Kwabena Nketia: 'Afrikaanse kunst in de toekomende tijd'

De universiteit van Legon ligt aan de rand van de Ghanese hoofdstad Accra. De campus ligt er, zoals de hele stad, stoffig en mistig bij. De harmattanwind blaast de eerste maanden van het jaar immers grote ladingen saharazand naar West-Afrika. Uit één van de gebouwen komt indringend getrommel, begeleid door gestamp van blote voeten op de houten vloer. Uit een ander gebouw klinkt het nadrukkelijke typewerk van een secretaresse. Elders overheerst het gebrom van versleten aircotoestellen. Midden deze verzamelde ritmes van de tegenwoordige tijd ontmoet ik professor Kwabena Nketia, specialist in de West-Afrikaanse muziektradities uit de verleden tijd. We praten over Afrikaanse kunst in de globaliserende wereld.
Professor J.H. Kwabena Nketia werd zevenenzeventig jaar geleden geboren, op een dinsdag verklapt het ‘Kwabena’-stuk van zijn naam. ‘Als ik terugkijk op mijn leven, dan denk ik vaak dat ik veel geluk gehad heb dat mijn ouders gewone, ongeletterde mensen waren. Mensen die geen enkele afstand hadden tegenover de traditie waartoe zij behoorden. Dat heeft mij in staat gesteld om die traditie ook zo diepgaand te onderzoeken’, zegt hij. Kwabena Nketia werd eerst onderwijzer, maar ging zich later bijscholen in Londen en werd zo specialist in de etnische muziektradities van Ghana en West-Afrika. Hij doceerde aan de Universiteit van Ghana, maar ook aan Noord-Amerikaanse universiteiten zoals UCLA, Pittsburgh en Harvard. Hij gaf les in Australië en in China, was cultureel raadgever bij de Ghanese en de Tanzaniaanse regeringen en hij publiceerde in totaal meer dan 200 bijdragen over Afrikaanse muziek. Tussendoor componeerde hij zelf ook nog muziek. Sinds zijn pensionering begon hij met het ‘International Center for African Music and Dance’. Onlangs kreeg hij de Nederlandse Prins Claus Prijs, omwille van zijn uitzonderlijke bijdrage op het vlak van cultuur en ontwikkeling, en einde maart neemt hij in Antwerpen deel aan de studiedag ‘Glokale kunst in Vlaanderen’. Als ik dit levende culturele monument vraag wie hij werkelijk is, dan antwoordt hij kortweg: ‘Ik ben een Ashanti.’

Is uw etnische afkomst zo belangrijk voor u?

Voor een Afrikaans kunstenaar is zijn etnische identiteit een kracht. Het is zijn vertrekpunt voor het creëren van kunst. Daarom mogen we etnische tradities niet laten verworden tot museumstukken. Ik denk niet dat we lijden aan een overbenadrukking van onze etniciteit, integendeel: de meeste Afrikaanse kunstenaars zijn veel te weinig vertrouwd met hun eigen etnische tradities. Dat komt omdat ze in de steden wonen, ver weg van de omgeving waar die tradities levend gehouden worden, maar ook omdat er bijna geen systematische kennis is van die tradities. Dus pikken deze jongeren een paar oppervlakkige elementen op en denken meteen dat ze volwaardige Ashanti kunstenaars zijn.

Kunt u het belang van de etnische identiteit blijven verdedigen na de genocide in Rwanda, die toch grotendeels etnisch geïnspireerd was?

Etniciteit het tegengestelde is van tribalisme. Tribalisme is een politieke ideologie die alleen de rechtmatigheid van de eigen etnie erkent. Het is een etnische vorm van fascisme en dat kan ik niet luid genoeg veroordelen. Etniciteit is het vertrekpunt voor dialoog. Tribalisme is overigens ook niet in overeenstemming met de houding van de traditie die wel geïnteresseerd was in de culturen van de buren. Van reizigers werd verwacht dat ze interessante elementen van andere volkeren meebrachten naar huis. In de annexatie-oorlogen die de Ashanti vóór de kolonisatie voerden, werden artiesten altijd gespaard. Zij waren immers de belichaming van de kennis en de kunde van de andere volkeren. Het probleem van de etniciteit is niet gelegen in het verleden, maar in de vraag hoe je die etniciteit zin geeft binnen de hedendaagse natie-staat waarin we leven en waarmee Afrikanen het blijvend moeilijk hebben.

Is het voor Afrikaanse kunstenaars die in Europa werken ook belangrijk om hun etnische achtergrond te benadrukken?

In de eerste plaats wel: etniciteit is immers een bron van vormen en betekenissen die de creatie stimuleren; het is ook de bron van de creatieve identiteit van de kunstenaar. Anderzijds zal de situatie in Europa complexer zijn, aangezien de etnische identiteit er vaak niet gezien wordt als een vertrekpunt voor dialoog, maar als een argument voor het afwijzen van de andere óf voor het opsluiten van die kunstenaar in de vooroordelen die men heeft over zijn achtergrond. Het anders-zijn van de Afrikaanse kunstenaar keert zich dan tegen hemzelf. Trouwens, veel Afrikaanse kunstenaars proberen munt te slaan uit de fascinatie van een deel van het Europese publiek voor het exotische.

U schat de Europese interesse voor Afrikaanse kunst niet hoog in?

Toch wel. Er is namelijk niet enkel het oppervlakkige exotisme, maar ook de Europese geschiedenis van artistieke appreciatie, waardoor kunstuitingen benaderd kunnen worden zonder de culturele context van dit kunstwerk te kennen of te begrijpen. Dat is een rijkdom, al is die ook niet zonder problemen. Dat bleek in 1995 toen de tentoonstelling ‘Africa. The art of a continent’ in Londen bekritiseerd werd omdat rituele voorwerpen uit hun cultuscontext gehaald waren en gepresenteerd werden als kunstwerken, terwijl ze in feite zo niet bedoeld waren. Een ritueel is een handeling, een vorm van theater. Het voorwerp dat als kunst gepresenteerd wordt, maakt deel uit van die handeling, het is geen geïsoleerd en statisch voorwerp. Ik denk dat dit soort voorwerpen vraagt om een holistische presentatie, waardoor de oorspronkelijke betekenis opnieuw -al was het maar voor een deel- ervaarbaar wordt. Maar als je die voorwerpen in een glazen tentoonstellingskast stopt, dan doe je alsof ze net als die andere ‘kunst voor de kunst’ kunstwerken zijn. En dat is een leugen. De Europese tentoonstellingstraditie moet doorbroken worden, de Europese festivaltraditie moet omgevormd worden. Want door Afrikaanse kunst te plaatsen in een omgeving die gecreëerd is voor heel andere kunstbenaderingen, doe je de Afrikaanse kunst tekort. Om van muziekfestivals of tentoonstellingen of dansvoorstellingen echt draaischijven van begrip en ontmoeting te maken, moeten de organisatoren, de journalisten en de critici een veel grotere inspanning leveren om het publiek meer te geven dan wat oppervlakkige wetenswaardigheden. Verstandhouding groeit tenslotte vanuit wederzijds inzicht.

Brengt kunst dan toch de oplossing van de kwalen van de wereld?

Kunst kan de idee van menselijkheid redden. Meer niet, maar dat is ook geen geringe verdienste. Kunst is geen vrijblijvend of makkelijk beheersbaar gegeven. Kunst is spel en dus zijn de mensen die erin betrokken zijn even belangrijk als het product dat gemaakt wordt. De relaties die voorafgaan aan een concert, vormen een deel van het hele concept van de artistieke creatie. Ook Afrikaanse dans is gebaseerd op de Afrikaanse gevoeligheid voor relaties, het is geen individuele wedstrijd. Veel mensen denken dat dansen een kwestie is van wilde ritmes en acrobatische toestanden, terwijl bij de Yoruba bijvoorbeeld gold dat je moest kunnen dansen zonder te zweten. De energie werd niet gestoken in het uitbundige, maar in de beheersing. Een ander voorbeeld: een uitstekende drummer die de andere muzikanten of de dansers domineert, wordt niet gevraagd. Want hij verstoort de sociale functie van de dans. En de meeste Afrikaanse dansgroepen doen vandaag nu net niét wat hun traditie vereist, maar wel wat deze of gene -meestal Westerse- choreograaf hen oplegt.

Wat betekent de globalisering voor de Afrikaanse kunsten?

In zekere zin is de globalisering een bedreiging, omdat het zoveel mensen en middelen naar één zijde van het artistieke spectrum trekt. Krachtige, individuele kunstenaars kunnen zelf heel bewust omgaan met het hele aanbod en er hun eigen keuzes in maken. Maar er is wel degelijk een tendens om het ‘pop’genre te verkiezen boven de traditionele kunst en dat is zeker geen goed nieuws. Culturele globalisering mag niet leiden tot eenheidsworst, dat is duidelijk. Maar ik zie dat ook niet gebeuren. Mensen lenen ideeën of elementen van elders, maar ze geven die een plaats in hun eigen kader, in hun eigen zingevingssysteem. Dat is het mooie van de globalisering: ze vergemakkelijkt de uitwisseling van ideeën. Dat stemt me optimistisch. Het probleem met deze internationale uitwisseling van ideeën en ervaringen is dat ook op dit vlak de onrechtvaardigheden van de wereld zichtbaar worden. Zo zijn er veel meer Afrikaanse muziekgroepen die op tournee gaan in Europa dan in Afrika zelf. De reden is simpel: de Europese koopkracht is veel groter dan de Afrikaanse. De gevolgen zijn even simpel: de artistieke bevruchting in Europa is veel groter dan in Afrika.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur