Kleur in de Vlaamse klei

Diversiteit op de planken

Terwijl de Vlaamse cultuurhuizen met verrekijkers speuren naar nieuwe spelers om hun podia te “ontwitten”, nemen jonge stedelingen het interculturele heft in eigen handen.

Toen Kamer en de man, het stuk van de Turks-Belgische theatermaker Mesut Arslan, eind november in Garajinstanbul (een cultuurcentrum in Istanbul) in première ging, genoot het publiek zicht- en hoorbaar. Dat kwam zowel door het indrukwekkende spel van de sexy en ontwapenende hoofdrolspeelster Nergis Öztürk als door de tekst van Eric De Volder, die ook in Turkse vertaling niet aan spitsheid inboette. Het publiek was jong, Turks en mooi.

Een maand later, in december, speelden Öztürk en haar tegenspeler Engin Hepileri in de Kleine Bourla in Antwerpen. Ik las de originele tekst en het spel nu echt in al hun volheid, en besliste om het woord ‘bambikutje’ nooit meer te vergeten. Ik genoot hoorbaarder dan de rest van het publiek, een publiek van alle leeftijden, gemengd Turks-Belgisch en misschien nog wat.

We bevonden ons in het Middenwesten, een plek tussen Istanbul, Antwerpen en andere Europese cultuursteden, die Mesut Arslan beoogt voor zijn nieuwe 0090. Meer nog dan het gelijknamige festival van de voorbije acht jaar zal 0090 voortaan een internationale werkplaats zijn voor onderzoek, creatie en aanbod van multidisciplinaire kunst. ‘Dit is een goede plek en de missie is geslaagd’, dacht ik, de toeschouwer. Niet dus. Een paar dagen later zat ik met een teleurgestelde Mesut Arslan in zijn Antwerpse werkruimte. De voorstelling die hij voor het Middenwesten had gecreëerd, had de culturele programmamakers niet uit hun verlichte huizen gelokt. ‘Ben ik nog steeds te allochtoon?’, vroeg hij zich af. En daarna: ‘Ik ben moe.’

Een week eerder had KVS-directeur Jan Goossens het over zijn cultuurhuis in het Brussel van vandaag, een Brussel waar de inwoners allang niet meer verleden, culturele referenties, levenswijzen en sociale context delen.

Goossens hield een pleidooi voor een nieuwe gedurfde aanpak in cultuurland om de stedelijke realiteit in te schrijven. Hij pleitte tegen de dominante witte Leitkultur, tegen het vastgelegde repertoire en de vastgelegde cultuurcanon waar nieuwkomers zich maar moeten inpassen. ‘Hebben de teksten die de blanke Vlaamse middenklasse als repertoire beschouwt, veel te bieden, zeggen of verklaren aan de groeiende groep artiesten en toeschouwers van de KVS die zijn wortels of zelfs thuisbasis buiten Vlaanderen en Europa heeft?’

Met de k van wit

Interculturalisering blijft in de Vlaamse cultuursector een piepend jong. Dat is een naakte vaststelling die de cultuursector allang zelf heeft gemaakt. Toen Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvliege (CD&V) in 2010 de contouren van het cultuurbeleid in 2020 wilde uittekenen, zette ze ook een stuurgroep interculturaliseren aan het werk. Die vindt dat de sector op het vlak van etnisch-culturele diversiteit nog veel kansen onbenut laat. Een engagementsverklaring voor etnisch-culturele diversiteit, een schaamlapje zeggen velen, werd gelanceerd in juni 2012.

In dezelfde periode maakte Schauvliege de nieuwe cultuursubsidies 2013-2016 bekend. Interculturaliseren kreeg daarin, vreemd genoeg, een ondergeschikte plaats. Een aantal sociaal-artistieke werkplaatsen die interculturalisering als mission statement inschrijven, grepen naast de pot van de structurele subsidies. Het blijft voorlopig de vraag of de beloofde vernieuwing van het kunstendecreet, dat de tussenschotten tussen het sociaal-artistieke en de andere sectoren wil wegwerken, een antwoord zal bieden.

Ook Globe Aroma, een Brusselse sociaal-artistieke organisatie die werkt met nieuwkomers en artiesten zonder papieren, deelde in de klappen. ‘Diversiteit werd niet meegenomen in de subsidiepot, terwijl de nood aan interculturalisering in de samenleving hoog is. De kunstensector kan niet achterblijven’, zegt directeur Els Rochette. ‘Er is meer nodig dan goede wil tonen. Veel huizen zijn wel op zoek naar diversiteit maar blijven tegelijk hardnekkig vasthouden aan hun eigen identiteit. Ik merk dat ook de cultuursector nog te veel vastgeroest zit in wij/zij-denken als het woord diversiteit op de tafel ligt. Men stelt zich zeer behoudsgezind op.’

Theater van een allochtone theatermaker wordt al snel vertaald als allochtoon theater. En daar hangen repertoireverwachtingen aan vast: politieke verhalen, transnationale identiteit of referenties naar “vreemde” culturen worden veeleer verwacht dan pakweg seks, drugs en alcohol.

‘Wanneer ik als Turks-Antwerpse regisseur een bekende Turkse actrice als Nergis met een Vlaamse tekst laat werken, is dat omdat ik een eigen hedendaags verhaal wil brengen, geen allochtoons kunstje of een oriëntalistische trip’, zegt Mesut Arslan. ‘Sommigen kunnen dat jammer vinden maar mijn stukken gaan over liefde, niet over oorlog. De vraag is of ik autochtoon genoeg ben om met die eigen keuzes ernstig genomen te worden. Ik heb te vaak het gevoel dat we als niet-Belgische theatermakers onder de radar blijven.’

‘Toen kunstencentrum Moussem Bouchra Ouizguen ontdekte, had niemand daar aandacht voor. Pas toen het Kunstenfestivaldesarts haar programmeerde, stond ze plots in alle kranten en werd ze met voorafgaande ovaties binnengehaald.’

Met zijn nieuwe werkplaats 0090 hoopt Arslan een internationale plek te scheppen waar de tussenschotten tussen West en Oost wegvallen. ‘Ik streef naar ontmoetingen en creatieve botsingen met andere landen en steden. Dat stopt de onwetendheid en opent de geesten. Diversiteit wordt dan sneller mainstream.’

Grootstedelijkheid

Er is ook goed nieuws. Terwijl de Antwerpse kunstencentra 0090, Moussem en Fiebre –om er maar een paar te noemen– erin slagen de Vlaamse klei lichter en poreuzer te maken, lokt vooral de hoofdstad de Vlaams-Brusselse cultuurhuizen letterlijk uit hun kot.

‘De dialoog met de omgeving vormt de grootste uitdaging voor de cultuursector’, vindt Myriam Stoffen van de tweejaarlijkse Brusselse Zinneke Parade. En kijk. In een vorig seizoen trok de KVS de stad in en ging in interactie met de wijken en hun bewoners. Het Kaaitheater verlegde met Festival Kanal het stadscentrum naar Molenbeek en Anderlecht. ‘Het bewijst dat ook grote cultuurhuizen in staat zijn om uit hun “oud-Belgische” huid te kruipen’, zegt Yoachim Ben Yakoub, stafmedewerker beeldvomring en diversiteit bij de Pianofabriek. ‘Wanneer de KVS zijn artiesten letterlijk uit het gebouw duwt en naar de wijken trekt om er theater te maken, of wanneer een Jan Goossens de werking van een Vlaams cultuurhuis in vraag laat stellen door Palestijnse en Congolese theatermakers, getuigt dat van openheid en lef.’

Niet-Belgen lopen vast op Vlaamse normen en de gangbare vormentaal binnen cultuurhuizen.
Een van de redenen waarom andere grote spelers aarzelen om voluit te gaan voor interculturalisering, is hun marktpositie, stelde Guy Gypens van het Kaaitheater in een debat over interculturalisering in de Beursschouwburg. Volgens Gypens is de angst groot dat cultuurhuizen hun imago en merk verloochenen door te diversifiëren. ‘We denken nog te vaak dat we moeten kiezen voor of tegen diversiteit. Bovendien is diversiteit een enorm iets. Hoe haal je die grootstedelijke context in huis en hoe geef je die een plek in je programmatie?’

Gepelde codes

‘We merken dat nieuw aangekomen kunstenaars met de nodige hulp in staat zijn om grotere dingen te doen’, zegt Els Rochette van Globe Aroma. Alleen lopen niet-Belgen vast op Vlaamse normen en op de gangbare vormentaal binnen cultuurhuizen. Gevolg: cultuurverschillen worden te snel als een extra lastenpost in rekening gebracht en te weinig als interessante kruisbestuiving gezien.

Als theaterwerkplaats vergroot de Antwerpse organisatie KunstZ de zichtbaarheid en tewerkstelling van nieuwkomers en migranten in de theatersector. Als bruggenbouwer kent coördinator Eline Van Hoye de kloven. ‘Er zijn cultuurverschillen, we moeten daar niet flauw over doen. Dat schept niet alleen onzekerheid langs beide kanten, het vraagt ook extra investering in tijd. De meeste gezelschappen en huizen hanteren een systeem waarbinnen ze snel kunnen werken. Nieuwkomers hebben tijd nodig om zich te kunnen inpassen.’

Kwestie van je systeem aan te passen? Joachim Ben Yakoub vindt van wel. ‘Cultuurverschillen –die er uiteraard zijn– vormen niet de grote drempel, wel de ingebakken codes. Als er een maatschappelijke speler is die zichzelf in vraag moet durven stellen, is dat toch de kunstensector. Kunst creëert juist ruimte om het gevestigd denken uit te dagen.’

En dan is er nog de taal. Het is een gevoelig onderwerp in het Vlaanderen van 2013, dat soms de neiging heeft om taal als icoon veeleer dan als instrument te hanteren. Boventiteling bij anderstalig theater vergt technisch precisiewerk en een extra inspanning voor de regie en de acteurs, maar het kan. De Iraanse Medeya Yarhasan, asielzoekster en niet-Nederlandstalig, werkte via KunstZ een theatertekst uit die ze liet vertalen, doorweven met korte stukjes Farsi. Hoewel de performance tijdens de try-out nog niet helemaal op punt stond, belooft het stuk zeer mooi verhalend theater te worden, waarin de Perzische taal een bijna muzisch spelelement wordt.

Anderstaligheid hoeft niet tot uitsluiting te leiden in de Vlaamse theatersector, bevestigt Eline Van Hoye. ‘Maar ook daarover moeten we alweer niet flauw doen. Zelfs al beheersen non-native sprekers het Nederlands zeer goed, dan nog is soms een taalcoach nodig.’ Taalcoaching werd bijvoorbeeld gebruikt bij de herneming van Een dame in de kast, een theaterhit uit 1992 door Greet Vissers en Jo Roets. De voorstelling wordt nu gespeeld door een multiculturele cast, in samenwerking met het ensemble van kunstZ. Ook taalcoaching staat voor een extra kost en een extra tijdsinvestering. Investeren in de diverse samenleving is echter geen verloren kost, vindt Van Hoye. ‘Je moet als kunstencentrum ook op de lange termijn denken. Het theaterpubliek verandert, zeker in een grootstedelijke context. Alleen wordt een groot deel van dat publiek vandaag niet bediend.’

Hoe maken we de cultuurconsumenten minder Blanc Bleu Belge? De vraag keert steevast terug en blijft meestal onbeantwoord op de verlaten debattafel liggen. Aan die vraag hangt immers meteen die andere vast: moet kunst toegevingen doen om een ander publiek te bereiken? Volgens Mesut Arslan behandelen we kunst sowieso te veel als cadeaucultuur en te weinig als handelswaar. ‘Maar het is geen of-of-verhaal. Ik ben zeker niet tegen intellectuele masturbatie. Kunst mag ook eigenwijs zijn, moet niet elke burger bedienen. Maar ik verwonder me soms over het krediet dat sommige kunstenaars met Vlaams belastinggeld blijven krijgen.’

De Venezolaans-Antwerpse blogger en filmmaker Orlando Verde beaamt de dominantie van de Vlaamse mainstreamvisie in de cultuursector, maar wil optimistisch zijn. ‘Het aanbod groeit, jonge allochtone kunstenaars krijgen meer kansen om samen te werken met grote huizen. Initiatieven als GEN2020 en kunstenplatformen als Moussem en 0090 bevorderen die doorstroming en doorbreken stereotiepe beeldvorming. Let’s go urban, het dansgezelschap van Sihame El Kaouakibi, heeft in Antwerpen een eigen plaats veroverd. De Iraakse Mokhallad Rasem kreeg in het Toneelhuis een vaste stek.’

En er is meer. Wie in steden als Brussel of Antwerpen op zoek gaat naar diversiteit op de podia, komt die snel tegen in de alternatieve cultuurcircuits. ‘Bij gebrek aan aansluiting en herkenning creëren veel jonge creatievelingen zelf een circuit om hun ding te doen’, aldus Verde. En het publiek diversifieert vanzelf mee, reageert Els Rochette van Globe Aroma. ‘Ik zie steeds meer mensen die het wachten beu zijn en zelf een cultuuraanbod brengen om hun honger naar meer eigengereide interculturele programmatie te stillen. Onlangs zag ik in een klein zaaltje in Sint-Gillis een zeer sterk theaterstuk door Japanse kunstenaars die door Brusselse Senegalezen waren uitgenodigd.’

Brusselse jongeren nemen het heft in eigen handen, schreef ook Joachim Ben Yakoub in het cultuurtijdschrift Rekto:verso, onder de titel Ongezien! Brussels got talent! Jongeren van Ras El Hanout maakten in 2012 indrukwekkend theater, de stand-up comedy via Scène d’Up of Bx Stand-up Comedy Club biedt een inkijk in de leefwereld van Brusselse jongeren, er is het nieuwe Espace Magh dat zich richt tot de diverse samenleving. En ook in eigen huis komt hij aanstormend talent tegen. ‘Ik werk drie jaar in de Pianofabriek en toen ik de deur op een kier zette voor jonge allochtone kunstenaars, was de instroom enorm. Een enorme pool van jongeren schreeuwt om gehoord te worden maar zoekt nog een bruggenbouwer naar het voorbeeld van KunstZ.’

Voilà, daarmee verklaren we de verzuchting ‘we vinden ze niet’ vanaf nu gedateerd. Het Middenwesten belooft een boeiende plek te worden. Maar mag het dan wat sneller dan 2020?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur