Jong zijn is onbetaalbaar

Wie vandaag 21 is in Sarajevo, zag de mooiste jaren van zijn jeugd verknoeid door sluipschutters en mortiervuur. Nu de nationalistische brand voorlopig bedwongen is, maakt de jeugd in Sarajevo de rekening op. Liefst in Deutsche Marken.
Velid Serlogic nodigt mij uit voor een koele drink in de schaduw van de kathedraal. Velid is tegelijk een ernstige twintiger én een jongensachtige man. Zijn groene ogen glunderen het ene moment en verliezen het volgende moment hun glans. Op veertienjarige leeftijd werd hij gewond toen hij als vrijwilliger werkte in het ziekenhuis van zijn vader. ‘Op mijn vijftiende wou ik actie in mijn leven en ging ik bij het leger. Ik heb daar mijn part van de actie gekregen. Te veel eigenlijk voor een mensenleven.’ Hij treedt niet echt in detail, maar iemand anders vertelde me over het schrijnende tekort aan wapens: de Bosnische soldaten moesten hun vijanden vaak doden met messen. ‘Als ik terugdenk aan de belegering van Sarajevo, dan lijkt alles grijs en vuil. Mijn herinneringen aan die tijd zijn allemaal zwart-wit. Daar komt nu stilaan verandering in. Vooral nu ik goed geld verdien als begeleider van verzoeningsprojecten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Met die 1500 DM kan ik heel wat kleur aanbrengen in mijn leven.’ Als grijs de kleur was voor oorlog en geweld, dan is de kleur van Velids grote passies uitbundiger: zijn computer, zijn auto en zijn vriendin. Op mijn twintigste wilde ik eindelijk eens leven. Ik overdonderde mezelf en kocht een BMW. Een tweedehandswagen wel te verstaan, maar het blijft een statussymbool’, zegt hij glunderend. ‘Voor de rest doe ik het graag kalm aan. Ik leef traag, ook al is dat mij niet altijd gegund. Ik heb een zeventienjarige vriendin en voor haar moet ik elke zaterdagavond lijden. Zij wil altijd naar een disco gaan. Als het aan mij lag, dan ging ik naar mijn grootmoeder of bracht ik de avond door starend naar het gras’, zegt hij lachend. Na meer dan een uurtje babbelen over zijn leven en bezigheden, kijkt Velid op zijn horloge en zegt dat hij er vandoor moet. Hij moet vanavond nog uit eten met zijn vriendin omdat ze één jaar samen zijn. Als een galante heer wil hij me thuisbrengen. Zijn trots op vier wielen blijkt een tien jaar oude, aftandse roestbak te zijn. Ik mag hem uitgebreid bewonderen en heb niet de moed om de waarheid te zeggen.

Senada, hoop voor morgen

Velid Serlogic is niet de enige die succes meet in Deutsche Mark. Zowat al zijn leeftijdsgenoten proberen de weg van het vette inkomen om te ontsnappen aan de zinloosheid die de oorlog gecreëerd heeft. Niet zo de blonde Senada Hodzic. Zij werkt, sinds ze vorig jaar aan de universiteit afstudeerde, als leerkracht in een school in Sokolovici, een dorpje niet ver van de wijk Ilidja, waar ik verblijf. Ze verdient, net zoals alle andere ambtenaren in Sarajevo, 350 DM per maand. In de Republika Srpska -het stuk van de Bosnische federatie waar de Bosnische Serviërs het voor het zeggen hebben- verdienen ambtenaren maar de helft hiervan. Het geld dat Senada verdient, is ontoereikend en daarom klust ze bij door Engelse les te geven in een jeugdhuis. ‘Je kan beter als poetsvrouw of kokkin werken bij de IFOR (Implementation Force van de NAVO)’, zegt Senada, ‘daar krijg je al snel het dubbele van mijn loon.’

