Koerdische migranten in Turkije

Turkije wil voorkomen dat zijn grootsteden uit hun voegen barsten door plattelandsvlucht en interne migratie. Intussen zitten in de stedelijke vergeetputten Koerdische dorpsbewoners te wachten. Op hulp, op een teken dat ze kunnen blijven of op een teken om terug te gaan naar het dorp dat ze jaren geleden moesten verlaten. Een dorp waar vaak geen huis meer recht staat.
Aziye District is een illustratie van de gevolgen van de interne migratie, de plattelandsvlucht en de te snelle urbanisatie die de grote Turkse steden kenmerkt. De meeste mensen die rond Diyarbakir, bekend als de Turks-Koerdische hoofdstad, kwamen wonen, zijn Koerden die in de jaren negentig door het Turkse leger uit hun huizen en dorpen werden verdreven of zelf besloten te vluchten voor de toenemende onveiligheid in de bergdorpen. Tussen 1984 en 1999 vocht de Koerdische Arbeiderspartij PKK een vrijheidsoorlog uit met het Turkse leger.
Om controle te krijgen over de bergdorpen, van waaruit de PKK opereerde, stelde de Turkse staat vele Koerdische dorpelingen voor de keuze: verraad of deportatie. Toetreden tot de paramilitaire burgerwacht -de dorpswachters- en de wapens opnemen tegen de PKK was de enige manier om have en goed te behouden. Betrouwbare cijfers over de gedwongen verhuizing ontbreken, maar volgens de overheid werden vierduizend dorpen en gehuchten ontruimd en vernietigd. Dat zou overeenkomen met 55.000 huishoudens of 380.000 mensen. Mensenrechtenorganisaties zeggen echter dat Turkije de werkelijke cijfers wil camoufleren. Zij spreken van anderhalf tot vier miljoen ontheemden.

De erfenis verspeeld


De familie Denir is afkomstig van Sér, een dorp in de buurt van Diyarbakir. Turan Denir werd in 1992 opgepakt wegens “verdacht gedrag” terwijl hij zijn kudde liet grazen. Nadat hij achttien dagen was ondervraagd in het politiekantoor, verdween hij spoorloos. In 1993 kwam de familie op een nacht naar Diyarbakir. 20 kilometer te voet, de andere 130 km met de vrachtwagen. Ze weigerden zich aan te sluiten bij de dorpswachters. Gevolg: ze kregen vijftien dagen om te vertrekken. Hun huis werd vernietigd, hun velden en bomen platgebrand. ‘Driehonderdzestig huizen waren er in Sér. Zo’n tweeduizend mensen moesten alles achterlaten. Onze grond werd zwarte zone, terugkeren was onmogelijk. Meer dan kleren en wat huisraad hadden we niet bij.’ In 2004 werden Turans beenderen opgegraven, samen met die van negen andere dorpsgenoten.
Onderzoek bracht aan het licht dat hun lichamen waren verbrand, de sporen waren uitgewist. De zaak haalde even de pers maar verdween dan in een geforceerde vergetelheid. De familieleden van de vermoorde dorpelingen kregen een beperkte compensatie. De tien families samen zouden zo’n 100.000 Nieuwe Turkse Lira (160.000 euro) ontvangen hebben. ‘Maar het brengt ons leven in het dorp niet terug, net zomin als Turan en de andere doden’, zegt Mehmet Denir, de neef van Turan. ‘We hadden in Sér ook geen luxeleven, maar het boerenleven was onze erfenis.’
De Denirs hadden het geluk dat ze na een tijdje een job in de bouwsector vonden en na vijf jaar een huis konden bouwen. Maar net zoals iedereen hadden ze enorme aanpassingsproblemen en leven ze nog altijd in armoede, ongeletterdheid en overbevolkte kamers. Ondanks de schoolplicht in Turkije gaan maar vier kinderen van de familie naar school. De meisjes blijven thuis en houden zich een hele dag bezig met het huis, de tuin en nietsdoen. Zij spreken enkel Koerdisch, wat hun kansen om uit de armoede te ontsnappen er niet groter op maakt.
De armoede van de ontheemde Koerden is af te lezen van het zwerfvuil dat hun huizen omringt en hun straten ontsiert, in Diyarbakir, Van, Mersin, Adana, overal waar ik kom. Met een minimum aan inkomen, zonder steun van de regering die hen uit hun eigen huizen zette, proberen vroegere plattelandsbewoners een nieuw bestaan op te bouwen in de stad. Een stad die ze nog elk moment willen inruilen voor de bergen -al is dat leven zo goed als zeker voorbij.
Veel mensen die onder dwang het buitenleven inruilden voor de stad kampen met trauma’s. De gezondheidsproblemen door de vaak onhygiënische omgeving en het gebrek aan goede verzorging zijn legio. Wie geluk heeft, krijgt een sociale kaart die toegang geeft tot basisgezondheidszorg: gratis doktersconsultatie, hospitalisatie en medicijnen. Maar volgens Mehmet houden niet alle apothekers zich aan de verplichting de sociale kaart te aanvaarden. Sommigen weigeren de kaart, de meesten vragen een bijkomende premie van twintig procent. Ook dokters en chirurgen blijken vaak extra ereloon aan te rekenen bij operaties.
De lege theeglaasjes worden horizontaal gelegd. Na zeven dagen Turkije heb ik begrepen dat je zo duidelijk maakt dat je genoeg thee hebt gehad, zonder mijn hartelijke gastvrouw te beledigen. Bij het afscheid vraag ik aan de weduwe van Turan wat haar hart warm en haar rug recht houdt. ‘De kinderen,’ zegt ze zonder aarzelen, ‘zij zijn onze verantwoordelijkheid. Ik heb mijn man en mijn leven verloren. Mijn hart is kil geworden van de haat voor het Turkse leger en de dorpswachters, maar ik steun op de moed die Allah me geeft. Ik vertrouw op Allah’s rechtvaardigheid, Hij zal in het hiernamaals wraak nemen.’ God heeft deze weg uitgestippeld, legt Mehmet uit. ‘Het is ons lot, en dat dragen we.’

Terugkeren kan niet meer


Onder druk van Europa ontwierp Turkije meerdere terugkeer- en rehabilitatieprogramma’s. Tot nu werd geen enkel noemenswaardig project of programma ook effectief geïmplementeerd. Over een terugkeer naar het platteland bereiken de verschillende politieke actoren geen consensus en voor stedelijke hervestigingsprojecten ontbreekt het Turkije aan geld en politieke wil. Volgens officiële cijfers keerden 137.636 personen naar hun dorpen terug.
Sommige mensen zouden worden aangemaand om in andere, grotere dorpen te gaan wonen, schrijft Bert Cornillie in het maandblad De Koerden. Via deze centrumdorpen zou Turkije zijn controle over de regio kunnen behouden. Het systeem van de dorpswachters, dat Turkije beloofde af te bouwen, bestaat nog altijd. In 1995 telde de Koerdische regio, volgens overheidsgegevens, 67.000 dorpswachters. Sirnak Ilicak van de mensenrechtenorganisatie IHD (Insan Haklari Dernegi) in Diyarbakir, schat hun aantal vandaag tegen de 80.000. ‘Turkije beloofde Europa om hen te ontwapenen, maar zet geen stappen in die richting.
Zolang de onlusten blijven, heeft het leger de paramilitie nodig.’ Ilicak zegt dat veel van de dorpswachters geen andere keuze hadden, ook al zijn zij in de ogen van de meeste Koerden verraders en profiteurs die teren op kosten van de staat. ‘Ze krijgen 300 tot 450 euro van Turkije, dat is weinig. Het zijn mensen die nooit een schoolgebouw van binnen hebben gezien. Helaas is er een kleine, corrupte onderlaag van dorpswachters die profiteert van de nieuwe macht en eigendommen die ze in de verlaten dorpen hebben verworven. Ze zullen die positie desnoods met alle middelen verdedigen, waardoor de veiligheidssituatie in veel dorpen niet gegarandeerd kan worden.’

‘Zonder de PKK stonden we nergens’


Yalimerez Mahalle is een wijk aan de rand van de Koerdische stad Van, op drie uur rijden van de Iraanse grens. Elf jaar geleden werd de achttienjarige Fatma, samen met haar moeder, twee zussen en vier broers, gedwongen hun huis achter te laten en zich hier te vestigen. Fatma’s vader en nonkel liggen begraven in het bergdorp Uzundere, nabij Hakkari. Ze kwamen om tijdens gevechten tegen de PKK. Beide mannen waren dorpswachters, net zoals de buren van Fatma die uit hetzelfde dorp komen. ‘Mijn ouders hadden geen keuze. Het leger dreigde dat ze ons huis zouden vernietigen als ze niet bij de burgerwacht gingen. Ze hebben getekend, omdat ze niet beter wisten’, vertelt Fatma. Na hevige gevechten vluchtte een deel van het dorp naar Noord-Irak, de rest werd door de regering verplaatst naar deze wijk in Van.
‘Turkije gaf ons grond en een paar broze stenen om een huis te bouwen. Daarmee moesten we verder. De enige die werk heeft, is mijn broer, hij onderhoudt ons.’ De familie verloor alles, hun vader en echtgenoot, hun huis, hun schapen. Ze dienden een dossier in voor compensatie, maar staan op een ellenlange wachtlijst, het beloofde geld blijft uit.
Het lijkt voor Turkije een loodzware opdracht om de nieuwe Wet 5233 in de praktijk te brengen, die de compensatie regelt voor de slachtoffers van de oorlog, zoals de ontheemde Koerden. 180.000 families dienden een aanvraag in tot compensatie. Daarvan zijn 16.000 dossiers ondertussen afgerond, 4000 aanvragen werden weerhouden. ‘De compensatiewet is een doekje voor het bloeden’, reageert Cahit Bozbay, jurist en medewerker van de lokale afdeling van de mensenrechtenorganisatie IHD in Van. Volgens hem is de bevolking in Van sinds 1991 van 150.000 tot een half miljoen gestegen. ‘De Turkse regering heeft echter niets gedaan om de hachelijke sociaaleconomische situatie waarin de immigranten zijn beland, te verbeteren, niet in Van, nergens.
De weinige slachtoffers die erin slagen een schadevergoeding vast te krijgen, kunnen met het geld niet terug de draad oppikken.’ De compensatiepremies gaan van 3000 tot 30.000 euro. Mensen hebben niet alleen hun huizen, hun velden en hun vee verloren, maar ook de verworvenheden die hun voorouders hadden opgebouwd. De oorlog heeft hen ook psychologisch en emotioneel getekend, ze hebben vaak niet eens hun doden kunnen begraven.
Zelfs als ze zouden teruggaan, is er voorgoed en onherstelbaar een stuk uit hun leven gerukt. De commissie die de compensatiedossiers onderzoekt, gaat volgens Bosbay veel te oppervlakkig te werk. ‘De architecten of ingenieurs van de commissie zijn ambtenaren. Ze schatten enkel de naakte waarde van een huis en grond in. Bovendien verplicht Turkije mensen die een compensatie vragen, te verklaren dat de PKK hun huis heeft vernietigd, en niet het leger of de dorpswachters.’ Terwijl de PKK voor West-Turkije en Europa te boek staat als een terroristische organisatie, staat de meerderheid van de Koerden in Zuidoost-Anatolië achter de guerrilla. Iedereen kent wel iemand wiens zoon of dochter bij de PKK zit of gezeten heeft.
Ahmet, mijn tolk, groeide-als Koerd- op in een Turks milieu, omdat zijn vader ambtenaar was. Volgens hem zijn de meningen over de gewapende strijd verdeeld, maar heerst er een algemene consensus over de bestaansreden van de PKK. ‘Ik ben zelf een pacifist en wil niet liever dan dat het conflict ophoudt, en we met de Turken kunnen samenleven. Maar zonder de strijd van de PKK zouden we niet staan waar we nu staan. Wapens waren de enige uitweg. Dankzij de PKK wonen we hier en spreken we de taal nog. Het Turkse leger heeft ons eerst in de armen van de PKK gedreven, door keiharde onderdrukking. De Turkse regering duwt ons nu verder door een politiek van totale onverschilligheid te hanteren.’ De meeste Koerden waarmee ik sprak, zien de onmiddellijke toekomst somber in. Voor hen is het een uitgemaakte zaak dat het leger de feitelijke macht heeft, en niet de regerende AK-Partij van premier Erdogan.
Zolang deze situatie blijft, geloven ze dat de Koerden enkel een paar papieren rechten krijgen. Terwijl hun Turkse landgenoten in het westen van het land de plannen voor de toetreding tot de EU meer en meer lijken op te bergen, is Europa voor de Koerden de kortste weg naar gelijke rechten.

Weemoed en wantrouwen


Van viert de nationale Dag van de Jeugd. De plaatselijke middenstand en ambtenaren hebben Turkse vlaggen uitgehangen, een verplichting op officiële feestdagen. Maar vijf meter boven de rood getooide etalages hangen de gele wimpels van de Koerdische Democratische Partij (KDP) uitdagend te dansen.
Terwijl de feeststraat volloopt met zondagsvolk, zit twee straten verder het congrescentrum afgeladen vol met aanhangers en sympathisanten van de KDP. Het tweedaagse congres zorgt ervoor dat het kleine stadscentrum vol loopt met politie en tanks en dat de inwoners dubbel zo waakzaam zijn. ‘Na de rellen in april is iedereen er op bedacht dat het geweld elk moment opnieuw kan losbarsten’, zegt Ahmet.
De angst voor het leger en de politie zit diep. Niemand voelt er iets voor om samen met een journalist de immigratiewijk Bostaniçi te bezoeken. De controle kan achter elke hoek zitten is, en het is niet duidelijk wie je kunt vertrouwen. ‘Iedereen kan een potentiële verrader, een “zwarte Koerd” zijn’, zegt Bahar, die na tien jaar in Nederland gewoond te hebben naar haar geboortestad Van terugkeerde. ‘Het maakt de berglucht hier zwaarder’, gaat ze verder, terwijl ze een cd van Beser Sahin oplegt. De weemoed die de Koerdische zangeres bezingt, sluit naadloos aan bij Bahars persoon.
‘Ik heb tien jaar in een klimaat van openheid en kansen gewoond. Toen mijn man is gestorven, kon ik zijn dood niet alleen verwerken. Ik ben teruggekomen naar mijn familie, en woon intussen vier jaar in Van. Het politieke klimaat voor de Koerden is zeker positief veranderd, maar Turkije blijft er ons aan herinneren dat we nog niet Turks genoeg zijn.’ Bahar vertelt hoe ze een jaar geleden met ernstige maagstoornissen in een Turks ziekenhuis belandde. ‘Ik had het gevoel dat ik elk moment ging braken, maar niemand hielp me. Toen ik -ietwat geagiteerd- om een stoel vroeg aan een verpleegster die gezellig stond te keuvelen, is er een hele rel ontstaan. Even later kwam een dokter zeggen dat ik kon opkrassen. Ik had niet het recht om in het Koerdisch zijn personeel te beledigen en te schreeuwen, zei hij. Terwijl ik zelfs te zwak was om te roepen.’ Dergelijke vernederingen hebben gevolgen voor de Koerdische gemeenschap, zegt ze. ‘
De repressie maakt dat dit volk in zichzelf keert en zet een rem op onze geestelijke ontwikkeling. Sinds een jaar draag ik een hoofddoek, om mogelijke commentaren te vermijden. Het zegt genoeg over de sociale eisen die mensen stellen aan een weduwe.’ In Nederland werkte Bahar als bejaardenverzorgster en volgde ze een aanvullende opleiding in de verpleegkunde.
Hier werkt ze niet. Ze deelt een verdieping met haar moeder en haar achtjarige dochter in een ruim buitenhuis van haar broers. Haar oeverloze tijd doodt ze met huishoudelijk werk, familiebezoeken, wandelen in de boomgaard, en roken. ‘Wie hier langer dan één uur is, weet dat de uitdrukking “roken als Turken” fout zit’, lacht ze schamper, ‘Vooral vrouwen doen hun best om te roken als Koerden. Een sigaret snijdt de tijd in stukjes.’ Stilte en een sigaret verder. ‘Het roken kunnen ze ons niet afpakken. Weet je wat het toppunt is? Jaren hebben we geen Newroz mogen vieren, het lentefeest stond synoniem voor rellen. Nu het weer mag, claimt Turkije Newroz als een feest dat aan de Turkse cultuur toebehoort.’

Bergturken in het westen


De havenstad Mersin is een uitloper van Adana, de vierde grootste stad van Turkije, een broeierige, moderne, geïndustrialiseerde metropool tegen de grens met Syrië, in een van Turkije’s meest vruchtbare landbouwregio’s. Door hun warme klimaat met uitzonderlijk zachte winters, en de kans op seizoenarbeid in de landbouw, trokken beide steden grote groepen Koerdische immigranten aan.
De door Koerden opgerichte organisatie GIYAV doet projectwerk rond immigranten in Mersin, met extra aandacht voor de meest kwetsbare groepen: vrouwen en kinderen. GIYAV probeert jonge meisjes te emanciperen door hen vaardigheden en een stem bij te brengen, en kinderen van de straat en de lijm te houden. ‘Officieel werken we niet met Koerdische immigranten, maar met mensen uit het Zuidoosten van Anatolië’, zegt Ulfye, sociologe en kaderlid van GIYAV. ‘Op basis van artikel 169 van het Turks Strafrecht, is GIYAV aangeklaagd wegens “hulp aan een terroristische organisatie”. We wachten al jaren op een uitspraak door het Hof van Staatsveiligheid in Adana.’ Wie vanuit een Koerdische belangenbehartiging teveel vragen stelt, mag zich aan staatsinmenging en sancties verwachten. ‘We mogen op straat ondertussen zeggen dat we Koerd zijn, maar de angst en het wantrouwen -zowel bij ons als bij de westerse Turken- zijn zo diepgeworteld dat we niet meer durven.’ ‘
s Avonds trakteren Ulfye en haar vriendin Cenay, die tolkt, me op een culinaire wandeling. Tijdens het eten van güllaç of honingdessert in een -op de zaakvoerders na- lege patisserie, beginnen we over de politieke eisen van de PKK te praten. Een kuchje van de man achter de toog die een sigaret aansteekt, volstaat om plots over te schakelen op fluistertoon. ‘Dit is Mersin’, zegt Cenay, ‘niet Diyarbakir of een andere Zuidoosterse stad waar Koerden thuis zijn! Koerd zijn is hier nog niet aanvaard en het kan je racistische opmerkingen opleveren.’

De herinnering blijft


Zeynep woont in Demirtas, een van de Koerdische migrantenwijken in Mersin. Ze is nu achttien, maar haar leven veranderde toen ze zeven was. Toen werd haar oom, de muhtar of dorpsverantwoordelijke van hun dorp Nivila, in de buurt van de stad Siirt vermoord. ‘De man die hem vermoordde, was een dorpswachter. Hij heeft drie maanden gezeten. Omdat we het niet konden verdragen zo dicht in zijn buurt te leven, zijn we helemaal naar onze familie in Mersin gekomen. We zijn halsoverkop moeten vertrekken. Het enige dat we twee weken voordien hadden voorbereid was de verkoop van onze 150 schapen, voor veel te weinig geld. Maar op de avond van ons vertrek stond de birinc, de rijst, nog op het vuur.’ De herinneringen aan het dorp en hun vertrek vallen Zeyneps moeder en tante zwaar.
Haar neef kon de vernederingen in het dorp niet meer aan en sloot zich aan bij de PKK. Hij verloor het leven tijdens de gevechten. Hij was twintig. ‘Het ergste is dat ik zijn lichaam niet heb gezien. Ik heb geen afscheid van hem kunnen nemen’, vertelt de tante. ‘Wat ik daarbuiten nog mis? Alles. Ik mis elke vezel van mijn dorp: de grond, het water, de lucht, het weer. We hadden ons eigen huis, we werkten voor ons eigen levensonderhoud en dat van de kinderen. We vonden het afschuwelijk om naar de stad te komen, en we vinden het hier nog altijd niet goed. Maar teruggaan is uitgesloten zolang de dorpswachters ginder nog zitten.’ De meeste immigrantenvrouwen hadden een veel betere status in het dorp dan in de stad. In de bergen hadden ze een belangrijk aandeel in het dagdagelijkse leven. Ze waren productief, zorgden voor brood op de plank, het vee, de kinderen.
In de stad is die status weggevallen. In deze door mannen gedomineerde samenleving worden ze weggedrukt. Zeynep is zich daar ondertussen van bewust geworden. Het stadsleven zint haar niet, ze wil het maar al te graag inruilen voor het dorp uit haar verleden. ‘Het is niet alleen de tastbare herinnering van een zevenjarige aan het leven ginder, die vastkleeft in mijn gedachten. Het is ook de hoop op een ander leven, een droom.’
[Op vraag zijn een aantal namen fictief]
Danckaers
Deze reportage kwam tot stand met steun van de Koning Boudewijn Stichting

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur