Klein alfabet van de financiële sector

Er bestaan hele woordenboeken met vakjargon uit de sector. In dit stukje geven we een piepkleine selectie van termen die nuttig kunnen zijn bij het lezen van dit cahier, of bij het ontcijferen van een of ander krantenartikel. Voor de definities gingen we te rade bij enkele erg interessante inleidende werken, woordenboeken en websites. U vindt een lijstje achteraan.
Aandeel : wie een aandeel van een vennootschap of een onderneming koopt wordt mede- eigenaar (dat is een groot verschil met obligaties die een vordering zijn op de uitschrijver van de obligaties). Als de vennootschap een deel van de winst uitkeert heeft de aandeelhouder recht op een evenredig deel daarvan (het dividend). Aan aandelen zijn risico’s verbonden. Het dividend is onzeker, afhankelijk van het feit of er winst is, hoeveel, en welk deel van de winst het bedrijf wil uitkeren. Daarnaast staat ook de waarde van het aandeel zelf niet vast. Aandelen zijn normaal overdraagbaar, dus niet persoonsgebonden.

Activa: zijn de bezittingen van de vennootschap. Ze staan tegenover de passiva die de verplichtingen van de vennootschap weergeven. Er wordt ook nog onderscheid gemaakt tussen vaste activa (zoals gronden, gebouwen, machines, enz.) en vlottende (voorraden, vorderingen, beleggingen op korte termijn, enz.) In de context van dit cahier is er vooral sprake van financiële activa. Daarmee wordt bedoeld: effecten, obligaties, aandelen, afgeleide producten, enz.

Afgeleide producten (derivaten of derivatives): zijn financiële producten waarvan de waarde wordt bepaald door een ander financieel product op de markt (de zogenaamde ‘onderliggende waarde’). Die onderliggende waarde kan een aandeel zijn, een levering cacao, een hoeveelheid goud of zilver, enz. Het bekendste afgeleide product is de optie. Wie een optie neemt op cacao koopt geen cacao, maar het recht om op een bepaald moment tegen een bepaalde prijs cacao te kopen. Het gaat dus om afspraken, en niet om echte posities op de markt.

Arbitrage: het gelijktijdig kopen en verkopen van identieke producten (bv. effecten of valuta) op verschillende markten om winst te halen uit het prijsverschil.

Baisse: dalende trend.

Basispunt: een honderdste van een percent (dus 0,01%); dit is de kleinste eenheid waarin opbrengst, daling of stijging van koersen worden aangegeven.

Bear (beer): marktagenten worden ingedeeld in Bulls en Bears. De Beren gaan er van uit dat de marktkoersen zullen dalen en zijn eerder geneigd tot verkopen. Beren nemen een korte positie op de markt.

Beleggingsinstellingen: instellingen die beleggingsgeld aantrekken van personen of groepen en dat beleggen in vermogenswaarden (aandelen, obligaties, vastgoed, enz .) De instelling geeft op basis van dit belegd vermogen zelf aandelen uit. Ze worden meestal opgericht door financiële instellingen. Bekende voorbeelden zijn

pensioenfondsen, beveks, enz.

Belfox: de Belgische beurs voor futures en opties.

Bel- 20 index: de Belgische beursindex. De Bel-20 is gebaseerd op de aandelen van de 20 belangrijkst geachte beursgenoteerde bedrijven op de Brusselse beurs.

Betalingsbalans: het overzicht (of het saldo) van de transacties die een land in een bepaalde periode doet met het buitenland.

Beurscommissie: in België is dat de raad van bestuur van de effectenbeursvennootschap die de beurs bestuurt. Ze organiseert de dagelijkse gang van zaken op de beurs.

Beursmakelaar (Broker): agent die in opdracht van individuen of vennootschappen orders mag uitvoeren op de beurs. De makelaar kan een individu zijn of een bedrijf.

Beursindex: deze index geeft de evolutie weer van de koers van een pakket representatieve aandelen op de beurs. De bekendste zijn de Dow Jones (gebaseerd op 30 VS aandelen van industriële bedrijven), de FTSE (Groot-Brittannië), de Nikkei (Japan). In België hebben we de Bel-20. Sommige banken (zoals de BBL) berekenen hun eigen beursindex.

De Dow Jones is de bekendste index voor de VS. Toch gebruiken beursagenten er doorgaans een andere index als referentiepunt, de Standard &Poor 500. Beursvennootschappen: zijn de aandeelhouders van de effectenbeursgenootschap. Ze mogen elk intekenen op hoogstens 5% van het kapitaal. Zij worden streng gecontroleerd door de CBF (Commissie van het Bank- en Financiewezen), door het interventiefonds van de beursvennootschappen, enz.

Bevak: beleggingsvennootschap met vast kapitaal, naar Belgisch recht . In Luxemburg vind je de Sicaf (société d’investissement à capital fixe). De bevak is een gesloten fonds. Bij de start wordt een bepaald aantal deelbewijzen gecreëerd. Dat aantal wordt nadien niet meer aangepast.

Bevek: beleggingsvennootschap met variabel kapitaal, naar Belgisch recht. In Luxemburg de Sicav (société d’investissement à capital variable). De bevek is een open fonds. De beveks zijn fiscaal voordelig. Ze kunnen de roerende voorheffing recupereren op de dividenden van de Belgische vennootschappen waarin ze beleggen.

BIB: Bank voor Internationale Betalingen, cf. BIS.

BIS: Bank for International Settlements. De Bank voor Internationale Betalingen verzorgt onder meer het betalingsverkeer tussen nationale centrale banken; je zou ze de centrale bank van de centrale banken kunnen noemen; ze is gevestigd in Bazel en speelt ook een belangrijke rol in het toezicht op de financiële sector.

Bull (stier): marktagenten worden ingedeeld in Bulls en Bears. De stieren gaan er van uit dat de marktkoersen zullen stijgen en zijn eerder geneigd tot kopen van effecten of bepaalde valuta. Een bull market is dan ook een markt waarin de koersen stijgen, of waarin het de verwachting is dat de koersen zullen stijgen. Een bull neemt een lange positie op de markt.

Call optie: (kijk bij optie).

Commissie van het bank- en financiewezen: de vroegere bankcommissie. Ze speelt een belangrijke rol in de controle van alles wat op de Belgische financiële markten gebeurt. Ze staat onder ander in voor het toezicht op de financiële instellingen, de beursvennootschappen, de effectenmarkten en de financiële informatieverstrekking.

Contantmarkt: waar elk gekocht aandeel onmiddellijk betaald dient te worden en elk verkocht aandeel onmiddellijk geleverd wordt.

Coupon: het vast bedrag dat als opbrengst van een schuldpapier (meestal een obligatie) jaarlijks door de uitschrijver van het schuldpapier aan de houder ervan wordt betaald. Wordt uitgedrukt in % van de nominale waarde.

Deposito: een geldbedrag dat voor een bepaalde korte termijn op een rekening bij een financiële instelling wordt geplaatst.

Deviezen: vreemde valuta.

Dividend: winstuitkering op aandelen. Ook als er winst gemaakt wordt is het niet altijd zeker of de onderneming dividend uitkeert. Ook het % van de winst dat aan de aandeelhouders in een bepaald jaar wordt uitbetaald ligt niet vast.

Effect: verzamelnaam voor de waardepapieren die op beurzen worden verkocht (aandelen, obligaties, enz.)

Emissie: het uitgeven van effecten.

Eurodollars: US dollars in deposito bij banken buiten de VS, die dus ook aan de jurisdictie van de VS ontsnappen. Het kan gaan om buitenlandse banken of om buitenlandse branches van VS banken.

Forward contract: dit zijn de traditionele termijncontracten. Ze worden op maat afgesloten in onderling overleg tussen de partijen, meestal met bemiddeling van banken. Ze worden meestal ook niet op de beurs verhandeld.

Futures: gestandaardiseerde termijncontracten die op een beurs worden verhandeld. Behalve de prijs staat alles vast: kwantiteit, kwaliteit (bepaald t.o.v. een referentiekwaliteit), leveringsplaats en –datum. Futures staan tegenover de forward contracten.

G-7: de zeven belangrijkste industrielanden: Canada, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Japan en de Verenigde Staten. De staatshoofden van die landen komen sinds 1975 jaarlijks samen, meestal begin juli. Die vergadering wordt G-8 genoemd sinds ook de Russische Federatie eraan deelneemt.

G-10: de 10 rijkste lidstaten van het IMF en de Wereldbank die in 1962 de Algemene Leenakkoorden (General Agreements to Borrow) ondertekenden. Sinds 1976 is ook Zwitserland volwaardig lid van de groep.

G-24: groep die de vertegenwoordigers van de lidstaten van het Zuiden binnen het IMF omvat. Treedt op als woordvoerder van de ontwikkelingslanden.

Geconsolideerde balans: balans van een hele bedrijfsgroep, waarbij de activa en passiva van moeder(s) en dochters bij elkaar geteld zijn.

Geldmarkt: markt in gelddeposito’s en rentedragende effecten op korte termijn (meestal met een looptijd tot en met één jaar).

Handelsbalans: een deelrekening van de betalingsbalans waarop de waarde van de invoer en de uitvoer van goederen wordt opgetekend.

Hausse: trend van stijgende koersen.

Hedgefund (of hefboomfonds) : fonds dat met grote bedragen aan geleend geld (soms zeer riskante) posities inneemt op financiële markten. De meeste hefboomfondsen werken met een selecte club van kapitaalkrachtige inschrijvers die een behoorlijk minimum aan kapitaal kunnen binnenbrengen. Het management werkt op percent (doorgaans 1% van de middelen, 20% van de winst). Ze zijn privé, weinig of niet gecontroleerd, en kunnen zowat heel het gamma van financiële instrumenten bespelen. Een ‘fund of funds’ is een soort superhefboomfonds dat middelen van hedgefundinvesteerders spreidt over verschillende hefboomfondsen (met minder risico, maar met doorgaans een hogere premie voor het management).

Hedging: een hedgingoperatie is een soort verzekering. Een handelaar beperkt het risico op de cashmarkt (of voor de aankoop van een reëel product) door het innemen van een tegengestelde positie op de termijnmarkt. Bijvoorbeeld: iemand koopt op de spotmarkt een lading cacao die hij pas een maand later zal kunnen verkopen. Hij loopt het risico dat de cacaoprijs in die maand met 10% daalt. In dat geval maakt hij een fors verlies. Hij kan nu ‘hedgen’ door een ‘put optie’ te nemen ( bijvoorbeeld forward contract) die hem het recht geeft om binnen een maand eenzelfde hoeveelheid cacao te verkopen tegen de prijs die hij voor zijn lading heeft betaald. In dat geval maakt hij winst noch verlies. Hedging kan ook gebruikt worden voor speculatie. In het geval van onze cacaohandelaar bijvoorbeeld door een optie te nemen op verkoop tegen de huidige prijs plus 10%.

Hefboomeffect: in deze context kan hefboomeffect twee verschillende betekenissen hebben (1). Banken en fondsen werken met een veelvoud van hun eigen middelen, bijvoorbeeld door zelf leningen aan te gaan op de kapitaalmarkt. Daardoor worden ze in verhouding grotere spelers op de markt (2). Het hefboomeffect van derivaten (kijk bij ‘afgeleide producten’) zoals opties. De prijs van een optie is maar een fractie van de prijs van de onderliggende waarde. Bijvoorbeeld: een optie op goud dekt traditiegetrouw 100 ounces goud. Een goudoptie kost pakweg 800$ (premie en commissieloon inbegrepen), de onderliggende 100 ounces goud vertegenwoordigen echter een waarde van 40.000 dollar. Met een vrij beperkt pakket opties op goud kan men dus veel omvangrijkere bewegingen op de goudmarkt veroorzaken.

Hefboomfonds: cf. hedgefund.

Holding: of portefeuillemaatschappij. Vennootschap opgericht op initiatief van het moederbedrijf om rechtstreeks of onrechtstreeks een meerderheid (of het geheel) van de aandelen in dochterbedrijven in de hand te houden.

Insider trading: handel met voorkennis. Iedereen op de beurs wordt verondersteld te kunnen werken op basis van dezelfde doorzichtige informatie over bedrijven, aandelen en aandelenbewegingen. Niet-gedeelde voorkennis (bijvoorbeeld als een agent via een bedrijfsleider te weten komt dat het bedrijf weldra op grote schaal aandelen zal verkopen of kopen) is verboden. Men noemt dat ‘misbruik van voorwetenschap’.

Institutionele belegger: hier gaat het niet om individuele beleggers , maar om instellingen die op professionele basis met beleggingen bezig zijn: banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen, beleggingsinstellingen.

Interbankenrente: rente die door de banken wordt aangerekend bij onderlinge transacties.

Junk Bond: obligatie (of schuldenpapier) met een zeer hoog risico (van niet- of beperkte terugbetaling). Op deze bonds wordt een zeer hoge rente gerekend. In het Nederlands rommelobligatie genoemd.

Kapitaalmarkt: markt in gelddeposito’s en rentedragende effecten met een looptijd van langer dan één jaar.

Kapitaalrekening: deelrekening van de betalingsbalans waarop de kapitaalbewegingen van een land op lange en op korte termijn worden opgetekend. Hiermee doelt men vaak ook op de manier waarop het kapitaalverkeer met het buitenland wordt gereguleerd.

Kapitaalverhoging: men vergroot het kapitaal van een vennootschap, bijvoorbeeld (en meestal) door het uitgeven van nieuwe aandelen.

LIFFE: the London International Financial Futures and Options Exchange. De Londense geldmarkt.

Liquide markt: als er op de markt een zodanig groot aanbod en een zo grote vraag is dat extra vraag of aanbod niet voor grote prijs- of koersschommelingen zorgt.

Liquiditeit: verhouding tussen kasmiddelen (of middelen die onmiddellijk vrijgemaakt kunnen worden) en de onmiddellijk opeisbare schulden.

Makelaarsloon: makelaars op de beurs rekenen een commissieloon op transacties.

Margin: het bedrag dat een belegger moet storten vóór het innemen van een positie op de optie- of termijnmarkt. Het is een verzekering dat hij zijn verplichting zal nakomen.

Obligatie: schuldbekentenis. Voor de houder ervan: een eigendomsbewijs van een schuldtitel die een deel is van een obligatielening (bijvoorbeeld een Belgische staatslening) .

Onderliggende waarde: het financiële product (effect, geld, of goed) waarop een afgeleid contract gebaseerd is. Die ‘afgeleiden’ kunnen opties zijn, futures, warrants of omzetbare obligaties, enz.

Optie: het recht om iets ( die ‘onderliggende waarde’ kan een aandeel zijn, geld, goud, cacao, enz.) te kopen tegen een vastgestelde prijs op een toekomstige datum). De houder kan maar moet dit recht niet uitoefenen. De optie kan gebruikt worden als een soort verzekering, of voor speculatie. Er zijn call opties en put opties. Call opties geven het recht om een financieel product (bv. een aandeel ) te kopen tegen een vooraf bepaalde prijs, de uitoefenprijs). De koper van de call optie zal zijn recht waarschijnlijk alleen uitoefenen als op de afgesproken datum de prijs die op de markt moet betalen hoger is dan de prijs die in de optie werd afgesproken. De prijs die hij voor de optie moet betalen is dan een soort verzekering tegen een koersstijging van het aandeel.

Een put optie is het recht om een financieel product te verkopen. Bij een put optie zal de houder zijn recht uitoefenen als hij op de markt een hogere prijs kan krijgen voor het product dan in de optie is vastgelegd.

Als de optie niet uitgeoefend wordt is de prijs van de optie (de premie) een inkomst voor de schrijver van de optie.

Passiva: verplichtingen van een vennootschap (ze staan in de balans tegenover de activa).

Pensioenspaarfonds: een vorm van beleggingsinstelling via dewelke mensen of groepen van mensen aan pensioensparen kunnen doen. De pensioenfondsen, zeker in de VS, behoren tot de allergrootste actoren op de markt. In de VS gaat het dan bijvoorbeeld om fondsen die de pensioenspaarmiddelen van een hele categorie ambtenaren beheren én beleggen. Het grootste pensioenfonds in de VS is het ‘California Public Employees Retirement System (CALPER) dat op een middelenpot zit van 133 miljard dollar. De 200 grootste pensioenfondsen beheren in totaal 3273 miljard dollar (1999). In België zijn de fondsen goed voor zowat 11 miljard dollar.

Put: kijk bij opties.

Quinzaine: dit is de normale verhandelingsperiode (14 dagen) op de termijnmarkten, en dus ook de standaardtermijn die normaal op futures genoteerd staat. Handelaars kunnen hun positie wel doorschuiven naar de volgende quinzaine. Men noemt dit reporteren als het om een haussepositie gaat (waarmee men dus speculeert op een verdere koersstijging). Deporteren is dan het doorschuiven van een baissepositie.

Rating: een beoordelingsquotering die aangeeft hoe solvabel een uitschrijver van een obligatie is. Er bestaan rating agencies, bedrijven die zich specifiek met het opstellen en bijhouden van deze ratings bezighouden. De bekendste zijn Moody’s (VS) en Standard & Poor (VS).

Return: geeft aan welk rendement een belegger boekt met een aandeel dat hij een jaar in portefeuille heeft gehouden.

Solvabiliteit: kredietwaardigheid van een vennootschap op lange termijn. Of de mate waarin het eigen vermogen volstaat om alle schuldverplichtingen na te komen.

Spot market: deel van de markt waar levering en betaling zeer kort na het afsluiten van de transactie plaatsvinden.

Swap: transactie waarbij betaalstromen met een verschillend karakter gedurende een bepaalde periode volgens een bepaald schema met elkaar worden geruild. Bijvoorbeeld: bij een deviezen- of valutaswap worden betalingen van rente en hoofdsom in de ene valuta geruild tegen betalingen in een andere.

Termijnmarkt: hier worden goederen, waardepapieren of deviezen verhandeld tegen een nu vastgestelde prijs, met levering op een toekomstig moment. Dat gebeurt met termijncontracten.

Volatiliteit: maatstaf voor de wisselvalligheid van de koers van de onderliggende waarde (kijk bij onderliggende waarde).

Vreemd vermogen: op de balans van een vennootschap is dit het door anderen beschikbaar gesteld vermogen (bijvoorbeeld bankkrediet/ obligatieleningen, enz.).

Wisselmarkt: op de wisselmarkt worden de wisselkoersen van valuta (munten van landen of landengroepen) vastgesteld. De handel verloopt rechtstreeks via de telefoon of de computersystemen van financiële instellingen.

Bronnen:

MESSIAEN & VANDERLINDEN, Wegwijs in de financieel-economische berichtgeving, Tijd NV, 1994, 200 p.(een bijzonder nuttige uitgave van de Financieel Economische Tijd)

VISSER & VAN GOOR, Inleiding tot het geld- en bankwezen, Academic service Schoonhoven, 1997, 218 p.

BANNOCK & MANSER, International Dictionary of Finance (the Economist books), Profile books 1999, 290 p.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3174   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift