Israël is een demografisch experiment

Immigratie is voor het zionisme altijd een belangrijk instrument geweest om de joodse meerderheid in Israël op peil te houden. Via de Israëlische Wet op Terugkeer migreerden vorig jaar 21.000 joden naar Israël. Maar terwijl de joodse staat zijn poorten wagenwijd openzet voor joden of hun achterkleinkinderen, staan aan de buitenkant van hun grenzen meer dan vier miljoen Palestijnse vluchtelingen te wachten. Hun terugkeer is voor Israël géén optie. Zionisme na veertig jaar bezetting.
  • Tine Danckaers Tine Danckaers
De rust in de lege, zonovergoten steegjes met kleine huizen in Franse stijl lijkt een werelddeel verwijderd van het geladen en versneden karakter van de oude stad in Oost-Jeruzalem. Wie ik ben en wat ik in een niet-toeristische buurt als deze doe, vraagt ze me nieuwsgierig nadat ik haar de weg heb gevraagd. Met haar paarse sjaaltje, het modieuze kopje zilvergrijs haar, haar nog ranke figuur in een nonchalante maar zorgvuldig uitgekozen tuniek en wijde broek, de mondaine zonnebril, doet ze me denken aan iemand die zo uit het Parijse kunstestablishment is gestapt, ook al verraadt haar accent onmiskenbaar een Amerikaanse achtergrond. Dat ik journalist ben en over de immigratiethema’s van Israël schrijf, vertel ik van op de achterbank van de bestelwagen waarmee ze me snel een lift geeft. Dat vindt ze geen alledaags idee. Ik leg uit dat ik meer wil weten over de Israëlische Wet op Terugkeer die enkel joden binnenlaat.
Die wet, antwoordt ze, is het enige antwoord om van Israël het thuisland van de joden te maken en te houden. Europa had er beter een voorbeeld aan genomen, maar ze vindt ons onnozel en naïef. Wij graven ons eigen graf. Eerst zetten we onze poorten open voor miljoenen Arabieren en nu komen we tot het besef dat die groeiende massa de Europeanen tot een minderheid wil uitroepen. ‘De Arabieren en islamisten hebben maar één doel: de wereld veroveren. En dat doen ze via de demografische strijd.’ Veel ruimte voor nuance laat haar steeds fellere discours niet toe. Ik bedank voor het “gesprek” en voor de lift, en stap uit in Talbieh, een van de mooiste buurten van West-Jeruzalem, met brede groene lanen en grote huizen in Oud-Jeruzalemstijl.
Dit is een plek waar Israëlische joden thuis zijn en daar zijn ze fier op, zo vertellen de vlaggen –wit met blauwe ster– die al aan de gevels hangen te wachten op de komende nationale feestdagen.

Het beloofde land


De stapel boekjes en brochures die Josie Arbel, directeur van de vereniging voor Amerikanen en Canadezen in Israël (AACI), me in de handen duwt, is indrukwekkend. Het is een volledig uitgebouwd integratiepakket om de immigrant wegwijs te maken in maatschappelijke oriëntatie, in taalcursussen Hebreeuws, in behuizing, gezondheidszorg, tewerkstelling, onderwijs… De AACI is één van de vele Israëlische organisaties die opgericht zijn om de aliyah in goede banen te leiden.
Aliyah is de Hebreeuwse term voor immigratie of terugkeer naar Israël. De Wet op Terugkeer dateert van 1950, twee jaar na de oprichting van de staat Israël, en geeft elke jood in de diaspora het recht om te migreren naar Israël. De wet geeft automatisch staatsburgerschap aan joden en, na een amendement in 1970, ook aan hun niet-joodse kinderen, kleinkinderen en echtgenoten.
Sinds de oprichting van de staat Israël in 1948, migreerden drie miljoen joden uit alle hoeken van de wereld naar het “beloofde land”. De immigratie verliep in golven, met pieken in de beginjaren van de staat en met in de jaren negentig de massale immigratie van 25.000 Ethiopische joden en van bijna een miljoen Russen na de Val van de Muur. Na de Russen en de joden uit het Midden-Oosten vormen de Amerikaanse immigranten de grootste groep. De AACI is dan ook een van de grootste dienstenorganisaties in Israël die nieuwkomers helpen bij hun integratie. De vzw noemt zichzelf apolitiek zionistisch en werkt nauw samen met het Joods Agentschap voor Israël (JAFI). Dat agentschap opgericht in 1929, had als taak zoveel mogelijk joden naar Israël te brengen, later om een veilige thuishaven na de Holocaust te vormen en om de joodse meerderheid in Israël te behouden.
Vroeger zorgden het immigratieministerie en het JAFI automatisch voor de integratie van joodse immigranten via collectieve opvangcentra, de zogenaamde absorptiecentra. Vandaag zoeken mensen op eigen houtje hun weg. De absorptiecentra bestaan nog, maar zijn vooral gericht op groepen die extra begeleiding nodig hebben. De helft van de 5000 mensen die vandaag in de centra zitten, zijn Ethiopiërs. Nieuwkomers krijgen tijdens de eerste zes maanden in hun nieuwe thuisland voordelige tarieven in verzekering, gezondheidszorg, de mogelijkheid tot goedkope behuizing, taksvoordelen. ‘Maar dat volstaat niet om mensen naar hier te halen. Na zes maanden moeten mensen het zonder die voordelen doen’, aldus Arbel. ‘De nieuwe immigrant is een seculiere zionist die een berekende keuze maakt. Het verklaart ook de groeiende trend van parttime immigratie: mensen die pendelen tussen hun huizen in Israël en hun geboorteland.’

Berekend zionisme


Leah Stern is het succesverhaal waarmee het JAFI graag uitpakt: een jonge lifestyle journaliste uit New York, die twee jaar geleden haar aliyah maakte en zich in recordtempo opwerkte tot succesvolle journaliste en ankervrouw van Channel One, de Engelstalige zender van de nationale televisie. Nochtans kent haar liefde voor Israël grenzen.
De zesentwintigjarige Stern is mooi, vriendelijk, ambitieus en “as American as apple pie”. Ik ontmoet haar in de drukke kantine van Channel One. Ze volgde haar broer en moeder naar Israël, nadat ze hen een aantal keer had bezocht. ‘Ik ben helemaal niet zionistisch grootgebracht, werkte en leefde in New York, had alles wat ik wou, maar werd verliefd op dit land.’ Stern woont nu in Jeruzalem, werkte eerst in een nieuwkuis en pizzeria, maar kon –dankzij de tussenkomst van het JAFI– stage lopen bij de Jerusalem Post. ‘Ik maakte een scoop en tuimelde na twee audities en veel geluk in het televisiewerk. Voor ik het wist, zat ik in Gaza tussen de woedende kolonisten, was ik getuige van alle bomaanslagen en bracht ik verslag uit over het oorlogsfront in Libanon.’
Stern vindt haar nieuwe leven avontuurlijk en fantastisch, maar of ze hier voorgoed wil blijven, weet ze nog niet. ‘Ik wil zeker Israëlische kinderen. Alleen heb ik daarvoor een partner nodig en de Israëlische mannen zijn moeilijk en niet vrouwvriendelijk.’ Sterns ambitie reikt bovendien tot FOX en CNN, haar toekomst hangt af van de beroepskansen die ze zal krijgen. Het intern conflict beangstigt haar niet, het stoort haar. Ze heeft wel medelijden met de Palestijnse onschuldige burgers, maar vindt de Palestijnen hebberig. ‘Israël gaf Gaza al op, en nu willen ze nog meer. Hoe meer wij geven, hoe meer zij vragen.’ Het valt te betwijfelen of ze beseft dat de Israëlische staat de Palestijnse Gebieden bezet en niet omgekeerd.

De jeugd als hoeksteen


Tijdens Herdenkingsdag voeren bussen drommen studenten aan in Jeruzalem. De parken en herdenkingsplaatsen stromen vol met zingende en dansende jongeren, de minder devote studenten begeven zich naar de jongerencafés bij de centrale winkelstraat Ibn Jaffa. Jaarlijks sluist Taglit-Birthright, een partnerwerking tussen de Israëlische staat en buitenlandse joodse organisaties, met behulp van privé-fondsen tienduizenden jongeren naar Israël voor een tiendaagse trip. Op het programma staan verplichte nummertjes als bezoeken aan de symbolische Masada-site en de Klaagmuur, een verblijf bij een gastfamilie, een inwijding in het Israëlisch-Arabisch conflict, een kibboetsbezoek en een ontmoeting met terreurslachtoffers. Het doel is om joodse adolescenten dichter bij de staat Israël en het zionistische gedachtegoed te brengen, maar in praktijk houden de jongeren er eerder een leuke reisherinnering dan een passie voor Israël aan over.
Veel effectiever zijn de langetermijnprogramma’s voor jongeren die een semester tot een jaar komen studeren of stage lopen. Vooral in Amerikaanse orthodox-joodse kringen is een jaar Israël standaard geworden. Een aantal van deze bezoekers keert terug en beslist dan om zich hier definitief te vestigen. Sommigen keren ook terug om als vrijwilliger in het Israëlische leger te dienen: de lone soldiers. Volgens de krant Ha’aretz dienden er vorig jaar in de Libanonoorlog naar schatting 2300 lone soldiers, vooral afkomstig uit de voormalige Sovjetunie.
Naast jonge gezinnen die een nieuw leven willen beginnen en gepensioneerden die hun oude dag in het joodse thuisland willen doorbrengen zijn er opvallend veel jongeren die ervoor kiezen om aliyah te maken. De investeringen van de Israëlische staat en de wereldwijde pro-Israëlische partnerorganisaties in de jongeren, renderen.
Toch is niet iedereen te overtuigen. Op de vlucht van Zürich naar Tel Aviv maak ik kennis met Ya’el, die net twee weken in Sydney was om Pesach met haar familie te vieren. ‘Ik was al twee maanden in Israël en blijf nog drie maanden. Ik logeer afwisselend bij mijn twee tantes en geniet met volle teugen van het land. Daarna keer ik terug naar Australië om me in het arbeidsleven te storten.’ Op de vraag of ze Israël fantastisch genoeg vindt om er definitief naartoe te trekken, is haar antwoord resoluut nee: ‘Het leven is er hard, heel hard, zowel economisch als politiek.’

Sociale barsten


Als ik joodse was geweest, had hij me proberen te overtuigen om hier te komen wonen, lacht de taxichauffeur op weg naar het Diasporamuseum, een populaire stop voor joodse Anglo’s die Israël bezoeken. En nu moet hij me niet meer? Misschien toch, zegt hij genereus, omdat ik de moeite doe om het Diasporamuseum te bezoeken. ‘Maar serieus’, gaat hij verder, ‘je zou het hier niet volhouden omdat je niet joods bent.’ Daar bedoelt hij “niet joods religieus” mee. Religie is volgens hem een wezenlijk onderdeel van het joodse bestaan in Israël, etnie niet. ‘Zelfs mensen die zich in de eerste plaats seculier noemen, gedragen zich volgens de joodse religieuze voorschriften. Als je die regels niet kent, val je uit de boot.’
Geldt dat ook voor de 200.000 tot 400.000 Russen die onder het mom van gezinshereniging of verre joodse voorouders naar hier migreerden? ‘Hun vrouwen zijn mooi, maar ze gedragen zich buiten onze fatsoensnormen en zetten ons sociaal systeem onder druk. Ze hebben geen geld meegebracht, wel de slechte manieren van het fascisme. Als er racisten zijn in deze samenleving, dan zijn het wel degelijk de Russen, die het vooral gemunt hebben op de Ethiopiërs.’
Over dat laatste wil ik het hebben als ik later die dag, terug in Jeruzalem, aan een cafétafeltje zit met Ricki Rosen. Tussen ons ligt haar fotoboek waarin ze de aliyah van de Ethiopische joden in beeld bracht. Fotografe Ricki Rosen was bij Operatie Salomon in 1991, toen Israël via een luchtbrug op anderhalve dag vijftienduizend Ethiopiërs naar Israël bracht. Ze was ook bij de kleinere luchtbrugoperatie in 1999. De mensen die Rosen bij beide operaties had geportretteerd, legde ze opnieuw op foto vast in 2004. Het boek dat eruit voortvloeide illustreert de verwestersing en aanpassing van de Ethiopische joden. Rosen knikt, er waren problemen tussen de westerse Russen en de Ethiopiërs die uit een tribale plattelandsomgeving kwamen.
‘Ze kwamen in dezelfde periode naar hier en werden in dezelfde absorptiecentra geplaatst, wat –door de enorme cultuurtegenstellingen– spanningen gaf. Je zat met verstedelijkte, seculiere Russen tegenover heel gelovige Ethiopiërs die niet eens een telefoon kenden.’ Maar die plooien zijn intussen gladgestreken, zegt Rosen. ‘Zelfs de meest cynische en niet-zionistische vrienden van me kregen tranen in hun ogen bij de beelden van operatie Salomon. Het redden van die mensen toonde dat de sociale ethos de bestaansreden is van ons land.’
Maar die sociale ethos ten spijt zijn het de Ethiopiërs die de vuilnis ophalen, de parkings en benzinestations bewaken en in de minst comfortabele huizen wonen. In haar lofrede over de solidaire Israëlische samenleving heeft Rosen het ook niet over de ongelijke rechten die de Palestijnse Israëli’s tot tweederangsburgers maken. Ze vergeet ook dat de staat nog altijd een breuklijn kent tussen ashkenazi’s –witte, Europese joden– en mizrahi’s –joden uit de Arabische landen. Dat zegt Shlomo Swirski van ADVA, een onderzoekscentrum dat de Israëlische gelijkheidsmonitor maakt. Hij voegt eraan toe dat het land enorm veranderd is. ‘Vroeger bestond dat egalitaire ethos tenminste nog in theorie, nu heeft onze samenleving dat vervangen door kapitalisme en competitie.’

Kinderen voor Israël


Israël vierde dit jaar zijn 59ste Onafhankelijkheidsdag met een totale bevolking van 7,15 miljoen. In 1948 waren dat er 800.000. Tachtig procent van de huidige bevolking is joods, de resterende twintig procent is Palestijns. Een verstoring van die verhouding zoals in Jeruzalem, waar 67 procent joden tegenover 33 procent Palestijnen staan, wordt als bedreigend ervaren.
Immigratie was van oudsher een krachtig instrument om de demografische verhouding op peil te houden. Volgens de Israëlische demograaf Amnon Sofer, bijgenaamd de Arabierenteller, is er al een meerderheid van niet-joden als je Israël, de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook samentelt. Sofer vreest de natuurlijke aangroei van de Palestijnen. Hij juicht de stijgende immigratie van de Franse joden en Noord-Amerikaanse joden toe, respectievelijk goed voor 2837 en 3201 personen in 2006. Maar de 21.000 mensen die in 2006 aliyah maakten, volstaan niet om het demografische evenwicht op peil te houden.
Organisaties als het joods agentschap hanteren volgens Dror Etkes, lid van Peace Now en hoofd van Settlement Watch, een zionistische agenda die er in bestaat ‘zoveel mogelijk joden naar de Westelijke Jordaanoever door te sluizen’. Etkes ziet twee redenen waarom immigranten in een nederzetting gaan wonen. Er zijn mensen –vaak afkomstig uit Frankrijk en de VS– die om ideologische redenen in centrale nederzettingen als Gush Etzion gaan wonen. Anderen –vooral Russen– zijn vooral op zoek naar een goedkope woning. ‘Zij vestigen zich in de nabije Westbank, in grote nederzettingen als Ma’ale Adumim. Israël kan niet beslissen waar immigranten zich moeten vestigen maar biedt hen wel goedkope huizen aan in de Westbank. Eens ze gesetteld zijn, volgt de ideologie wel.’
De nederzettingen en de 250.000 kolonisten op de Westelijke Jordaanoever kosten de Israëlische staat 556 miljoen dollar per jaar, vooral voor het leger en voor materiële bescherming zoals dure omheiningen en de uitbouw van een apart wegennet. En ondanks de Tweede Intifada groeit het aantal kolonisten jaarlijks nog met 5,5 procent, door immigratie maar ook door de natuurlijke aangroei. Vooral de 70.000 ultra-orthodoxe kolonisten op de Westelijke Jordaanoever nemen de demografische strijd ernstig, met een gemiddelde van 7 kinderen per koppel, aldus Settlement Watch.
‘Niet dat de meer gematigde rest van de Israëlische bevolking niet wakker ligt van de demografische dreiging. Iedere zionist houdt de bevolkingscijfers scherp in het oog. We willen niet samenleven met te veel Arabieren.’, aldus Etkes.

Klop van de hamer


Een witblauwe zondvloed van Israëlische vlaggen overspoelt Onafhankelijkheidsdag. Ze zijn overal: wapperend aan huizen, tuinhekken, cafés, in drievoud op auto’s, op T-shirts en hoeden… In Ibn Gvirol, een van de hoofdstraten van Tel Aviv, is de opkomst aan de vooravond van Onafhankelijkheidsdag enorm. Mensen spuiten als gekken schuim naar voorbijgangers en kloppen met opblaasbare hamers op elkaars hoofd, het blijkt een traditie. Een graffitibusje met daarop ultraorthodoxe hardrockers rijdt met veel gebrul door de straat, voor een hippe pub staan even hippe jongeren te wachten om binnen te mogen.
Het feestgeweld staat in schril contrast met de stilte van de dag ervoor, een nationale dag van rouw voor oorlogs- en terreurslachtoffers. Dat bewijst hoe sterk we als natie zijn, vertelt een feestvierder. ‘De ene dag maken we plaats voor ons verdriet, om onze doden te eren. De volgende dag tonen we dat we ons nooit meer zullen laten doen, dat onze doden niet voor niets zijn gestorven.’
Terwijl het land de volgende dag uitslaapt van het nachtelijke patriottisme vertrekt ‘s morgens aan het treinstation van Tel Aviv een bus met joodse en Palestijnse Israëli’s naar het vernietigde Palestijnse dorp Miske. Het is de jaarlijkse uitstap van Zochrot, een groep Israëli’s die de Nakba, of de Palestijnse catastrofe van 1948, herdenken. Op de trip bevinden zich tussen de 150 sympathisanten ook filmmaker Avi Mograbi en de antizionistische Uri Davis. ‘Onze landgenoten trekken massaal naar parken en tuinen om te barbecuen. Dit is ónze manier om Onafhankelijkheidsdag te vieren’, klinkt het. De nog jonge organisatie Zochrot wil de Nakba toegankelijk maken in het Hebreeuws. Ze doen dat via symbolische acties. Waar vroeger de huizen van een dorp stonden, zet Zochrot borden met de oorspronkelijke Palestijnse plaatsnaam. Het centrum geeft ook lezingen, organiseert cursussen en evenementen over het thema van de Nakba, met als voornaamste doelgroep jongeren tussen 18 en 27 jaar.
‘We willen de illusie doorbreken dat Israël een land zonder volk was voor een volk zonder land. Het feit dat hier nog andere, niet-joodse mensen leefden en woonden, wordt totaal genegeerd en met grove leugens omzeild. De Arabieren die hier woonden, zouden geen band gehad hebben met hun grond, en vrijwillig vertrokken zijn’, legt Eitan Bronstein van Zochrot uit. Nadat hij een laatste ferme hamerklop op het naambord geeft, mompelt hij: ‘Nu blijft het bord misschien twee uur langer staan. Overmorgen halen boze joden het alweer weg’.

Palestijnse vluchtelingen


De Nakba en het Palestijns vluchtelingenvraagstuk vormen een cruciaal thema voor mogelijke vredesonderhandelingen, zegt Amaya Galili van Zochrot. ‘Als we onze verantwoordelijkheid niet opnemen en het thema niet bespreekbaar maken, zullen we nooit in staat zijn om een multi-etnische democratische staat te worden.’ Vierhonderd Palestijnse dorpen werden van de kaart geveegd, vernietigd, achtergelaten of opnieuw bevolkt door joden om de Israëlische staat te installeren. Naar schatting vluchtten 1,3 miljoen Palestijnen tussen einde 1947 en begin 1949. Ook na de beginjaren bleef Israël Palestijnen uit hun huizen verjagen, met een tweede hoogtepunt in de zesdaagse oorlog in 1967. De VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen registreerde 4,3 miljoen 1948-vluchtelingen, waarvan 400.000 Palestijnen in Israël of in de Palestijnse bezette gebieden verblijven.
Terwijl Israël de poorten openzet voor al wie wil immigreren, zelfs voor niet-joden die bereid zijn joods te worden, is de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen het laatste onderwerp dat op de tafel voor vredesonderhandelingen zal komen. Dat recht op terugkeer staat immers lijnrecht tegenover het joodse karakter van de Israëlische staat. Verder dan een compensatieregeling voor de vluchtelingen willen zelfs de meest progressieve politici niet gaan.
In een BBC-World debat over het recht op terugkeer spreekt Yossi Beilin, voorzitter van de linkse Meretzpartij, duidelijke taal. Er kan geen sprake zijn van terugkeer. ‘We weten van elkaar dat we dingen claimen die vooral een ideologische of politieke agenda dienen, maar geen reële betekenis hebben. Wij weten dat we de Sharam al-Sharif (de felbesproken Rotskoepel in Jeruzalem, td.) moeten opgeven, ook al maken we er aanspraak op. De Palestijnen weten dat ze hun recht op het terugkeer moeten opgeven. Een vredesakkoord is geen kwestie van dromen, maar van harde consensus en realiteit.’
Zelfs Amaya van het linkse Zochrot geeft toe dat het idee van terugkeer haar beangstigt. Maar ze er wel voor. Dror Etkes niet. Hij noemt zichzelf een subversieve zionist, is een zware criticus van de bezettende macht, maar is geen voorstander van het recht op terugkeer. Links of niet, zoals de meeste Israëli’s is hij voor een tweestatenoplossing, niet uit ideologische maar uit praktische overweging. ‘Het gaat niet enkel om wat juist is, maar om wat in de gegeven situatie de best mogelijke oplossing is. Het recht op terugkeer is onmogelijk voor de toekomst van de Israëlische staat.’
Aan de andere kant van de Muur, een paar kilometer verder in Betlehem, reageert Muhammed Jaradat van de Palestijnse vluchtelingenorganisatie Badil. ‘We hebben tijd. We wachten al zo lang, er kunnen nog vijftig jaar bij.’ Met een zweem van ironie voegt hij er aan toe: ‘Intussen heeft het Israëlisch ministerie voor Toerisme ons checkpoint al verfraaid met een mooie vredesboodschap.’ Die boodschap steekt in felle kleuren af tegen het grauwe beton van de Muur en is in de eerste plaats bedoeld voor de buitenlandse bedevaarders die Betlehem bezoeken en per bus de grote grensovergang nemen waar Palestijnen meestal niet passeren. Aan de achterzijde van dezelfde muur, in Betlehem, prijkt tussen andere slogans het antwoord in een kleine, Palestijns gekleurde tekst: God is te groot voor slechts één religie.
Met steun van het Fonds Pascal Decroos

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur