Kijken naar andere culturen

In het Amsterdamse Koninklijk Instituut voor de Tropen loopt de tentoonstelling ‘Honderd jaar antropologie’. Een eeuw kijken naar en studeren op andere culturen. In al die tijd is de wereld verkend en onderzocht, maar de ander kreeg ook een gezicht, een stem, meer inspraak. Vandaag veroorzaakt de globalisering een steeds grotere culturele vermenging. Wat lokt ons nu naar een Afrikaanse expositie over ‘Hemelse kruiden en aardse kwalen’ en met welke ogen kijken we vandaag naar een tentoonstelling over ‘Koppensnellers op Borneo’?
‘Prestigieuze gebouwen om dingen in te bewaren, zoals musea en universiteiten, geven waarde aan elementen die uit de context van het leven zijn geïsoleerd: op deze manier lijken het wel kerkhoven,’ schreef de antropoloog James Clifford eind de jaren tachtig.

Sinds die kritiek doen tal van musea hun best om het stof van hun schatten te blazen en interactief en transcultureel aan de slag te gaan. Tentoonstellingen spelen almaar meer in op de band tussen de kijker en de wereld die bekeken wordt. Die band is, in de loop van de afgelopen eeuw, ook hechter geworden. Snellere communicatiemiddelen, verre reizen, de aanwezigheid van migranten en vluchtelingen in onze eigen samenleving zorgen ervoor dat andere culturen steeds dieper binnendringen in ons dagelijks leven.

Schedelmeters en haarstalenkaarten

Over heel die evolutie in het studeren op en kijken naar andere culturen loopt een tentoonstelling in het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) in Amsterdam. ‘Geen geschiedenisverhaal, maar de evocatie van een evolutie,’ aldus Itie van Hout, conservator in het KIT en ontwerper van deze tentoonstelling. Die evolutie wordt getoond aan de hand van vier antropologische ‘scholen’, visies die in de loop van de tijd achterhaald maar niet volledig achterwege gelaten werden. Die visies worden telkens gekoppeld aan hedendaagse vraagstukken over mens, milieu en ontwikkeling. Dat er een lange weg is afgelegd, blijkt al bij de eerste stand, die het evolutionisme toont. Je kan het je vandaag nog nauwelijks inbeelden hoe eind vorige eeuw de fysisch antropologen met schedelmeters, haarstalenkaarten en huidskleurkaarten naar verre landen trokken om de verschillende rassen te bestuderen en daaruit allerlei conclusies te trekken over de intellectuele begaafdheid van de mensen, een theorie die sinds de Tweede Wereldoorlog volledig achterhaald is.

In het diffusionisme, dat vooral begin deze eeuw opgang kende, gingen de antropologen er van uit dat bepaalde gemeenschappelijke elementen die in uiteenliggende culturen tegelijk voorkwamen, hun oorsprong vonden in de dominantie van gemigreerde groepen op de lokale bevolking. Die stelling werd inmiddels weerlegd, maar krijgt in een geglobaliseerde wereld een nieuwe dynamiek wanneer je ziet hoe Kuna-indianen uit Panama bijvoorbeeld Batman-figuurtjes borduren in hun typische handwerkjes.

Lekker weertje, mijnheer

Sinds het structuralisme, in de jaren vijftig, beginnen antropologen veldwerk te doen en groeit het besef dat cultuurelementen hun betekenis krijgen binnen het ruimere geheel van die samenleving. De tentoonstelling toont dit aan de hand van houtsnijwerk van de Surinaamse bosnegers en het onderzoekswerk van antropoloog Joselin de Jong, voorloper van Levi-Strauss. De reeks van honderd en één schilderijtjes waarin de Congolese schilder Tshibumba Kanda Matulu in de jaren zeventig, als resultaat van een voortdurend gesprek met de Nederlandse antropoloog Fabian, de geschiedenis van zijn land schildert vanuit een eigen interpretatie is een intrigerende illustratie van de stand van zaken in de hedendaagse antropologie. Achter dit paneel, in een donker hoekje, loopt de video ‘Lekker weertje, meneer’, van een Nepalees antropoloog die in 1989 veldwerk deed in Schoonrewoerd, een streng Calvinistisch dorpje in Nederland. Intussen zijn namelijk die vreemde volkeren ons beginnen bestuderen. Bij elke periode horen foto’s, die de evolutie schetsen van de manier waarop het KIT die andere culturen toonde: van overvolle vitrines met gebruiksvoorwerpen uit het dagelijkse leven vroeger, tot sober ingevulde maar artistiek verzorgde etalages vandaag. ‘De grote lijn die je in die honderd jaar terugvindt,’ legt Itie van Hout uit, ‘is een evolutie naar een steeds grotere gelijkwaardigheid tussen onderzoeker en onderzochte. Het is niet meer de arrogante westerling die de ander als object komt bestuderen. Er is meer wederkerigheid gegroeid.’

Een nieuwe lente, een nieuwe antropologie

Die groei naar gelijkwaardigheid is niet zonder slag of stoot gegaan. Volgens Eugeen Roossens, professor Sociale en Culturele antropologie aan de KUL, is de dekolonisatie, in de jaren vijftig en zestig, van cruciaal belang geweest. ‘Die periode heeft tot fundamenteel andere verhoudingen in de wereld geleid’, aldus Roossens. Hoewel de balans nog sterk naar het Westen overhelt en een nieuwe kolonisatie op economisch vlak in volle expansie is, een tendens die ongetwijfeld zijn weerslag heeft op de brede cultuur van een volk. Dat is ook een niet te stuiten proces waarvoor volgens Roossens niet alleen de markteconomie verantwoordelijk is. ‘Overal ter wereld willen de mensen de beste goederen, een betere huisvesting en een goede gezondheidszorg. Dat beantwoordt aan een wetmatigheid die in de mensen zelf gelegen is.’ Toch zijn de verschillen nog wel degelijk aanwezig en vaak dieper geworteld dan we op het eerste gezicht menen. De relevantie van de antropologie vandaag, vindt professor Roossens, is de dwingende noodzaak om, in een zo snel veranderende wereld, precies over die verschillen beter te leren communiceren, elkaar beter te begrijpen,om zo een wereld te creëren die meer kans heeft op vrede dan de huidige. Om samenlevingen mogelijk te maken waarin iedereen menswaardig kan leven.’ Mondialisering en relaties tussen verschillende etnische groepen vormen vandaag dan ook het thema van heel wat antropologische studies.

Een nieuw exotisme, een nieuwe kolonisatie

Intussen heeft de antropologie er alleszins toe bijgedragen ons superioriteitsgevoel te relativeren.Vandaag is het duidelijk dat in de cultuur van het zo rationele Westen heel wat irrationele elementen verweven zitten. Precies op het vlak van die irrationele dimensies vinden er een heel wat uitwisselingen plaats tussen westerse en niet-westerse culturen. Een tentoonstelling als die van ‘Hemelse kruiden en aardse kwalen’ speelt perfect in op die tendens. Deze tentoonstelling over de ‘etnofarmacologie’, de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van inheemse medicijnen en vergiften, toont Afrikaanse natuurgeneesmiddelen, drugs en vergiften, traditionele attributen van genezers, -zoals tabaks- en hasjpijpen-, beelden en maskers, magische objecten en medische instrumenten. De expositie wil vooral de aandacht vestigen op de holistische aanpak in de Afrikaanse geneeswijzen en sluit sterk aan bij het werkdomein van de natuurgeneeskunde hier. Toch waarschuwt professor Roossens voor een nieuwe vorm van kolonisatie. ‘Exotismen kunnen ook een vorm van kolonisatie zijn’, meent Roossens. ‘Er valt nog heel wat te krijgen van de anderen, als men vanuit het Westen kijkt. Men speculeert op het vlak van datgene wat niet bewezen kan worden en ik heb er mijn grootste twijfels over of daarin de verrijking ligt. Het is misschien voor de zoveelste keer ons bedienen van die andere culturen om onze eigen noden te lenigen.’

En hoe kijken we dan vandaag naar een tentoonstelling over ‘Dodenrituelen en koppensnellerij bij de Dayak op Borneo’? Deze tentoonstelling, die het hele culturele kader van de Dayak probeert op te roepen en dergelijke gebruiken situeert in hun context, wil uiteindelijk een beschaving tonen die in toenemende mate onder druk komt te staan door het slinkende oerwoud en de bedreigde natuur. Toch kunnen we vandaag dergelijke praktijken moeilijk kaderen en roept zo’n expositie opnieuw een oud beeld op van ‘primitieve volkeren’ die beschaafd moeten worden. Professor Roossens: ‘Koppensnellerij is uiteindelijk dezelfde betekenis als de gaskamers van Hilter. In mensen zitten wreedheden die in bepaalde culturen geïnstitutionaliseerd werden, zoals kannibalisme, koppensnellerij, of vrouwenbesnijdenis.’ Ook al wordt vaak ter verontschuldiging aangevoerd dat je zulke elementen binnen de context van die cultuur moet situeren. ‘Je kan niet alles wegrelativeren’, vindt Roossens. Het absoluut uitbuiten van de ander, waarin het Westen ook sterk geweest is, is onaanvaardbaar vandaag. Antropologie heeft er evengoed toe bijgedragen algemeen menselijke waarden te onderscheiden, over de culturele verschillen heen.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.