Ze nodigt Aldegonde en mij uit bij haar thuis in de wijk Sokolovici. Senada woont hier met haar ouders, zusje en broertje. Deze plaats heeft erg geleden tijdens de oorlog omdat ze effectief bezet was door de Serviërs. ‘Zie je dit busstation? Dit was het geliefkoosde doelwit van de Servische scherpschutters. Senada werd het slachtoffer van zo’n ‘sniper’ en vocht een hele tijd voor haar leven. Senada en haar moeder staan financieel in voor het huisgezin, want haar vader is oorlogsinvalide. Haar moeder werkt als poetsvrouw, maar de inbreng van Senada is belangrijker. Zij zorgde grotendeels voor de restauratie van het huis. Zij bepaalt sindsdien waar ze naartoe gaat en wanneer ze thuis komt en haar ouders accepteren dit zonder morren. Voorlopig denkt ze niet aan een baan bij een internationale organisatie. ‘Ik geef heel graag les, al is het niet leuk om met overvolle klassen te werken’, zegt Senada. Zo nu en dan kunnen de armlastige scholen een beroep doen op hulp uit het buitenland, maar dat belet de exodus niet van mensen die genoeg talenkennis hebben om bij internationale organisaties te gaan werken. ‘Tijdens de oorlog kon de overheid rekenen op onze nationalistische gevoelens. Vandaag denken we aan onszelf. Hooggestemde nationalistische gevoelens vullen ons bord niet. Onze politici denken enkel aan het behoud van de macht, zoals de zakenlui alleen bezig zijn met de vraag hoe ze zo snel mogelijk hun zakken kunnen vullen. Niemand in deze stad werkt aan de toekomst van de gemeenschap’, besluit Senada ontgoocheld.

Toch wil Senada het hoofd niet laten hangen. Senada betekent ‘hoop’ en die naam wil ze koste wat het kost waarmaken. Ze neemt me mee op ontdekkingsreis in de stad die haar lief is, al ontsnapt ze niet aan de littekens die Sarajevo overhoudt aan de oorlog. ‘De ‘echte’ burgers van Sarajevo hebben bij hun vlucht uit de stad een deel van haar ziel meegenomen. Het andere deel is door de gruwelen van de oorlog opgeslokt. De meest gefortuneerde burgers vluchtten naar het buitenland en lieten de verdediging over aan de burgers uit de midden -en arbeidersklasse.’ In de plaats van de gevluchte burgers kwamen interne vluchtelingen van het platteland. Meteen werd in de straten van de stad de kloof zichtbaar tussen de kosmopolitische levensstijl van de Sarajevonaren en de middeleeuws aandoende levensstijl van de mensen uit het omringende platteland. Senada wijst discreet de nieuwe inwoners aan.Vrouwen in wijde, geplooide lange broeken en mannen met de ongekunstelde uitstraling van wie het land bewerkt. ‘De burgers van Sarajevo minachten deze vluchtelingen en kijken arrogant neer op de kleding en de levenshouding die nog uit de tijd van de Ottomaanse bezetting stammen. Als het aan hen lag, zouden ze deze vluchtelingen zo vlug mogelijk weer naar hun oorspronkelijke woonplaats sturen. Maar dat kan niet. De meeste vluchtelingen zijn immers met geweld verdreven door de Serviërs.’

IS DIT SARAJEVO?

Het Sarajevo waarin Aldegonde en ik rondlopen, is een andere -en vooral een veel complexere- stad dan het Sarajevo van de tv-journaals en de benefietavonden in West-Europa. De verwoestingen van de oorlog waren ongelijk verdeeld, maar de zegeningen van de internationaal betaalde wederopbouw zijn dat nog meer. Behalve een aantal granaatinslagen, is er in het centrum van de stad haast niets meer te merken van de oorlog. Het hoofdpostkantoor langs de rivier staat in de stellingen. De nationale bibliotheek, het symbool bij uitstek van de zinloze bombardementen, wordt hersteld in haar oude glorie. Het winkelcentrum Skenderija is opnieuw uit de grond gestampt en de oude Turkse moslimwijk, Bascarsija, is alweer dé toeristische trekpleister en hét handelscentrum van Sarajevo. De winkeltjes, eethuisjes en cafés draaien op volle toeren. Zelfs modehuizen als Benneton en Versace hebben hun weg naar Sarajevo gevonden.

Maar Sarajevo bestaat niet alleen uit een centrum. Hoe verder we ons daarvan verwijderen, hoe duidelijker voor ons de vernieling wordt. Bijna alle huizen en gebouwen langs de hoofdweg zijn opgelapt, maar de flatgebouwen die niet op de hoofdstraat uitgeven, vertonen zware mortierinslagen, gebroken ruiten en diepe scheuren. Enkele gebouwen nabij het oude, platgebombardeerde parlementsgebouw, zoals het hotel Bristol, staan op instorten. Deze omgeving werd voortdurend onder vuur genomen door de Serviërs omdat dit het zenuwcentrum was van de defensie rond Sarajevo. De wederopbouw van deze buurt verloopt trager. Hier zijn nog vele miljarden nodig om de uiterlijke herinnering aan de oorlog uit te wissen. Maar de internationale gemeenschap heeft een kort geheugen en wordt donormoe.

Hoeveel hulp Bosnië nog mag verwachten, hoop ik te vernemen tijdens de vierdaagse beurs voor heropbouw en investeringsmogelijkheden in Bosnië. Organisator en voorzitter van de Bosnische Kamer van Koophandel, Sacir Sosevic: ‘Dit is het derde jaar dat dit Forum wordt georganiseerd. Het eerste jaar was alles tot in de puntjes verzorgd. Bosnië was nog wereldnieuws en dus stroomde meer dan vijf miljard dollar naar de Bosnische Federatie voor allerlei projecten. Vorig jaar nam de geldstroom geleidelijk af en de organisatie vertoonde een aantal grove schoonheidsfouten. Dit jaar is dit Forum een flop. Verschillende donors doen loze financiële beloften of betalen de voorziene gelden uit met met een gemiddelde achterstal van zes maanden. Tot grote ontgoocheling van de Bosnische regering en de ngo’s, kan er voor 1998 nog net iets meer dan 1 miljard dollar af . En die moeten we nog delen met de Republika Srpska’, besluit Sosevic geërgerd. En inderdaad, zijn Forum was een aaneenschakeling van organisatorische fouten, van sprekers die uitblonken in vaagheid en van afwezige investeerders. De waarheid over de toekomst van Sarajevo leer je niet in het pluche van het Holiday Inn Hotel -een schreeuwlelijk, kanariegeel gebouw-, maar op straat en aan de tafeltjes van de talloze cafés. Ver van het officiële discours, dicht bij de kleine en dagelijkse zorgen van de mensen.

Plezier boven alles

Naida Balic, Senad Kovacevic en Vedrana Katavic voelen zich thuis in Sarajevo. Voor hen geen ‘weltschmerz’, geen oorlogslittekens op de ziel. De achttienjarige Naida vat de oorzaak van het optimisme van dit trio ongegeneerd samen: ‘Het is voor jongeren niet moeilijk om geld te verdienen in Sarajevo, zolang je maar vloeiend Engels of Duits spreekt en als vertaler wilt optreden.’ Senad spreekt vloeiend Duits en Engels omdat hij tijdens de oorlog een tijdje in Duitsland heeft gewoond. Vedrana is de enige die tijdens de oorlog in Sarajevo is gebleven. ‘Als vertaler krijg je voor één minuut vertaling één DM. ‘Easy money’ waarvan je sigaretten en drank kan kopen en dat je kan delen met vrienden die geen geld hebben’, legt Naida uit.

Het drietal is echter niet alleen bezig met snel verdienen en nog sneller consumeren. Samen vormen ze de kernredactie van het jongerentijdschrift ‘Nepïtanï’. Het tijdschrift richt zich tot alle jongeren van zowel de Bosnische Federatie als de Servisch-Bosnische Republiek. Jongeren schrijven over wat er gebeurt in hun stad, op school of over wat hen dwars zit. Rubrieken over muziek, kritiek op de politici en het schoolsysteem, meningen over seks en gedichten: alles kan, niets wordt geweigerd. De teksten staan in het Latijns en het Cyrillisch schrift broederlijk naast elkaar. ‘Het belangrijkste is dat het tot een vriendschappelijke samenwerking komt tussen verschillende jongeren’, zegt Senad. Religie en politiek, de twee pilaren waarop de Bosnische gemeenschap rust, daarvan liggen ze niet wakker. Ook Naida niet, al omschrijft ze zichzelf als ‘een diep gelovig moslimmeisje’. Senad is atheïst en Vedrana weet het niet. Vedrana’s vader is moslim en haar moeder is Kroatisch. Thuis werd er echter nooit over religie gesproken. Dat knaagt aan Vedrana, vooral omdat Sarajevo als een grotendeels islamitische stad uit de oorlog is gekomen. Dat merk je niet alleen door de oproep tot het gebed vanuit de moskeeën, maar zelfs als je naar een partij voetbal gaat kijken. ‘Allahoe akbar, Allahoe akbar’, de indringende kreet zindert dan door het nieuwe voetbalstadion van Sarajevo. Als buitenstaander vraag je je af wat God in hemelsnaam met voetbal te maken heeft. De religieuze ijver is tijdens de oorlog echter zo diep vermengd geraakt met strijdlust tout court, dat de klank en de kleur van Sarajevo er helemaal door bepaald worden. Dat maakt de ouders van Vedrana nerveus en dus zal zij binnenkort haar ouders moeten volgen naar één of ander buitenland, zodra de papieren in orde zijn en de visa verstrekt. Zelfs wie Sarajevo genegen is, ontsnapt niet aan de middelpuntvliedende kracht die door de oorlog op gang gebracht is.

Als de mist optrekt

De blinkend nieuwe, rode VW Passat stopt stipt om acht uur ‘s avonds vóór de ‘Eeuwige Vlam’, een monument ter ere van de gesneuvelden uit de Tweede Wereldoorlog. Mahir Katica en Ensar Selimbegovic stappen uit. Afgeborsteld, galant en knap. Ze stellen voor om iets te gaan drinken op een rustige plaats. Mahir Katica is een selfmade zakenman en de woordenwaterval van het duo. Ensar is de hele avond enkel aanwezig en mooi. Mahir is net 23 jaar en al zeer succesvol op de immobiliënmarkt. Samen met zijn twintigjarige vriend en zakenpartner verdient hij hopen geld door lege huizen, appartementen en kamers op te sporen om vervolgens op te treden als bemiddelaar tussen de eigenaar en de buitenlandse huurders die een tijdje in Sarajevo verblijven. Een maandelijkse huurprijs van 1000 DM vinden ze ‘heel redelijk’. ‘Waarom zouden we minder vragen?’, zegt Mahir. Een deftige woonplaats is zeer gegeerd in Sarajevo en dat weten deze buitenlanders maar al te goed. En de meesten betalen het toch niet van hun eigen salaris. De organisatie waarvoor de huurder werkt, draait meestal op voor de woonkosten van hun werknemers.’ Senada Hodzic had daar een andere mening over. Zij wees op de moeilijkheden die interne vluchtelingen hadden om aan een deftig onderkomen te geraken. ‘Zonder die twintig internationale organisaties en de meer dan 450 ngo’s zou het huisvestingsprobleem makkelijker op te lossen zijn. Al die duizenden buitenlandse werknemers hebben een woonplaats nodig. Een woonplaats die verloren gaat voor de vluchtelingen. Maar de Bosnische regering is machteloos. Zonder de miljarden hulpdollars was er helemaal geen Bosnische Federatie.’

Mahir Katica heeft geen diploma’s -daar heeft de oorlog een stokje voorgestoken- maar dat hindert hem niet in zijn ambities. Het voortreffelijke Engels dat hij spreekt, leerde hij van de televisie en van de buitenlanders met wie hij uitstekende relaties onderhoudt. Over zijn oorlogstijd wil hij weinig kwijt. Maar uit de weinige details die tussen de gewone babbel door toch opduiken, wordt duidelijk dat hij ook die periode overleefde door hier en daar te ritselen. ‘Ik ben een realist’, zegt Mahir, ‘niet zoals al die anderen hier in Sarajevo. Sinds het einde van de oorlog leven we met onze hoofden in laaghangende wolken. Van de ene op de andere dag moesten wij opnieuw de draad van ons leven oppikken alsof er nooit wat gebeurd was. De geldstroom van de internationale organisaties heeft ervoor gezorgd dat wij niet meteen met de desastreuze gevolgen van de oorlog werden geconfronteerd. Maar de dag dat de internationale gemeenschap haar koffers pakt, zal de mist optrekken en zullen de Bosniërs met een klap naar de realiteit terugkeren. Hoe dat moet? Dat is iets voor de toekomst’, zegt Mahir met een glimlach. Ik vraag hem hoe hij zijn toekomst dan ziet. ‘Welke toekomst? Hoe kun je een toekomst uitbouwen als je een deel uit je verleden mist? Ik mis vijf jaar van mijn leven. Zonder overgang veranderde ik van speelse puber in een man. Die verloren jaren knagen aan mij. Zolang ik het gat in mijn verleden niet heb gedicht, leef ik maar half en kan ik ook niet aan een toekomst in Sarajevo denken.’ Mahir wil reizen. De wereld zien, nu het nog kan. Of hij niet wat moet sparen van het vele geld dat hij nu verdient, voor later, vraag ik. Hij zwijgt, maar zijn ogen antwoorden: ze staren in een verre leegte. Mahir gelooft nergens meer in. Na vanavond zelfs niet meer in een onbezorgd avondje uit met twee West-Europese, jonge vrouwen.

Aan ons het buitenland

Leila is een talentvolle studente aan de Kunstacademie. Ze schildert uitsluitend abstracte schilderijen. ‘De realiteit is niet weer te geven, want de ene realiteit verbergt een andere. En elke laag van de werkelijkheid heeft met de andere gemeen dat ze vaak niet fraai is. Op abstracte vormen heb ik een greep. Dat is een realiteit die ik zelf kan vormen en waarin ik me kan terugvinden.’ Dit mooie moslimmeisje, midden twintig, heeft haar korte pagekopje fel acajou gekleurd. De zware opmaak is bijna even abstract als de doeken die ze schildert. Donkergrijze oogschaduw en een felrode mond tegen een bleek gelaat. Haar familie in Banja Luka heeft ze al sinds het uitbreken van de oorlog niet meer gezien. Ze studeerde in Sarajevo en door de bezetting zat ze geblokkeerd. Zonder geld of familie. Ze heeft het overleefd dankzij haar medestudenten. Ze deelden voedsel, warmte, drank en sigaretten en zongen en dansten hun angsten weg met nachtenlange sessies gitaarmuziek. Vandaag kan ze nog steeds niet naar Banja Luka, want de stad ligt nu in de Republika Srpska: verboden gebied voor Leila. Maar Leila wil ook niet terug naar Banja Luka, ze wil zelfs niet in Sarajevo blijven om een toekomst op te bouwen. Deze stad heeft haar niets meer te bieden behalve herinneringen die haar neerslachtig maken. Met haar diploma op zak hoopt ze naar Londen of naar een andere Europese stad te kunnen vertrekken. Haar enige wens is het land te verlaten. ‘Ik heb vijf jaar gevochten om te overleven en nu geef ik het op zonder vechten. Ik wil leven en daarvoor heb ik een andere omgeving nodig’, zegt ze zacht en moedeloos. Even blijft het stil. Daarna schudt ze haar pagekopje, alsof ze zo de oorlog en de onvatbare werkelijkheden van de voorbije jaren van zich af kan schudden, en geeft ons een schitterende glimlach. ‘Kom op, laten we gaan dansen tot we erbij neervallen.’ Leila sleept ons mee naar dancing Senator, de ‘hottest spot’ in Sarajevo. Iedere jongere die gezien wil worden, komt hier naartoe. En dat zijn er heel wat, te zien aan de tieners en twintigers die in een lange rij staan te drummen om binnen te geraken. Dat de eigenaar tot de plaatselijke maffia behoort, doet er niet toe voor al deze fuifnummers. Vanavond betalen ze 50 DM inkomgeld om zich te verliezen in de dreunende ritmes van housemuziek, techno en trance. Vanavond is het feest en morgen zien ze wel weer.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift