Krijgen ‘realisten’ overhand in Amerikaanse buitenlandbeleid? - analyse

Na twee jaar overwicht zitten de neoconservatieve haviken in het defensief bij de machtsstrijd om het Amerikaanse buitenlandbeleid. De VS maakten de afgelopen weken een duidelijke bocht in Irak door de machtsoverdracht te vervroegen naar juni volgend jaar. Maar minder opvallend was de geruisloze koerswijziging ten opzichte van Iran, Noord-Korea en het Internationaal Strafhof. De stuurlui in kwestie zijn gematigde adviseurs en ambtenaren die weinig banden hebben met het neoconservatieve kamp.


President George W. Bush hanteerde tijdens zijn bezoek aan Groot-Brittannië nog volop de hooggestemde retoriek waar de VS de voorbije 15 maanden de mond van vol hadden: we zullen de Arabische wereld democratie bijbrengen, wat de tol ook mag zijn. Maar de (pseudo-)morele ambities van de haviken worden ondergraven door de beslissing om de machtsoverdracht in Irak te versnellen. Van een grondige ‘ont-Baathisering’ (volgens de neo-conservatieven absoluut nodig om de democratie een kans te geven in Irak) is intussen geen sprake meer. De toekomstige ordediensten in Irak worden nu aan zo’n hels tempo klaargestoomd dat daar onvermijdelijk Saddam-getrouwen moeten tussen zitten.

Zelfs neoconservatieve opiniemakers als William Kristol, de hoofdredacteur van de ‘Weekly Standard’, noemen de plannen van de regering nu een exit-strategie, eerder dan een overwinningstactiek.

De tanende invloed van de neo-conservatieven is echter ook zichtbaar buiten Irak. Tijdens zijn bezoek aan Azië eind vorige maand verklaarde de president dat hij ook op papier wil beloven om Noord-Korea niet aan te vallen. Dat was een grote overwinning voor de realisten in het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat al maanden voorstander zijn om de nucleaire dreiging op een pragmatische manier op te lossen.

Inzake Iran, die andere ‘schurkenstaat’, boekten Buitenlandminister Colin Powell en de zijnen twee overwinningen: het plotse ontslag vorige maand van onderminister voor internationale veiligheid J.D. Crouch II, een notoire havik, en de aankondiging van het State Department dat Washington de dialoog met Iran hervat.

Over een normalisering van de diplomatieke betrekkingen met Iran is nog geen overeenstemming bereikt (de nieuwe koers werd enkel aangekondigd door onderminister van Buitenlandse Zaken Richard Armitage), maar de bocht lijkt ook daar ingezet. De regering legde zich deze week stilzwijgend neer bij het feit dat er geen VN-resolutie komt voor sancties tegen Iran, dat geen volledige duidelijkheid schiep over zijn nucleair energieprogramma. Tot groot ongenoegen van het Pentagon.

En dan is er nog het Internationaal Strafhof ICC in Den Haag. De VS blijven gekant tegen de internationale berechting van oorlogsmisdadigers. Maar deze week maakte Washington een uitzondering op haar omstreden tactiek om de werking van het Strafhof te ondermijnen met bilaterale verdragen. De Amerikaanse regering kondigde aan dat ze geen sancties wil treffen tegen de zes centraal-Europese landen die weigeren af te zien van hun recht om Amerikanen uit te leveren aan het ICC. Powells onderminister John Bolton, die behoort tot het kamp van de neo-conservatieven, ziet daarmee zijn 18 maanden oude kruistocht tegen de ICC-landen gedwarsboomd.

Sommige waarnemers zien in deze ontwikkelingen de hand van gematigde politieke adviseurs. Karl Rove, Bush’ nauwste politieke adviseur, is de belangrijkste onder hen. Rove zou al in september gezegd hebben dat de president zich “geen oorlog in 2004” kan veroorloven. Dat advies neemt Bush ter harte, want zijn achteruitgang in de opiniepeilingen is grotendeels aan de gesneuvelde Amerikaanse soldaten in Irak toe te schrijven. Nog een minderheid van de Amerikanen gelooft dat de redenen voor de oorlog in Irak – banden met al-Qaeda terroristen en massavernietigingswapens – gegrond waren.

Daarmee is meteen ook de verklaring gegeven voor de tanende invloed van de haviken in de ploeg van Bush. Het feit dat ze de naoorlogse situatie in Irak verkeerd hebben ingeschat, ondermijnt hun bijdrage aan het debat.

Nationaal Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, die zowat tussen beide kampen in laveerde, doet sinds oktober volop mee aan de operatie schadebeperking. Ze richtte de Stabilisatiegroep voor Irak (ISG) op binnen haar departement, een initiatief dat minister van Defensie Donald Rumsfeld met lede ogen moest aanzien.

Belangrijker nog was haar aanwerving van de voormalige Amerikaanse ambassadeur in India, Robert Blackwill, een pragmaticus die niet van avonturen houdt. Blackwill lijkt als crisismanager de touwtjes stevig in handen te hebben. Paul Bremer, de voorlopige bewindvoerder van Irak, werkt nu rechtstreeks met hem samen. Hij omzeilt daarmee Donald Rumsfeld, die het voorlopige bestuur in theorie controleert. Blackwill en Bremer kennen elkaar volgens de krant de ‘Washington Post’ al dertig jaar. Dat verklaart waarom Blackwill, door een vriend omschreven als “geen ideologische dromer”, een dikke vinger in de Irakese pap heeft gestoken.

Een laatste teken dat deze week aan de wand verscheen, is het nieuws dat het voorlopige bestuur (CPA) in Irak dubbel zoveel ambtenaren uit het ministerie van Buitenlandse Zaken krijgt. De pionnen van Powell worden opgevoerd tot 110. Het zijn bijna allemaal Arabisten uit het Midden-Oostenbureau, zeer tegen de zin van het Pentagon.

Het valt af te wachten of de koerswijzigingen inzake Noord-Korea, Iran en het ICC het begin vormen van een nieuw machtsevenwicht in de Amerikaanse regering. Voor hetzelfde geld zijn de milde standpunten een tactisch manoeuvre om de onrustige Amerikaanse kiezers te sussen.




Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift