Kort verhaal: Hippocrates

V. V. Ganeshananthan, een auteur die geboren is in de Verenigde Staten, geeft met dit korte verhaal een inkijk in de spiraal van geweld die Sri Lanka al decennia in haar greep houdt. Een universeel en aangrijpend verhaal dat jammer genoeg de tijd en de plaats waarin het gesitueerd is overstijgt.
Voor het goed fatsoen, al was het veel te laat voor fatsoen, reisde ik in het gezelschap van een ander meisje toen ik van Jaffna weggestuurd werd naar Colombo. Zij had, anders dan ik, niets verkeerds gedaan, en toen door een schok van de trein onze zweterige polsen elkaar raakten, trok ze haar lichaam met een ruk van het mijne weg, en ik vond dat ik dat verdiende. Wij kenden elkaar al sinds we heel jong waren en al die jaren hadden we elkaar aangeraakt op de vanzelfsprekende manier waarop vrienden, schoolkameraden en buren dat doen, maar dat alles deed er nu niet meer toe.
Toen ik in Jaffna was teruggekeerd, had niemand uit ons dorp gevraagd wat ik gedaan had in de tijd die ik bij de Tijgers had doorgebracht. Ze namen aan –terecht, vond ik toen– dat ik anders was dan zij en dat ik niet terug kon naar het leven waarvoor ik geboren was. Niemand sprak over de plaatsen waar ik heen was gegaan of over de mensen met wie ik gereisd had. Dat was niet het gevolg van een of andere omerta, maar meer van een gevoel van futiliteit: het had geen zin te discussiëren over wat al gebeurd was.
We waren op een punt beland waarop het al zoveel inspanning kostte om te leven, dat niemand er nog de adem voor overhad om met mij te praten. Ik begreep dat en was niet beledigd. Al was ik dan zelf geen Tijger geweest, ik had wel bij hen verbleven, en ik had hen verlaten. In het dorp was er niets meer voor mij, ook al was het nog steeds de plek die ik het beste kende en waar ik het meest van hield.
Mijn oom kwam me ophalen bij Colombo Fort Station. Het andere meisje vertrok zonder dag te zeggen, alsof we nooit samen over dezelfde stoffige wegen naar de lagere school gelopen hadden. Ik zag haar op een rij driewielertaxi’s toestappen, ze bewoog zich, net als ik, in een wereld van vreemden.
Mijn oom bracht me naar het huis waar hij en mijn grootmoeder woonden. Ik werd opgewacht door een vriendelijke, gerimpelde bediende. ‘Ga toch zitten’, zei de vrouw.
De stoel waarop ik zat was heel oud en de houten ribben van het frame stak door de bekleding van de armleuningen. De vloer was kaal en warm en voelde zachter aan dan de betonnen vloer van ons huis in Jaffna. De muren hingen vol foto’s en ik zag er een paar waar ik op stond, al was ik op sommige foto’s zo klein dat ik me niet meer kon herinneren dat ik daar geweest was.
Je ziet er helemaal volwassen uit, zei grootmoeder, en ik stond bruusk op, zo snel dat ik bijna het dienblad met thee uit haar handen sloeg. Zij herstelde zich en zette het dienblad neer op een tafeltje bij de stoel.
Mijn oom had het wel over haar gehad, maar toch was ik bijna vergeten dat zij hier zou zijn. Ze zag er veel ouder uit dan toen ze voor het laatst Jaffna bezocht had, vijf jaar daarvoor. De moeder van mijn moeder was een onvoorstelbaar lelijke vrouw, met een lange, zwarte geboortevlek over de linkerhelft van haar gezicht, en met de melkachtig blauwe ringen van de harde oogrok rond haar ogen.
Ik was intussen oud genoeg om niet meer bang te zijn van haar lelijkheid en om te weten dat ik later net als zij zou kunnen worden; dat de kans daarop zelfs nogal groot was. Zij was de eerste lelijke mens van wie ik ooit gehouden had, maar ze zou niet de laatste zijn. Op mijn negentiende was ik jong genoeg om schoonheid naar waarde te schatten en oud genoeg om te beseffen dat sommige vormen van schoonheid afsterven terwijl andere sterker worden met de jaren.
Die dag zag ik voor het eerst dat ik groter was dan zij. Ik was sowieso groot voor een vrouw en zij was niet echt klein – lengte was een familietrek. Haar bleker geworden gezicht vertelde me hoe ik er zou uitzien als de zachtheid van mijn gezicht zou verdwijnen. Haar handen vertoonden nog steeds geen rimpels en toen ze hen ophief om mijn wangen te strelen, herinnerde ik me dat ze ze dagelijks insmeerde met olie om ze zo te houden: haar enige ijdelheid. We zoenden elkaar tweemaal, een keer op elke wang, de manier waarop we elkaar altijd hadden begroet.
Ze praatte met me terwijl we thee dronken, en ze bereidde mijn avondeten. Net als mijn oom verwachtte ze niet dat ik zou antwoorden op wat ze zei, maar anders dan mijn oom hield ze van mij en ik genoot ervan naar haar te luisteren. Daarna stopte ze me in bed, alsof ik nog een kind was. Ik liet haar begaan. Het was een troostrijk gevoel om een uur lang behandeld te worden als een kind, ook al heb ik er nu nog moeite mee om dat toe te geven.
Toen ik wakker werd, hoorde ik de tempelbellen in de verte. Ik vroeg me af hoe de tempels er in Colombo uitzagen. Ze zouden zeker niet zo groot zijn als onze tempels in Jaffna, dacht ik; bij de goden van Colombo zou het wel benauwd en lawaaiig zijn, zweterig en vol rook, overal gedrang.
Ik hoorde nog iemand achter in het huis, in de keuken. Het geluid van een ketel die op het vuur gezet wordt. Ik had geleerd de geluiden die mensen maken te hanteren als merktekens, als vingerafdrukken voor het oor. Het was niet het geluid van de dienster, maar van de kalme, snelle stappen van mijn oom. Ik trok een kamerjas over mijn slaapkleed aan en ging de gang naar de keuken in, heel traag, alsof ik zijn routine niet wilde verstoren. Halfweg hoorde ik dat hij de radio aanzette. De stem van de nieuwslezer kraakte de ochtend in. Ik hoorde hem heel duidelijk. Ik hoorde wat hij zei, en toen vergat ik stil te zijn en rende weg, mijn voetstappen wekten het hele huis.
De stem op de radio zei dat er dit was gebeurd: een zwangere vrouw was naar een regeringsgebouw in Colombo gegaan. Ze had de lift naar de hoogste verdieping van het gebouw genomen – een belangrijk gebouw dat ik niet kende, aangezien ik nog maar pas aangekomen was en dus nog niet wist waar de belangrijke plaatsen in de stad lagen. Op de hoogste verdieping was ze uitgestapt en had ze naar het diensthoofd gevraagd, die een groot kantoor met een houten bureau had. Ze zei dat ze een afspraak had; de secretaris keek het na en zag dat het klopte.
De stem op de radio vertelde het niet, maar ik stel me voor dat het zo gegaan is: de vrouw moest even wachten en ze kreeg thee, met melk en veel suiker. Want ze was van Jaffna; ze hield van veel suiker in haar thee. Ze wachtte tien minuten en toen de secretaris haar riep, pakte ze haar tas, stond op en werd naar het kantoor gebracht. De man schudde haar de hand en noemde haar Mevrouw, met respect, al was ze zeker niet oud, wellicht niet ouder dan halverwege de twintig.
 Haar zwangerschap was heel zichtbaar, maar ontnam haar niet haar seksualiteit, vond hij; ze was een erg mooie vrouw, ze droeg een lange, groene zijden tuniek met daaronder een broek die de bleekheid van haar huid en het zwart van haar haar accentueerde. Ze droeg een rode pottu tussen haar wenkbrauwen, het kenmerk van een getrouwde vrouw, ook al was ze in werkelijkheid niet getrouwd. Ze schudde hem de hand en glimlachte ontwapenend.
De stem op de radio zei alleen: ze duwde op een knop om de eerste bom die ze droeg tot ontploffing te brengen.
Ik veronderstel dat die informatie cruciaal was.
Ik wil dat u dit begrijpt: ik was niet geboren voor actieve deelname aan een politieke strijd. Ik voelde mij niet geroepen. En deze vrouw was ook niet zo geboren. Zij was niet geroepen. Ze was geboren in een dorp in Jaffna, en soldaten waren haar huis binnengevallen, en hadden haar de een na de ander verkracht, en zij moest toezien hoe de mannen die haar verkracht hadden haar vier broers doodden.
Ik wil dat u dit goed begrijpt: dit is geen excuus en zelfs geen verklaring. Het is een feit. Zij werd niet geboren om op een doodgewone dag een kantoor binnen te stappen – een dag waarop de zon schijnt en driewielertaxi’s het verkeer in de straten verstoppen– en te proberen een bom te laten ontploffen. Dat was, volgens het forensisch onderzoek later, exact wat er gebeurd was.
Zij probeerde een bom te laten ontploffen. Maar dat mislukte, omdat het ding slecht in elkaar was gezet. Ik wil dat u zich dit probeert voor te stellen, zoals ik dat deed toen ik het hoorde: de bom ontplofte, maar niet helemaal, niet genoeg om hen meteen te doden zoals ze bedoeld had. De eerste, krachtige ontploffing greep haar en de man samen, en met haar verdwenen linkerarm en zijn onder de knie afgerukte rechterbeen leken ze op één dansend mens. Haar haar viel uit, in zijn open mond.
Twee veiligheidsagenten van het gebouw vielen na slechts enkele ogenblikken het kantoor binnen, en zij schreeuwde, en zij richtten hun wapens op haar. Ze hield de andere bom, de hulpontsteker en de detonator omhoog, als een prijs, en schreeuwde in het Tamil. De man probeerde haar te grijpen alsof hij wilde worstelen, en de bewakers mikten op haar. Hun training was ontoereikend voor deze situatie. Als ze de bom zouden raken, zou die ontploffen; als ze haar zouden raken, zou ze die toch tot ontploffing proberen te brengen. Ze mikten op de vrouw; ze schoten; ze misten.
Ze mikten opnieuw, de man schreeuwde opnieuw, hij probeerde haar tussen zichzelf en de bewakers in te duwen, en ditmaal trof een van hen haar in de schouder. Bloed bloeide op in de groene zijde. De andere bewaker mikte en raakte haar opnieuw. De kogel doorboorde haar nek. Ze reikte naar de wonde om haar te stelpen en liet daardoor de detonator vallen. Ze stierf en ze doodde andere mensen en het kon haar niet schelen, en dat maakte haar voor altijd anders dan ik.
Mijn grootmoeder vond me brakend op het toilet. Ze kwam achter me staan en hield mijn haar vast. Wat is er? vroeg ze. Ben je ziek?
Ik veegde mij mond af. Ik keek niet op en gaf geen antwoord. Ik braakte opnieuw, maar er was niets meer in mijn maag. Ik keek naar mijn buik en dacht aan Saavi’s buik, de bollende buik van haar zwangerschap. Sommige vrouwelijke zelfmoordactivisten gebruiken zwangerschap als vermomming, niet alleen omdat het makkelijk is om zo explosieven te verbergen, maar ook omdat de aanblik van een moeder de kordaatheid van de veiligheidsagenten doet verslappen. Iedere agent heeft immers zijn eigen moeder.
Een overtreding tegen een moeder is een universele overtreding; als een man aardig is voor een moeder, dan verbeeldt hij zich dat op een andere plek iemand opstaat en zijn treinzitje afstaat aan zijn moeder of dat iemand haar boodschappen helpt dragen. Hij herinnert zich hoe zijn vrouw eruitzag in haar eerste drie maanden; hij denkt aan zijn jongere broers en zusters of misschien aan zijn eigen kinderen. Hij denkt aan het leven, aan herhaling, aan de dingen die telkens weer gebeuren, zoals ze bij hem gebeurd zijn. Hij denkt er niet aan dat iemand met zo’n buik, met die vorm, de dood zou kunnen dragen.
Daarom is het de beste vermomming. En dat was waarom ik moest overgeven. Ik wist dat die vrouw in dat kantoorgebouw, die de lift naar de bovenste verdieping genomen had, Saavi moest zijn. Want de stem op de radio had gezegd dat ze duidelijk hadden kunnen vaststellen dat de zwangerschap van de vrouw echt was, geen vermomming. Ik was degene die haar moest vertellen dat ze zwanger was. En ik wist dat zij de aanslagpleegster was. Iedereen zou doen alsof, behalve Saavi.
Ik had Saavi in maanden niet gezien, ongeveer net zo lang als het duurt om opgeleid te worden bij de Zwarte Tijgers, een scenario zoals zij had uitgevoerd in te studeren, en een zwangere buik te laten uitgroeien tot een hoogzwangere buik. Ik had haar ontmoet toen ik haar wonden behandelde in een medische tent net buiten een van de rebellenkampen. Ze was toen geen Tijger. Ze was daar opgedaagd en had kalm om een vrouw gevraagd, ook al was haar neus duidelijk gebroken en een van haar oren gescheurd. Ze was ongeveer even oud als ik.
Ze had haar lange jurk tussen haar benen en om haar middel geknoopt en hield hem verkrampt vast, alsof haar hele wezen alleen daardoor samengehouden werd. Ik had oudere vrouwen in de dorpen gezien die dat deden; mensen fluisterden dat ze zoveel kinderen gebaard hadden dat hun baarmoeder uit hun schoot dreigde te vallen.
Maar ik wist dat het bij haar anders was. Ze vertelde me niet wat er met haar gebeurd was; de wachtpost die haar had binnengebracht deed dat, zodat zij zichzelf niet hoefde te herhalen. Hij kende haar uit het dorp, van voor de tijd dat de soldaten kwamen om de vrede te bewaren en de vrouwen te verkrachten, en hij vertelde kalmer en professioneler over wat er met haar gebeurd was dan ik zelf had gekund, als ik haar al gekend had. Een van haar dode broers had bij hem in de klas gezeten.
Ze was het eerste slachtoffer van een verkrachting dat ik ooit verzorgd had, daarom herinner ik het mij allemaal nog zo goed, vooral omdat ik vandaag, als spoedarts op een plek die oceanen verwijderd is van de medische tenten, voortdurend aan de slag ben met verkrachtingspaketten. Toen ik in Tijgerterritorium meisjes uit de dorpen moest behandelen, had ik geen verkrachtingspakket. Ik besefte niet dat er een volgorde was, een procedure, om een lichaam met dit zeer bijzondere trauma te in kaart te brengen; ik wist niet dat er een draaiboek is van dingen die het best gezegd en gedaan kunnen worden.
Dit was waarvoor onze moeders ons hadden gewaarschuwd: mannen en hun verlangens, mannen en hun wil, mannen en hun lichamen die zich aan ons opdringen. Sommige mannen hadden alles wat heilig was uit haar huis weggehaald; sommige mannen hadden alles dat zij als heilig beschouwde uit haar lichaam geroofd.
Zij vergiste zich; ze had haar waarde niet verloren. Maar wij leefden niet in een wereld die dat wist. Zelfs ik, de medische werkster, de halve dokter, wist onvoldoende om dat te zeggen. Ik was te jong en te verbouwereerd, bezig verbandgaas af te rollen en de wonden in haar gelaat zacht met alcohol te deppen om ze schoon te maken. Ik was nog geen arts, maar wist al wel wat over beenderen: ik kon dit gezicht taxeren, of wat dit gezicht geweest was tot voor kort.
Ik zag de vernielingen van de topografie ervan aan de hand van waar de lijnen voordien hadden gelopen: het hoge, versplinterde kaakbeen, de voorheen slanke neus, de bloederige rij tanden, de smalle, rode tong waarin ze diep gebeten had. Ze had langwerpige ogen met fijne wimpers, ogen die me bijna zonder te knipperen aanstaarden. Ze was ongewoon blank van huid – een gewaardeerd teken van schoonheid, behalve in deze tijden, nu de tekenen van schoonheid vrouwen tot doelwit maken. Ik was plots dankbaar voor mijn eigen donkere gezicht, mannelijke houding en ongemakkelijke, onvrouwelijke lengte.
Nadat hij kort zijn geschiedenis en haar naam gegeven had, vertrok de wachtpost. Er was in de tent plaats voor niet meer dan twintig patiënten. Sommige mensen die ik behandelde waren burgers, maar het merendeel waren strijders; zij hadden kogel- of schrapnelwonden; zowel de burgers als de strijders waren soms opgepakt en gefolterd door het leger. Ik lapte hen op en stuurde hen dan meestal weer naar buiten. Slechts weinigen bleven langere tijd bij mij. De tent was zo goed als leeg. Ik nam haar mee naar een hoekje en legde haar neer op een laken op de grond. Ik knielde naast haar neer.
Het spijt me dat er niets beters is, zei ik.
Ze antwoordde niet, maar ik hoorde haar zachtjes kreunen toen ze ging liggen. Ik gaf haar een paar pijnstillers. Een spuit morfine. Godzijdank hadden we nog wat over en vond ik makkelijk een ader. Ik zuiverde de oppervlakkige wonden en kneuzingen, maar ik bewaarde de bewijzen niet, zoals ik vandaag zou doen. Ik liet het bloed onder haar vingernagels voor wat het was; ik maakte een lange zwarte haar los uit haar gebalde rechtervuist en gooide ze weg. Het had geen zin dat te bewaren.
‘Toen tilde ik haar knieën zó op dat haar enkels plat op de grond kwamen te liggen, maakte haar rok los en ontblootte haar’? Goed, zei ik, maar dat was minstens evenzeer om mezelf gerust te stellen als om haar te sussen.
Ik had gehoopt dat de morfine haar in slaap zou wiegen, zodat ze zou vergeten dat ik het traject van haar aanranding terug zou lopen, maar ze staarde met droge ogen naar het dak van de tent terwijl ik haar onderzocht. De mannen hadden haar opengescheurd; haar verkrachte lichaam was gescheurd alsof het door helse barensnood gegaan was. Ik vroeg me af of ik het zou aankunnen om deze allerprivaatste wonde te hechten, en toen, in een plotselinge opstoot die niet helemaal ontzetting was, wist ik dat ik het kon. Dat besef was vreselijk, en om mijn verdriet voor haar –voor ons– verborgen te houden, kneep ik mijn mond dicht.
Dit gaat je nog meer pijn doen, zei ik.
Dat doet er nu niet meer toe, zei ze.
Ik bood meer morfine aan, maar ze keek alleen maar weg. Er was geen reden meer om te wachten. Ik stak een lucifer aan om de eerste naald te steriliseren. Ik had zo graag, en nu nog steeds, haar hand willen vasthouden, maar hier had ik mijn beide handen voor nodig.
Daarna liet ik haar een uur lang liggen, maar ik zag haar niet slapen. Ik kwam terug om haar oor te verzorgen en haar neus te pleisteren, ik liet haar rechtop zitten. Toen ik haar hoofd een beetje van me weg draaide, zodat ik haar oor kon zien in het wegstervende licht, opende ze haar mond en begon te spreken.
Ik had vier broers, zei ze.
Ik aarzelde voordat ik iets zei. Maar toen: ik had ook vier broers, zei ik, haar oor bettend met een propje watten.
Wat hebben ze met de jouwe gedaan? vroeg ze.
Ik doopte de naald in alcohol en streek een lucifer aan om ze te steriliseren.
Het leger doodde een van mijn broers, zei ik. De oudste. De tweede was een Tijger. Hij werd bij Kopay begraven. De derde heeft het land verlaten. En de vierde, mijn jongste broer, heeft zelfmoord gepleegd.
Het leger heeft alle vier mijn broers vermoord, zei ze.
Ik weet het, zei ik. Het spijt me heel erg.
Ik stak de naald in haar oor. Tot dan toe had ze geen geluid gemaakt, maar nu hoorde ik haar sissen van de pijn.
Wil je morfine? vroeg ik.
Nee, zei ze. Ik voel nu iets. Ik wil weten wat er gebeurt en als de pijn verdwijnt is het misschien nog erger.
Ze had gelijk. Pijn deelt je iets mee. Pijn tekent een kaart. Artsen zijn geneigd pijn weg te nemen, maar pijn is informatie en als je die verliest, verlies je iets waardevols. Pijn is nuttig, zelfs als afleiding. Wat pijn doet, bestaat. En als je lichaam pijn doet, dan is je geest daarmee bezig en kan je niet te diep nadenken over wat er met je gebeurd is.
Ik hield de stukken van haar oorlel bij elkaar en probeerde de hechtingen zo klein mogelijk te maken. Ik had moeten beseffen dat zij niet meer gaf om de bewijzen van de schade. Maar misschien maakte dat deel uit van mijn taak: in haar plaats voor haar te zorgen.
Bloed ik vanbinnen? vroeg ze.
Nee, alleen aan de buitenkant, zei ik. Haar kneuzingen begonnen te verkleuren. De bonte pruimen van haar zwellingen puilden uit haar voorhoofd en kaken.
Het doet pijn als ik ademhaal, zei ze.
Haar ribben waren wellicht gebroken. Ik pakte de morfinespuit weer op.
Ik ben bang dat ik in slaap val, zei ze.
Praat tegen me, zei ik.
Ze vertelde over haar broers en ik luisterde niet naar haar. Ik dacht aan de mijne. We wisten niet waar Dayalan begraven was, maar een buurman had ons verteld dat hij samen met een klasgenoot naar een detentiecentrum gebracht was, en de dood van die man was bevestigd. Op Velans graf bij Kopay stond de naam van ons dorp en de datum van zijn dood – mijn moeder zei dat de Tijgers de mensen er niet aan wilden herinneren hoe jong sommige rebellen waren.
En Aran was weg, het land uit gesluisd door een oude professor die inzag dat de ingenieursintelligentie van zijn geprezen student aangewend zou worden voor ballistiek en wapens, als hij zou blijven. Seelan had zich bij de Tijgers aangesloten en had zijn cyanidecapsule doorgebeten, niet omdat hij gemarteld werd, maar omdat hij zich eenzaam voelde. Sommige mensen zeiden dat hij gesneuveld was in de strijd, maar een van zijn vrienden was langsgekomen en had de waarheid verteld.
Ze begon trager te spreken, haar stem sleepte door de morfine, en ik wou dat ik dat met haar kon delen, dat ik me voorover kon buigen, het spuitje verwisselen en mijn eigen arm vol slaap pompen, dat ik naast haar op het laken kon liggen, dat we allebei onze ogen konden sluiten en ons geen zorgen meer maken.
Ze was mooi, ze was kleiner dan ik, maar zo verschillend waren we niet: twee meisjes, uit dorpen in Jaffna, allebei met vier broers, alle vier weg.
En hun lichamen? zei ze. Wat gebeurt er met hun lichamen? Wat zullen mijn ouders doen?
Slaap nu maar, zei ik.
Ze begon plots te snikken en stokte met een korte, droge snik die bijna klonk als een kuch. Ze sloot haar ogen, maar ik bleef nog lange tijd bij haar waken.
Ik was dankbaar die dag dat ik er was om haar te behandelen. Ik was naar de Tijgers gegaan vanwege mijn geloof dat iedereen recht had op gezondheidszorg. Hen behandelen gaf me niettemin het gevoel dat ik door moerasgebied waadde. Dit voelde anders aan: het voelde als zuivere gezondheidszorg, zorg zoals ik mij al van kindsbeen af gedroomd had.
Op dat ogenblik, terwijl ik daar in de tent bij haar zat, dacht ik dat ik eindelijk de patiënt gevonden had die ik kon behandelen zonder dat dat verder consequenties had, een patiënt die kon terugkeren naar haar dorp om er een leven leiden – een beschadigd leven, weliswaar, maar een leven dat een beetje draaglijker zou zijn door wat ik gedaan had.
Ik dacht, echt waar, dat we op een dag allebei in staat zouden zijn terug te keren naar het dorp waar we geboren waren. Ik had er geen idee van dat ik zou vertrekken. Ik had er geen idee van dat zij dat kantoorgebouw zou binnengaan en dat ze de lift naar de hoogste verdieping zou nemen.
‘Zij werd niet geboren om op een doodgewone dag waarop de zon schijnt een kantoor binnen te stappen en te proberen een bom te laten ontploffen.
Copyright 2009 V. V. Ganeshananthan

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift