Khadaffi en het Internationaal Strafhof: vervangt lawfare warfare?

Op maandag 27 juni vaardigde het Internationaal Strafhof drie arrestatiebevelen uit voor misdaden tegen de mensheid voor het Libische staatshoofd kolonel Muammar Khadaffi, zijn zoon Saif al-Islam Khadaffi en het hoofd van de Libische spionagedienst Abdullah al-Senussi. De arrestatiebevelen komen er na de doorverwijzing van de situatie in Libië door VN-Veiligheidsraad op 26 februari door middel van resolutie 1970 naar het Internationaal Strafhof (ICC). We vragen ons af de verwijzing van VN-veiligheidsraad en de hieruit voortvloeiende arrestatiebevelen wel opportuun zijn.

  • Reuters Hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof Moreno-Ocampo vlak voor een persconferentie over het arrestatiebevel voor Khadaffi Reuters

Praktisch kan verwacht worden dat het uitvaardigen van arrestatiebevelen terwijl het conflict in Libië nog aan de aan de gang is het pervers effect zal hebben dat Khadaffi en co zich nog harder aan de macht zullen vastklampen en zich tot de laatste man zullen blijven verzetten. Meer juridisch vrezen we voor de toekomst van het internationaal rechtssysteem als deze trend om oorlogsvoering aan te vullen met rechtsprocedures zich verder zet. De mogelijkheid van de VN-veiligheidsraad tot verwijzing naar het Hof, wanneer landen geen partij zijn bij het Hof zoals Soedan en Libië, is op middellange termijn gevaarlijk voor de legitimiteit van de internationale strafjustitie. De mogelijkheid tot verwijzing naar het Hof door de VN-veiligheidsraad politiseert immers de werking en het aanschijn van het Hof. Om dat uit te leggen vergelijken we de Libische met de Syrische situatie.

Waarom Khadaffi wel en Assad niet?

In een reactie op de aankondiging van de Procureur van het Hof Moreno-Ocampo dat hij arrestatiebevelen zal vragen voor de drie hierboven genoemde Libiërs, antwoordde het Khadaffi-regime met de vraag: “Waarom komt het Hof niet tussen in Syrië en wel in Libië?” We zijn geen fan van de Khadaffi-clan maar de vraag is terecht. We kunnen hun vraag ook beantwoorden. De situatie in Libië werd naar het Hof doorverwezen omdat de kaarten voor de VN-veiligheidsraad politiek perfect lagen. Het Khadaffi-regime was niet alleen afgevallen door het Westen, maar had ook voor de Arabische Liga en de Organisation of the Islamic Conference alle legitimiteit verloren. Zelf de Afrikaanse Unie, die meestal zeer sceptisch, om niet te zeggen vijandig staat tegenover het Hof, hield zich op de vlakte. Hierdoor konden Rusland en China hun traditionele argument van “non-interventie in interne aangelegenheden” niet aanwenden. De weg lag dus open voor de VN-veiligheidsraad om de Libische situatie door te verwijzen.

Deze politieke voorwaarden om tot een juridisch proces voor het Hof te komen, zijn in de situatie van Syrië niet vervuld, en zullen waarschijnlijk nooit vervuld geraken. De Syrische president Assad geniet veel meer steun in de Arabische wereld en wordt niet als een outlaw beschouwd zoals Khadaffi. De Arabische Liga zwijgt sinds het begin van de Syrische opstand als een graf. De herauten van de staatssoevereiniteit, China en Rusland, staan zoals vaak weigerachtig tegenover elke vorm van internationale inmenging. Samen met Libanon blokten China en Rusland dan ook een Europees voorstel dat de repressie in Syrië enkel woordelijk wou veroordelen dat eind april werd neergelegd in de VN-veiligheidsraad, af.

Hoewel de situatie in Syrië dus juridisch sterke gelijkenissen vertoont met de situatie in Libië – in beide situaties werden en worden naar alle waarschijnlijkheid misdaden tegen de mensheid gepleegd –, zorgen geopolitieke machinaties ervoor dat de situatie in Syrië waarschijnlijk nooit naar het Hof zal worden verwezen.

Internationaal strafrecht politiek gebruikt

Het Syrische voorbeeld dient hier slechts als case study. Er kunnen tal van voorbeelden van situaties worden aangehaald waarin de VN-veiligheidsraad niet dezelfde dadendrang aan de dag legde als in de situatie in Libië, hoewel het juridisch meer dan gerechtvaardigd zou zijn geweest. Zowel naar aanleiding van het conflict in Gaza als in het conflict in Sri Lanka beval de VN-commissie belast met het onderzoeken van de misdaden een doorverwijzing door de VN-veiligheidsraad naar het Hof aan. Omdat dat dit echter niet in het geopolitieke kraam van één of meer van de grootmachten zetelend in VN-veiligheidsraad paste, werden deze aanbevelingen nooit uitgevoerd.

Hoewel de doorverwijzing door de Veiligheidsraad van de situatie in Libië naar het Hof op het eerste gezicht inderdaad een motie van vertrouwen is ten aanzien van het internationaal strafrecht, is het bij het nader inzien toch vooral een handig politiek middel dat de leden van de VN-veiligheidsraad goed uitkomt of ten minste niet ingaat tegen hun belangen.

Deze toenemende verstrengeling van internationale justitie en politiek lijkt op lange termijn nefast te zullen uitpakken voor de legitimiteit van het Hof. Het feit dat strafrechtelijke vervolgingen van het Hof afhankelijk zijn van wat geopolitieke imperatieven dicteren, is naar onze mening schadelijk voor de geloofwaardigheid van het Hof, dat als een professioneel en onafhankelijk Hof moet optreden wanneer nationale strafrechtsmechanismen niet willen of kunnen vervolgen. Indien de VN-veiligheidsraad een zaak wil verwijzen naar het Hof, zou dit consequent en enkel op juridische gronden moeten gebeuren, bijvoorbeeld op aanbeveling van een commissie van VN-experts dat in een rapport oordeelt dat er grote misdaden zijn begaan en een onderzoek door het Hof opportuun lijkt.

Sommigen zullen argumenteren dat een verwijzing van de VN-veiligheidsraad de enige manier is om de schrijnende straffeloosheid in landen die geen lidstaat zijn bij het Hof tegen te gaan. Toch toont in dit opzicht het geval van Soedan aan dat het inschakelen van het Hof tegen landen die geen lid zijn bij het Hof eerder een vergiftigd geschenk is dan een welgekomen opportuniteit. De door het Hof in beschuldiging gestelde Soedanese president Al-Bashir zit nog steeds rustig op de troon in Khartoem. Meer zelf, Al-Bashir tart het Hof door Tsjaad en Djibouti te bezoeken, die normaal juridisch verplicht zijn om Al-Bashir op te pakken en aan het Hof uit te leveren. Met Khadaffi en co lijkt het dezelfde kant op te gaan. Al enkele staten (onder andere usual suspects Soedan, Venezuela en Zimbabwe) hebben Khadaffi politiek asiel aangeboden indien hij Libië moet ontvluchten. Hierdoor wordt enkel maar het beeld geschapen van het Hof als een papieren tijger, en wordt haar legitimiteit alleen verder ondergraven.

Toch maar liever oorlog

Aangezien het illusoir is om te denken dat VN-veiligheidsraad in de toekomst de een situatie naar het Hof verwijst op basis van objectieve juridische criteria, lijkt het ons beter dat het Hof zich concentreert op de misdaden gepleegd in landen die het Hof vrijwillig hebben erkend. Het actieterrein van het Hof wordt zo dan wel verkleind, maar op lange termijn lijkt dit beter voor de integriteit en de legitimiteit van het Hof. In landen die het Hof effectief erkennen, heeft het Hof trouwens ook meer armslag. De drie processen die momenteel voor het Hof gaande zijn, betreffen allemaal situaties in landen die het Hof erkend hebben: het Lubanga-proces en het Katanga- en Ngudjolo Chiu-proces met betrekkeing tot de situatie in Congo en het Bemba-proces in verband met de situatie in Centraal Afrikaanse Republiek. Ook in de situatie van Kenia lijkt die trend zich door te zetten. De zes Kenianen door Moreno-Ocampo aangeduid als hoofdverantwoordelijken voor het postelectoraal geweld in Kenia kwamen op 18 april vrijwillig opdagen op een inleidende zitting voor het Hof. Ook de bewering dat het Hof in deze situaties zou optreden als een politiek geïnspireerd, of erger nog, neokoloniaal instituut is dan uit de lucht gegrepen, aangezien erkennende staten door hun ondertekening van het verdrag tot oprichting van het Hof vrijwillig juridische verplichtingen op zich hebben genomen.

Verder moet alles ingezet worden op een wereldwijde ratificatie van het verdrag tot oprichting van het Hof zodat dit een waar Internationaal Strafhof met universele jurisdictie kan worden. Dit belooft ongetwijfeld een werk van lange adem te worden, maar toch kan het ook soms erg snel gaan. Tunesië ratificeerde recent als 116de land het Statuut van het Hof. Ook Egypte verklaarde na de gelukte volksopstanden toe te willen treden tot het Internationaal Strafhof. De vraag naar democratie lijkt dus hand in hand te gaan met een vraag naar justitie en gerechtigheid. Een reden te meer om de nog aan de gang zijnde opstanden in de Arabische Wereld onvoorwaardelijke steun toe te dichten, maar niet door nu het Hof in Den Haag in te schakelen tegen een regime dat het Hof niet erkent. Dan toch maar liever oorlog.

Paul De Hert en Mathias Holvoet zijn respectievelijk professor en onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel, onderzoeksgroep Fundamental Rights and Constitutionalism

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift