Jerry Rawlings: van dictator tot modeldemocraat

Jerry Rawlings was in 1979 een revolutionair couppleger in zijn land, Ghana. Hij ontpopte zich later als een voorbeeldige democraat, die netjes de macht afstond aan een nieuwe generatie leiders. Nu iedereen de mond vol heeft over goed bestuur, vond MO* het de moeite om te praten met een man met vuile handen, maar naar eigen zeggen met een schoon geweten. ‘Er zijn niet zo veel Mandela’s.’
Een gesprek met Rawlings is van het soort ontmoetingen dat je niet snel vergeet. ‘Mister Rawlings is nog aan het slapen,’ zegt zijn tekstschrijver als we op het afgesproken tijdstip in de hal van het chique hotel Kurhaus in Scheveningen zijn. Rawlings is in Scheveningen op uitnodiging van de Nederlandse Evert Vermeer Stichting.
Dat zorgde in Nederland voor zoveel controverse dat Peter Heintze, directeur van de EVS, het nodig vond om zich in een opiniestuk in De Volkskrant te verantwoorden: ‘Veel Ghanezen zeggen dat Rawlings degene was die Ghana nodig had toen hij zijn coups pleegde. In ieder geval was hij een van de hoofdrolspelers in hun geschiedenis; hij was het ook die aan het begin stond van de ontwikkeling van Ghana tot een voorbeeld van democratisering en groei in Afrika.’
‘Juist als je inzicht wilt krijgen in de dilemma’s rond de macht in prille of onstabiele democratieën, juist als je de rol die rijke landen daarbij kunnen spelen wilt bekijken, juist als je wilt laten zien dat je ook het standpunt van de bevolking van een Afrikaans land serieus neemt, dan verdient Rawlings het gehoord te worden. Is een oordeel over good governance  voorbehouden aan politieke leiders die zich in onze ogen nooit schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur? Het aantal Mandela’s in de wereld is zeer beperkt.’          
Die ochtend was Rawlings met zijn gevolg in alle vroegte uit de Ghanese hoofdstad Accra vertrokken en het was tijd voor een powernap. Amper tien minuten later zitten we aan de koffie. Met een wodka voor de president erbij. Rawlings is een oratorisch talent en spraakwaterval, zo blijkt al snel.
Na vraag één ontsteekt hij in vlammende betogen met allerlei parallel-verhalen en zijwegen. Af en toe legt hij zijn spervuur even stil, om zijn toehoorder bij de arm te pakken en joviaal te vragen ‘Begrijp je wat ik bedoel, chief’. En Rawlings is bepaald niet vies van stevige uitspraken, liefst voor een westers publiek:
‘Neo-kolonialisme is geen holle slogan. Alleen zitten de boeien en ketenen niet meer rond de ledematen van Afrikanen, maar in de hoofden van onze elites.’  
Luchtmachtluitenant Jerry Rawlings, die bijna twintig jaar over Ghana heerste, eerst als militair dictator en later als verkozen president, is nog altijd mateloos populair bij zijn landgenoten.
En toch is Rawlings ook een controversieel figuur. Op 4 juni 1979 pleegde hij zijn eerste geslaagde militaire coup, na eerst in de gevangenis gezeten te hebben. Sinds de val van de legendarische eerste president Kawme Nkrumah in 1966, hadden de generaals Ghana overgenomen. Rawlings verving dus een militaire dictatuur en regeerde vervolgens zelf met harde hand.
Onder zijn bewind werden enkele machthebbers van het vorige regime geëxecuteerd. Wie van corruptie en machtsmisbruik beschuldigd werd, kreeg publiekelijk van de zweep. Rawlings ontwijkt vragen over de jaren van dictatuur niet: ‘Als de haat door vele jaren van wanbeleid en structurele armoede zo hoog is opgelopen, dan is het nodig de druk van de ketel te halen. Soms is het dan nodig om offers te brengen.’ Rawlings ziet de executie van zijn militaire voorgangers als een uitlaatklep voor de woede van het volk.
Rawlings: ‘Ik zou graag herinnerd willen worden als iemand die een opening maakte naar een samenleving waar mensen vrijheid en rechtvaardigheid kunnen ervaren.’ En couppleger of niet, het was effectief dezelfde Rawlings die Ghana ook democratie bracht. Hij werd in de jaren negentig twee keer tot president gekozen. Anders dan vele collega’s in Afrikaanse landen manipuleerde hij de grondwet niet om nog een derde termijn te kunnen doen. Deze zoon van een Afrikaanse moeder en een Schotse vader was daarmee redelijk uniek.
Rawlings installeerde snel na zijn coup een burgerregering, maar schoof die na twee jaar opnieuw met een militaire machtsovername opzij. ‘Om zaken op orde te stellen,’ zo heet het. Hoewel de Britse kolonie Goudkust -Ghana na de onafhankelijkheid- een gouden toekomst was voorspeld, lag het eind jaren zeventig grotendeels in puin. Een land met een loodzware schuldenlast, desintegrerende openbare voorzieningen, nauwelijks investeringen, wanbeheer en corruptie, massale armoede.
Rawlings schikte zich naar de eisen van Internationaal Muntfonds en Wereldbank. Hij zette het socialisme van Nkrumah bij het grofvuil, saneerde de sociale voorzieningen, zette het mes in de overheidsuitgaven en privatiseerde staatsbedrijven.     
Maleisië en Ghana werden in hetzelfde jaar onafhankelijk, maar het verschil in ontwikkeling is enorm. De vraag wat er fout gelopen is in Ghana, schuift Rawlings door aan zijn tekstschrijver, ‘want als ik begin te spreken, houd ik nooit op’, bulderlacht hij. Tony is de procedure duidelijk gewoon, want hij neemt zonder haperen het woord:
‘We kregen nooit een eerlijke kans van onze koloniale meesters om een natie op te bouwen. Je kunt een natie niet zomaar van de ene op de andere dag als geopend verklaren. Een staat opbouwen is een langdurig proces. En als je geen rekening houdt met verschillende stammen binnen de grenzen van de nieuwe staat, heb je al de eerste fout. Bovendien werden er verkeerde beleidskeuzen gemaakt en er raadde het Westen ons economische modellen aan die ongeschikt waren. Men vertelde ons dat we zo veel grondstoffen hadden, dat het niet nodig was om net als het Westen het pad van industrialisering te kiezen. “Concentreer u op het verkopen van die grondstoffen.” Zo ontstonden scheven handelsverhoudingen en vijf jaar na de onafhankelijkheid zat Ghana al in de schulden.’
Rawlings vult zijn speechwriter aan met een lange lijst voorbeelden van politiek mismanagement door de regering en meer nog door de partij van de vader des vaderlands, Kwame Nkrumah. ‘Zijn partijapparaat plantte, zonder het te beseffen, zélf de haatgevoelens tegen Nkrumah door hem continu te vergelijken met de Messias. Nkrumah werd al aanbeden, maar hem de naam van Jesus Christus geven, trok alles uit verhouding. Mensen uit Nkrumah’s partijapparaat bezochten scholen en vroegen de kinderen in een klas om hun ogen dicht te doen, en God te smeken om enkele snoepjes. Ze deden hun ogen open, maar vonden geen snoepjes. Dan moesten ze dezelfde bede richten aan Kwame Nkrumah. Ogen open en jawel hoor: snoepjes op hun bank.
In zekere zin kan je zeggen dat Nkrumah aan zijn eigen succes ten onder is gegaan. De jonge, veel beter opgeleide generaties respecteerden Nkrumah omwille van zijn moderne, progressieve ideeën, maar kregen tegelijkertijd een afkeer van de cultuur van absolute verering. Men zag het totalitaire karakter van het regime en het feit dat het regime in de val van het Westen liep.’
Een opmerkelijk succes van Nkrumahs beleid, geeft Rawlings grif toe, is dat Ghana weinig etnische conflicten heeft gekend. ‘Kwame Nkrumah zorgde voor structuren, instituties en scholen waarin mensen met verschillende etnische en tribale achtergronden elkaar ontmoetten. Ik geef toe dat ik daardoor verleerde neer te kijken op de mensen uit het noorden en leerde hen te respecteren, de menselijkheid in hen te zien.’ 
Jerry Rawlings klaagde onlangs dat de schuldkwijtschelding die in Gleneagles aangekondigd werd door de G8, IMF en Wereldbank -en die Ghana vorig jaar bijna 60 miljoen dollar opleverde- teniet wordt gedaan door de hogere olieprijzen als gevolg van de Amerikaanse oorlogen in Irak en Afghanistan. Hij laat zich graag en geregeld betrappen op scherpe kritiek op het neokolonialisme van de internationale verhoudingen en op het unilaterale optreden van de VS.
Toch was hij één van de eerste Afrikaanse leiders die in de jaren tachtig de structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van het IMF en de Wereldbank uitvoerde, ook al gelden die programma’s zelfs in beide instellingen nu als onverdedigbaar omdat ze zo verwoestend waren voor onderwijs en gezondheidszorg.
Rawlings blijft onverstoorbaar: ‘Wij hadden eenvoudigweg geen keuze. We stonden met onze rug tegen de muur. Begin jaren tachtig hadden we nog net genoeg basismedicijnen voor twee weken. Een wegennet was zo goed als niet bestaande. Je kon geen nieuwe autobanden meer krijgen. Er moesten dus vooral pragmatische keuzes gemaakt worden. Bovendien leefden we nog in een bipolaire wereld. Het enige dat we uit het socialistische oosten konden krijgen, was nutteloze ideologische praat.’
Rawlings’ tekstschrijver Tony onderbreekt hem met een anekdote over handel met socialistische landen: ‘Cacao, onze belangrijkste bron van buitenlandse deviezen, werd in de jaren zestig vooral geëxporteerd naar Duitsland, Engeland en Frankrijk. Op een gegeven moment zakte de wereldmarktprijs in elkaar. Nkrumah liet de hele oogst verbranden om zo een schaarste en dus hogere prijzen te creëren. Ook werd er geëxporteerd naar de Sovjet-Unie om alternatieve markten te vinden. Maar als betaling kregen we, in plaats van de beloofde tractoren, sneeuwruimers!’
Rawlings reageert met hilariteit en gespeelde verontwaardiging: ‘Weet je dat heel zeker, Tony? Lag het niet aan de onkunde en onwetendheid van de zwarte man die dácht dat het sneeuwruimers waren?!’
‘Nee nee, ik weet het heel zeker. En het is iets dat vaker gebeurde. De handel met socialistische landen stortte in elkaar omdat ze vaak als betaling voor grondstoffen ondeugdelijke of niet inzetbare technologie stuurden. Sommige Afrikaanse landen zaten in de Koude Oorlog in een ontwikkelingsval: ze kregen uitbuiting en slechte grondstofprijzen in het Westen en als ze zich tot het Oostblok wendden, kregen ze ideologische prietpraat en slechte technologie. Het tragische is dat dit soort structurele oorzaken in feite elke kleine vooruitgang saboteerde en al snel een gevoel van defaitisme veroorzaakte.’
Rawlings knikt. Hij had al snel door dat het socialisme zou verdwijnen, zegt hij. ‘Omdat de noodzakelijke graad van discipline die nodig is om socialisme in de praktijk te laten werken in de menselijke natuur ontbreekt. Eigenschappen als hebzucht, jaloezie en allerlei kleine trekjes staan dit in de weg. Mijn socialistische intellectuele vrienden konden dit destijds niet accepteren. Terwijl ze alleen maar zichzelf moesten onderzoeken om dat in te zien.’
Bovendien leven ook gewone mensen niet graag in een staat van angst. Angst degenereert tot haat. Als je als regime te veel angst gebruikt -zoals in de Sovjet-Unie via de KGB gebeurde- dan ondergraaf je uiteindelijk jezelf. Het socialisme en communisme zijn intussen ingestort en het liberalisme vierde triomfen. Maar waarom beleeft Latijns-Amerika momenteel zo’n tegenbeweging tegen het neoliberalisme, denk je? Vanwege de barbarij van rauw kapitalisme. Toen het Oostblok instortte, hoopten we dat we nu het menselijke gezicht van het kapitalisme te zien zouden krijgen. Integendeel, het werd erger. De immoraliteit van de internationale handel en de internationale politiek werden sindsdien sterker. Elk fout besluit dat in het Westen genomen wordt, heeft een uitvergroot effect in mijn land. Maar mensen in het Westen hebben de mogelijkheid om aan de handrem te trekken, mensen in Afrika niet.’
Het hele gesprek door wijst Rawlings naar anderen: vroegere leiders, westerse regeringen, multinationale bedrijven… Moet hij toch ook niet eens over het belang van goed bestuur spreken? Ook dat is geen probleem: ‘Kijk naar onze traditionele bestuursvormen. De chief is de laatste om te spreken. Hij luistert eerst naar zijn raadgevers. Afrikaans leiderschap is gebaseerd op het idee dat een goed besluit een brede consultatie vereist.
Mijn regering heeft negentien jaar overleefd op die manier. We hebben allerlei fora gecreëerd waarop iedereen, groot en klein, zich kon uitspreken. Maar om dat te kunnen, moet je kunnen omgaan met kritiek. Je moet zelfvertrouwen hebben, integriteit uitstralen, geloven in vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke rechtspraak dulden. Wij hebben geprobeerd de bestuurspiramide een heel brede basis te geven.
Dat is niet makkelijk, want er heerst een sterke onderdanigheidscultuur ten aanzien van superieuren in Afrika. Dat heeft te maken met sociaal-economische omstandigheden, vermengd met tribale en etnische verschillen. Die cultuur zorgt ervoor dat lastige besluiten altijd worden doorgeschoven naar de top, terwijl die in Europese bestuursvormen al bijna zijn opgelost als ze de top bereiken.’
Wat vindt hij er eigenlijk van als hij nog steeds omschreven wordt als een militair dictator? Rawlings: ‘Ik beschouw dat als propaganda. Als ik een echte dictator was, dan zou ik niet zo gefrustreerd zijn geweest toen ik president was. En waarom noemt men mij soms populist, als ik een dictator ben? Weet u, sommigen willen misschien dat u denkt dat de vooruitgang die we in Ghana hebben gemaakt, door een dictatuur werd gerealiseerd. Maar misschien wil men niet weten dat dat vooral is gelukt dankzij het weerbaar maken van onze burgers, door hen zeggenschap te geven!’
Na bijna twee uur praten, dienen andere journalisten zich aan voor een gesprek. Rawlings: ‘Luister, we zijn nog niet uitgepraat, chief. U werkt toch voor een maandblad? Dan moeten we elkaar nog eens ontmoeten.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2388  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift