend dat Bagdad met Rusland in zee wou gaan voor militaire aankopen ter waarde van 3,2 miljard euro.

63

euro bedraagt de maandelijkse weduwe-uitkering in Irak volgens schrijfster-activiste Haifa Zangana. Volgens schattingen van het Internationale Rode Kruis telt Irak meer dan een miljoen weduwen, de VN spreken over drie miljoen.

‘Dat betekent dat heel wat vrouwen hun huishouden, met een gemiddelde gezinsgrootte van 6,4 personen, alleen moeten runnen. Per kind krijgt een weduwe er wel 9,5 euro bovenop maar zo’n kind moet ook eten en leven. Een kilo vlees kost 12 euro, de gemiddelde huurprijs in Irak is 160 euro en door het tekort aan elektriciteit vallen mensen terug op generatoren op de private markt, wat handenvol geld kost. Ook proper water en de gezondheidszorg zijn duur. In het onderwijs tekent zich een privatiseringsgolf af, waardoor de kost voor onderwijs ook stijgt. Veertig procent van de kinderen stroomt niet door naar het secundair onderwijs, en heel wat van die kinderen komen terecht in de straatverkoop.’ Tel daarbij de hoge werkloosheid van 11 procent en het armoedecijfer van 23 procent, en je kan niet anders dan de conclusie van Zangana delen: ‘Een aantal oorlogen, dertien jaar embargo, een agressieve Amerikaanse invasie en tien jaar bezetting later is Irak anno 2013 een puinhoop. En wat doet de overheid? Die steekt het geld in eigen zakken.’

De hervorming van het voedselrantsoen, een erfenis van de jaren tachtig, verder uitgebreid tijdens het embargo tegen Irak tussen 1990 en 2003, lokte eind vorig jaar stevige protesten uit. In de plaats van voedingsproducten zouden zes miljoen families nu 15.000 dinar of 9,5 euro krijgen. ‘Dat was een maatregel om de corruptie tegen te gaan in de distributie van bloem, rijst, suiker, olie en babymelk. Maar het protest van de mensen bereikte de parlementsleden, omdat men vreesde dat die uitbetaling geen rekening zou houden met stijgende voedselprijzen’, zegt Mokhallad Rasem.

Volgens Saad Jawad kende Irak nooit zo’n vernietigende corruptie als vandaag. ‘Tijdens het Saddam-regime en tijdens het embargo was het leven enorm hard, met een grote kindersterfte als gevolg. Toen het Olie-voor-voedselprogramma startte (dat in 2004 in een schandaal eindigde, td) moesten alle Irakezen het samen doen met zes miljard dollar (4,5 miljard euro, td). Saddam vulde dat aan met geld uit de regionale oliesmokkel. Er was ook corruptie, zeker, maar niet zo vertakt, en er was tenminste meer gelijkheid. Het jaarbudget van Irak is nu meer dan 18 miljard dollar (13,5 miljard euro). Maar van herverdeling is geen sprake. De kloof tussen rijk en arm is enorm gegroeid. De lonen van sommige regeringsfunctionarissen zijn exuberant, met een auto, een woning en veiligheidspersoneel als extraatje. Ter vergelijking: het loon van een gewone ambtenaar bedraagt 200 tot 300 dollar per maand.’ (150 tot 220 euro)

17

procent van het centrale Iraakse budget moet, volgens de bestaande afspraken, naar Noord-Irak gaan, de autonome Koerdische regio. In ruil daarvoor gaan de opbrengsten van de Noord-Iraakse olie naar Bagdad. In werkelijkheid krijgt Erbil minder dan 13 procent.

Het geld gaat volgens Haifa Zangana in de eerste plaats naar veiligheid: de Peshemerga (Koerdische milities), de lokale veiligheidsdiensten, politie. ‘Met succes, maar intussen wordt dat geld niet in de reële economie geïnvesteerd’, zegt Zangana. ‘De Noord-Iraakse economie is een bubble. Er wordt stevig gebouwd, goed voor een injectie op de jobmarkt, maar buitenlandse investeerders stoppen hun geld in onmiddellijke investeringen, snelle winsten. Het zijn winkelcentra die als paddenstoelen uit de grond rijzen, geen fabrieken. Het is niet voor niets dat ook de Koerden demonstreerden en een Koerdische Lente hielden: tegen de corruptie, voor jobs en vooruitzichten. Met een winkelcentrum ontwikkel je geen economie: wat heb je aan een mooie wagen als er geen motor in zit?’

Over de verdeling van inkomsten uit de olie-industrie in Noord-Irak ruziën de centrale regering in Bagdad en de Koerdische regering in Erbil al jaren. De Koerden willen een einde aan de bemoeienissen van Bagdad, dat elke oliedeal, ook in Noord-Irak, moet goedkeuren. Door de disputen over de verdelingen van de opbrengsten, gaat dat ratificatieproces bijzonder traag, stellen de Koerden. Bagdad eist dan weer meer solidariteit van het noorden en vreest dat meer onafhankelijkheid voor de Koerden zou leiden tot afscheuring en dus minder olie-inkomsten.

Vooral de oliehonger van Turkije, dat met een aantal oliebedrijven stevig aast op Noord-Irak, is Bagdad een doorn in het oog. De plannen van Iraaks Koerdistan en Turkije om een pijpleiding tussen beide grondgebieden aan te leggen, zorgen voor de nodige onrust. Vorige maand nog spande Bagdad een rechtszaak aan tegen het Turkse oliebedrijf Genel Energy, dat een onwettig contract met de Koerdisch-Iraakse regering zou hebben afgesloten. Intussen houden ook de spanningen over het betwiste olierijke en explosieve Kirkoek onverminderd aan, waar zowel de Peshmerga als de troepen van de regering-Maliki aanwezig zijn.

2

Op 25 december 2012 startte een tweede ronde van de volksdemonstraties in Irak. Met de eerste ronde wilden ook de Irakezen zich inschrijven in een Arabische Lente. Maar de protesten, die van start gingen op 25 februari 2011, werden bloedig neergeslagen. Vooral jonge Irakezen trokken naar hun eigen Tahrirplein om hervormingen te vragen. ‘Wat we nu zien, is een nieuwe ronde waar mensen massaal voor tekenen. Sinds vorig jaar hebben we nu nieuwe demonstraties en wakes, waarbij honderdduizenden mensen de centrale pleinen van hun steden, in verschillende provincies bezetten. Ondanks de doden die in Fallujah vielen, is dit een nieuwe, hoopvolle fase in de democratiseringsstrijd in Irak. Het verschil met vorige keer is dat ze beter georganiseerd zijn: ze hebben comités en houden zich zeer sterk aan de kracht van geweldloos verzet. En dat ondanks de bekende reactie van het regime: geweld en het zaaien van tweedracht door de demonstraties als anti-sjiitisch te omschrijven.’

De demonstranten eisen een einde aan de corruptie en aan de wetteloosheid en ijveren voor hervormingen in het gerechtelijke apparaat. Niet alleen Artikel 4 staat ter discussie, ook de “deba’athificatie-wet”, een erfenis van de Amerikanen om de Iraakse overheid en het leger te zuiveren van de soennitische Ba’athpartij van Saddam Hoessein. ‘Iedereen weet dat je enkel een job kreeg als je verplicht lid werd van de Ba’ath-partij. Het had niets te betekenen. Het was de normale gang van zaken om te overleven onder de dictatuur van Saddam.’

Dit dossier kwam mede tot stand dankzij interviews met Nicolas Davies, Saad Jawad, Faris Nadhmi, Mokhallad Rasem, Haifa Zangana en met de hulp van Hussein Atshan en Mahmoud al Azzawi.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur