Kivu: een lappendeken van gewapende groepen

Specialist Centraal-Afrika Kris Berwouts betoogt dat de berichtgeving over Oost-Congo te veel verengd wordt tot de M23. Hij overschouwt het hele landschap van gewapende groepen, die allemaal een sterk etnische connotatie hebben, in de context na de verkiezingen.

  • Kris Berwouts.

Op 28 november 2011 werd de Congolese president Kabila herkozen in verkiezingen die iedereen als controversieel beschouwde. Zijn belangrijkste internationale partners verwachtten de volgende maanden een teken van goede wil en democratische openheid.

Een eerste optie bestond erin de oppositie te betrekken bij het beleid, maar dat was om verschillende redenen niet haalbaar. De tweede optie was de gezochte oorlogsmisdadiger Bosco Ntaganda uit zijn functies te ontzetten en uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. Hij had in januari 2009 Laurent Nkunda vervangen aan het hoofd van het CNDP en was door de integratie van die rebellengroep in het ‘reguliere’ leger een van de sleutelfiguren binnen dat leger geworden. Maar in maart 2012 zag het ernaar uit dat Ntaganda dus gearresteerd zou worden. Hij anticipeerde daarop door zich met getrouwen terug te trekken in de heuvels van Noord-Kivu. Andere ontevreden officieren voegden zich daar bij hem en in april groeide die beweging uit tot M23, de jongste tak aan de RCD-CNDP-boom, de elkaar opvolgende generaties van door Congolese Tutsi geleide rebellengroepen in het oosten van Congo.

Het jaar van M23

Net als zijn voorgangers kon ook M23 rekenen op actieve steun uit Rwanda. De rebellie leidde tussen mei en oktober een redelijk sluimerend bestaan met een paar honderd soldaten op een vrij kleine oppervlakte, maar toen M23 op 20 november 2012 met stevige militaire steun uit Rwanda Goma veroverde, leek het plotseling alsof het conflict niet alleen Congo maar de hele regio in een open oorlog zou kunnen meesleuren.

Er werden grote diplomatieke middelen ingezet en onder impuls van algemeen secretaris¬ Ban Ki-moon van de Verenigde Naties kwam in februari 2012 een kaderakkoord tot stand, waarin niet alleen de buurlanden maar ook de zuidelijk Afrikaanse Ontwikkelingsgemeenschap SADC en de Afrikaanse Unie een actieve rol kregen. De kernelementen van het akkoord waren het aanstellen van een VN-Gezant voor de Grote Meren (Mary Robinson, voormalige presidente van Ierland) en een versterking van MONUSCO, de VN-blauwhelmen voor Congo, met een robuust mandaat. Die troepen zullen geleverd worden door de landen van zuidelijk Afrika.

In de twaalf maanden dat de M23-crisis nu al aansleept, is de regio opnieuw aan de rand van een open oorlog gekomen. Het ziet er naar uit dat het toch mogelijk is geweest om het ergste te vermijden. Maar de Congolese staat, die toch al was verzwakt na de omstreden verkiezingen van november 2011, komt er in elk geval belabberd uit. De wereldpers heeft het jaar van M23 met tussenpozen intensief gevolgd. Helaas werd de berichtgeving over Congo te vaak verengd tot Kivu, werd de problematiek van Kivu beperkt tot M23 en werd de discussie over M23 vaak exclusief toegespitst op de Rwandese steun aan die beweging. Dit stuk wil de gebeurtenissen van het laatste jaar in het perspectief plaatsen van de gewapende groepen in het oosten van Congo, in een poging om zicht te krijgen op het hele landschap van de verschillende milities en hun etnische connotatie, in de context na de verkiezingen.

Een gelaagd conflict

Het oosten van Congo is het terrein van minstens drie conflicten die natuurlijk sterk met elkaar verweven zijn, maar niet tot een en hetzelfde kunnen worden herleid. Ten eerste is er de strijd om de controle over de staat in een land dat enkele dagen na zijn onafhankelijkheid zijn eerste implosie kende en dat een belangrijke pion werd op het schaakbord van de Koude Oorlog. Een land waar corruptie en slecht bestuur uiteindelijk zulke proporties hebben aangenomen dat we er het woord kleptocratie voor moesten uitvinden en waar het bewind van Mobutu de staat heeft leeggezogen tot die halfweg de jaren 1990 helemaal verkruimelde.

Een tweede conflictlaag komt voort uit het doorstromen van het Rwandese conflict naar Congolees grondgebied. De vlucht van twee miljoen Hutu’s naar het toenmalige Zaïre aan het eind van de genocide heeft Kivu grondig ontregeld en lag aan de basis van de actieve rol die Rwanda speelde bij de val van het Mobutu-regime. Sindsdien is de gewapende oppositie tegen Kigali (de FDLR) aanwezig in Congo en steunt Rwanda de verschillende generaties van door Congolese Tutsi geleide rebellengroepen in Kivu.

Ten derde is er de wedloop om de natuurlijke rijkdommen van Congo, die al decennialang buiten de staat om worden ontgonnen. De plundering van de Congolese grondstoffen is al heel lang bezig. Onder Mobutu gebeurde dat via de parallelle circuits van de Président-Fondateur. De oorlogen van de jaren 1990 waren niet het begin van de plundering van Congo, maar voor het oosten van het land veranderde toen wel de richting, met Kigali en Kampala als belangrijkste tussenhaltes naar de wereldmarkt.

Die drie conflictlagen vallen in Kivu samen met een lokale situatie die op zich al complex is door de problematische relatie tussen etnische groepen en een demografische druk – twee factoren die het conflictpotentieel van een prangend tekort aan grond drastisch verhogen. Dat geheel vormt de achtergrond waartegen we het probleem van de gewapende groepen in het oosten van Congo moeten situeren.

De nasleep van de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog

Al die spanningsvelden kristalliseerden zich in wat men de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog is gaan noemen, een open oorlog die duurde van 1998 tot 2002. Daarbij onttrokken rebellengroepen een groot deel van Congo aan de controle van de regering en hadden verschillende Afrikaanse landen troepen op Congolese bodem. Het militaire landschap in het oosten van Congo versplinterde: de belangrijkste rebellie kende haar eigen splitsing, drie buurlanden (Rwanda, Burundi en Oeganda) hadden niet alleen hun eigen troepen in Congo maar ook nog één of meer gewapende oppositiegroepen die werkten vanop Congolese bodem, binnen het rebellengebied ontstonden allerlei vormen van gewapend verzet, al dan niet gesteund door Kinshasa.

Uiteindelijk vormden een intercongolese Dialoog (2001) en het terugtrekken van de buitenlandse troepen (2002) de belangrijkste bouwstenen van een vredesakkoord dat een transitie mogelijk maakte (2003 – 2006). De overgangsregering organiseerde in 2006 verkiezingen, die werden gewonnen door zittend president Kabila, die dus begon aan een eerste mandaat als president van de Derde Republiek. In 2011 werd hij herkozen in de omstandigheden die we kennen. Intussen evolueerde de situatie in het oosten van Congo van open oorlog naar een conflict van lage intensiteit, maar nooit kwam het tot duurzame stabiliteit, laat staan vrede.

Dat komt onder andere doordat de overgangsregering noch de instellingen van de Derde Republiek nadien erin geslaagd zijn de lappendeken van gewapende groepen en voormalig strijdende partijen onder te brengen in een eengemaakt, gedisciplineerd en goed werkend leger. Daar zijn verschillende redenen voor. Eerst en vooral vertoonden de betrokken gewapende groepen een manifest gebrek aan politieke wil om de greep op hun strijdkrachten helemaal los te laten. Sommige groepen hielden een aantal militieleden achter de hand en hielden voor het deel van hun troepen dat ze wel integreerden vaak parallelle commandolijnen in stand. Ten tweede was er gebrek aan logistiek en infrastructuur. Om miliciens samen te brengen in één leger, zijn er plaatsen nodig waar ze verzameld en gevormd worden – kazernes – en ook middelen om ze te vervoeren naar andere regio’s. Die kazernes en vervoermiddelen zijn er niet of amper.

Een belangrijke hinderpaal bij de eenmaking van het leger is dat het leger in zijn huidige vorm, met alle mogelijke schemerzones en mazen in het net, de legerleiding de kans biedt om zich zwaar te verrijken door zich de middelen voor wapens, rantsoen, soldij, militaire operaties, enzovoort toe te eigenen. Sommige waarnemers stellen niet alleen een groot gebrek aan engagement vast bij het bewind, maar zien zelfs een actieve boycot. Een goed georganiseerd leger zou immers wel eens kunnen uitgroeien tot een autonome machtsbasis, die het regime vroeg of laat in vraag zou kunnen stellen. En natuurlijk speelt ook het gebrek aan impact van de internationale gemeenschap een rol in dit dossier. Verschillende landen en multilaterale instellingen hebben zwaar geïnvesteerd in de eenmaking, maar onder meer door gebrek aan een gedragen visie en coördinatie zijn er enkel teleurstellende resultaten geweest.

Versplinterd militair landschap

Het probleem van de gewapende groepen is dus blijven bestaan. Al betekent dit niet dat het landschap stabiel is gebleven. Integendeel, het is constant veranderd door nieuwe pogingen om groepen te integreren, door de splitsing van bepaalde milities, door het ontstaan van nieuwe coalities die al dan niet een lang leven beschoren waren. Soms leidde een integratie tot massale desertie van soldaten die niet konden begrijpen dat de mensen tegen wie ze jaren hadden gestreden plotseling hun militaire overste werden. Ook de gewapende oppositie uit de buurlanden bleef aanwezig op het terrein, in sommige gevallen met tussenpozen. Onlangs publiceerde Jeune Afrique hierover een interessante overzichtskaart. Alle groepen bezondigen zich in mindere of meerdere mate aan plundering van grondstoffen en beroving van de bevolking en voor sommige groepen is banditisme de enige reden van bestaan.

Volgens MONUSCO zijn er op dit ogenblik meer dan dertig gewapende groepen in het oosten van Congo. Het grootste deel daarvan telt hooguit een paar honderd strijders of minder. De meeste gewapende groepen hebben een duidelijk etnisch profiel: ze zijn ontstaan binnen één bepaalde etnische gemeenschap als instrument om die gemeenschap te verdedigen in een gewelddadige context waarin individuen en gemeenschappen voor hun bescherming niet kunnen rekenen op de staat omwille van de straffeloosheid en een totaal gemilitariseerde economie. Door de organische band tussen etnische gemeenschap en gewapende groep is het aantal militieleden onmogelijk te schatten. Als de gemeenschap voelt dat ze onder druk komt te staan, sluiten de rekruten wel vanzelf weer aan.

En dat deden ze dus ook in de periode voor de verkiezingen van 2011. Verkiezingen zijn in Afrika vaak een moment van onzekerheid en potentieel geweld – en dat geldt zeker in het oosten van Congo, waar de bladzijde van het conflict nooit echt is omgeslagen. Op dat moment zag je daar een militair landschap dat zich mobiliseerde, maar niet in beweging kwam. De mobilisatie gold als een soort beschermingsreflex. Tegelijk wachtte iedereen af wat er uit de (stem)bus zou komen, in het besef dat de verkiezingen de kaarten grondig zouden herverdelen. De mobilisatie gold dus ook als plan B voor tegenvallende resultaten. Erg belangrijk was de schemerzone tussen politiek en gewapende groepen, waarbij kandidaten op nationaal en provinciaal niveau zich graag positioneren in het militaire landschap om wat ruggengraat te geven aan hun kandidatuur en hun naam bij te schrijven op de lijst van politici die ertoe doen omdat ze enige capacité de nuisance hebben. In dat geval dient de mobilisatie als gespierde ondersteuning van politici die weten dat hun boodschap flinterdun is. Het gebeurt wel vaker in Afrika dat geweld dat verband houdt met verkiezingen pas na de verkiezingen uitbreekt. Het was helemaal niet uitgesloten dat dit ook nu zou gebeuren.

Meer dan M23

En het gebeurde dus inderdaad. We stelden in de inleiding dat het desavoueren van Bosco Ntaganda aan de basis lag van de beweging die nadien uitgroeide tot M23, maar het is een vergissing om die hele periode enkel te zien als de zoveelste confrontatie tussen de regering en een door Tutsi geleide rebellengroep. Een groot deel van het militaire landschap kwam in beweging en dat woog zwaar op de verhouding tussen etnische groepen. De moordpartijen met de meeste slachtoffers vonden vermoedelijk plaats tussen Nyatura (militie van de Congolese Hutu) en Raia Mutomboki (of althans het door Tembo geleide deel ervan). In de marge van de inname van Goma door M23 viel de FDLR (Rwandese Hutu waarvan een deel van de leiders mee verantwoordelijk was voor de genocide) voor het eerst sinds jaren doelwitten in Rwanda aan.

Binnen dat landschap probeerden zowel M23 als de regering allianties te vormen. Begin 2013 probeerde Kinshasa bijvoorbeeld een brede alliantie van vijf gewapende groepen te smeden rond Janvier Buingo Karairi, de bevelhebber van de Hunde-militie APCLS. In de Ruzizi-vlakte liepen de spanningen hoog op tussen de Barundi (een Congolese etnische groep met roots aan de andere kant van de grens) en Bafulero. En dat lijstje kunnen we nog wel even blijven aanvullen. Alleen al het parcours van Raia Mutomboki is fascinerend: de groep leidde jaren een sluimerend bestaan in Shabunda en werd dan op korte tijd groot en krachtig, onder meer omdat de gedecentraliseerde bottom-upstructuur hem dynamisch en flexibel maakte. Maar toen de groep hoopte aan efficiëntie te winnen door zich wat meer te structureren, liep hij tegen zijn eigen grenzen aan: het gebrek aan structuur verdoezelde ook het gebrek aan cohesie en de zoektocht naar structuur legde dus de verdeeldheid bloot.

Een oplossing van de oude school

Het is niet onwaarschijnlijk dat we afstevenen op het einde van de M23-crisis door M23 opnieuw te integreren in het leger. Dat wordt dan een old school-oplossing, waarbij wat ademruimte wordt gekocht met graden en geld. Maar de problemen liggen natuurlijk veel dieper: Congo worstelt nog altijd met zijn legitimiteit, die slechts gedeeltelijk is hersteld in de verkiezingen van 2006 en na 28 november 2011 opnieuw in vrije val is gekomen. Het land worstelt met een veiligheidsprobleem dat zal blijven bestaan zolang de buurlanden hun inmenging en proxy wars niet stoppen en zolang het niet lukt een geloofwaardig leger neer te zetten waardoor de burger zich beschermd voelt. Zo’n leger zal er niet komen zolang bad governance de toon aangeeft. En ook de grondproblematiek moet worden aangepakt, want die ondermijnt het vreedzame samenleven van gemeenschappen. Het valt dus af te wachten in welke mate een nakend old school-akkoord een eerste stap zal zijn naar duurzame stabiliteit.

Kris Berwouts is licentiaat Afrikaanse Taalkunde en geschiedenis en werkte 25 jaar voor verschillende ngo’s. Sind januari werkt hij als zelfstandig analist en consultant rond Centraal-Afrika.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift