Lakhdar Brahimi: Nog geen wapenstilstand in Afghanistan

De Algerijnse diplomaat Lakhdar Brahimi (°1934) stond aan het hoofd van de VN-missie die de toekomst van Afghanistan moest op sporen zetten na de val van de taliban in 2001. MO* sprak met hem in Ieper, waar Brahimi op uitnodiging van het Vlaams Vredesinstituut de 11 novemberlezing hield. ‘De voornaamste les uit Afghanistan is dat we beter moeten luisteren naar wat de mensen zelf willen. En dat we minder arrogant moeten zijn.’

  • Gie Goris Gie Goris

Lakhdar Brahimi weet een en ander over oorlog en vrede. Dat was ongetwijfeld de reden waarom het Vlaams Vredesinstituut en de stad Ieper hem uitnodigden om de jaarlijkse 11 novemberlezing te houden. Hij was de vertegenwoordiger van de Algerijnse onafhankelijksbeweging in Indonesië – toen een belangrijke speler in de Beweging van Ongebonden Landen – en werd later actief binnen de Verenigde Naties. Hij leidde onder andere vredes- of heropbouwmissies in Zuid-Afrika, Libanon, Haïti, Afghanistan en Irak.

Zijn eerste missie in Afghanistan begon in 1997 en had als doel de verzoening tussen de taliban en hun tegenstrevers, verenigd in de Noordelijke Alliantie, te bewerkstelligen. Daarvoor probeerde hij een initiatief op poten te zetten met de zes buurlanden plus Rusland en de Verenigde Staten. Na twee jaar nam hij ontslag omdat er te weinig medewerking was van de buitenlandse actoren, waardoor er ook op het terrein geen vooruitgang mogelijk bleek. Na de omverwerping van de taliban keerde hij terug naar Kaboel als hoogste VN-vertegenwoordiger. Hij hielp onder andere de cruciale conferentie in Bonn (december 2001) organiseren. De Pakistaanse auteur Ahmed Rashid citeert Brahimi daarover in zijn boek De dreiging van chaos: ‘De taliban hadden erbij moeten zijn in Bonn. Dat is onze erfzonde.’ Vindt hij dat anno 2011 nog steeds?

Lakhdar Brahimi: ‘Ik denk niet dat ik het destijds zo gesteld heb. Het was onmogelijk om de taliban in Bonn aan de tafel te hebben. Maar hun afwezigheid had wel gezien moeten worden als een heel ernstige tekortkoming. Zij controleerden een paar maanden daarvoor nog negentig procent van de steden, dus waren ze een macht om rekening mee te houden, ook al waren ze door de westerse coalitie uit de steden weggebombardeerd. De echte erfzonde was dus dat, toen iedereen terugkeerde uit Bonn, niemand de vanzelfsprekende vraag stelde: ‘Waar zijn de taliban?’ Ze hadden zich aan niemand overgegeven, er was geen verklaring ondertekend die een einde aan de gevechten maakte, en dus had elke nieuwe machthebber in Kaboel contact met hen moeten zoeken. Dat zou een groot verschil gemaakt hebben.

Waarom was iedereen toen blind voor wat nu zo evident lijkt?

Lakhdar Brahimi: Iedereen had zo zijn eigen redenen. De Noordelijke Alliantie had pas de macht veroverd op hun taliban-rivalen, zij hadden geen zin om met hen aan tafel te gaan zitten. De Indiërs en de Iraniërs waren maar wat blij dat de taliban van het toneel verdreven waren, net als de Russen. Voor de Amerikanen waren de taliban hetzelfde als Al Qaeda. En Pakistan werd samen met de taliban verslagen, dus van daar kwam ook geen druk. Ik was de enige destijds die bescheiden vroeg of het toegestaan was me af te vragen waar de taliban gebleven waren. Ik betreur nu dat ik die vraag toen niet veel luider gesteld heb.

En, waar waren de taliban in 2002?

Lakhdar Brahimi: Velen van hen waren gewoon in Afghanistan. Maar ze kwamen niet aan de oppervlakte, omdat ze wisten wat er met hen zou gebeuren. De minister van Buitenlandse Zaken onder de taliban, Wahil Ahmed Mutawakil, onderhandelde wel over zijn overgave met de westerse troepen in Kandahar. De afspraak was dat hij ondervraagd en dan vrijgelaten zou worden. Hij bleef twee jaren in de gevangenis. Als dat met Mutawakil gebeurde, dan hadden de kleine garnalen natuurlijk helemaal geen zin meer om zich te melden. Ook al waren er veel taliban die het oneens waren met Mollah Omar om Bin Laden te blijven beschermen. De Afghanen weten een en ander over het verliezen van oorlogen. Maar ze zijn niet bereid zich naar de slachtbank te laten leiden.

Er waren, met andere woorden, serieuze kansen om ook de taliban te betrekken in de heropbouw van Afghanistan na 2001?

Lakhdar Brahimi: Absoluut. Maar aangezien niemand de taliban wou zien, konden ze ook niet meewerken. De andere grote fout van het begin was het veel te kleine engagement van de internationale gemeenschap. Bij de oprichting van de International Security Assistance Force (ISAF) kreeg die het mandaat om te opereren in Kaboel, maar ook de opdracht om uit te breiden naar andere delen van het land ‘indien dat mogelijk zou blijken’. De schrik was immers dat de Afghanen elke aanwezigheid van buitenlandse troepen zouden verwerpen. Onmiddellijk werd duidelijk dat de vraag in alle hoeken van het land groot was om ook een kleine aanwezigheid van ISAF te krijgen. Er was namelijk een volkomen machtsvacuüm en men wilde dat zo snel mogelijk opvullen. Op 25 januari 2002, op een conferentie in Japan, zei Kofi Annan dat ISAF klaar was om naar andere regio’s te trekken als er meer troepen ter beschikking zouden komen. Ik heb toen de ronde gedaan van mogelijke partners, maar niemand wou soldaten sturen.

U klopte alleen op de deuren van Navo-landen?

Lakhdar Brahimi: Ik was destijds fel gekant tegen een traditionele VN-blauwhelmenoperatie omdat we allemaal dachten dat de Afghanen niet opgezet zouden zijn met vreemde troepen. Dus hadden we behoefte aan overmacht van goed bewapende en goed gecoördineerde troepen. Vandaag denk ik dat het beter zou geweest zijn om 20.000 blauwhelmen te hebben dan de –oorspronkelijk kleinere, maar beter bewapende– ISAF. Ik kwam tot dat besef toen ik zag dat die 5000 ISAF-soldaten in feiten slechts 800 soldaten op straat brachten, terwijl de overige 4200 moesten instaan voor de beveiliging en omkadering van die gevechtstroepen. Een leger met viermaal meer koks dan soldaten, dat levert niets op.

De Navo, de VN, de VS, de EU: opgeteld beschikken die instellingen over ongekende mogelijkheden en middelen. Toch maken ze de ene blunder na de andere. Hoe verklaart u dat?

Lakhdar Brahimi: Organisaties leren heel langzaam. Wat mensen zoals ik ervaren en leren doet er op termijn zelfs niet toe. Want de VN zijn eigendom van de lidstaten. En dan moet je de vraag stellen of die lidstaten wel gedreven worden door het gemeenschappelijk belang of door de behoeften van een land als Afghanistan.

En wat hebt u zelf geleerd uit de fouten van die eerste jaren in Afghanistan na 2001?

Lakhdar Brahimi: De eerste les is: luister naar de mensen. En wees niet arrogant. Denk niet dat je alles beter weet. Dat is een moeilijke opdracht. De andere les is dat mensen met de juiste instelling en doelstelling moeten komen, als ze naar een land in moeilijkheden komen. Vaak hebben zowel civiele als militaire expats een agenda waar Afghanistan maar een klein stukje van is, en waarin de belangen van de Afghanen nauwelijks meetellen. We beseften bijvoorbeeld in 2002 te weinig dat de Amerikanen in Afghanistan waren voor wraak, niet voor heropbouw, en bovendien waren ze met hun hoofd al in Bagdad. Ze keerden pas terug toen ze zagen dat het helemaal fout liep in Irak en ze dringend een succes zochten in Afghanistan, maar toen was het te laat. Het kortetermijndenken, onder andere gedreven door de verkiezingscycli, is over het algemeen een probleem bij de interventies door het Westen.

Had het Westen meer prioriteit moeten geven aan heropbouw en ontwikkeling in plaats van aan militaire aanwezigheid?

Lakhdar Brahimi: Het klopt dat de prioriteiten vaak omgekeerd worden. Vreemd genoeg hebben westerse regeringen vaak weinig moeite met grote investeringen in de militaire kant van hun internationale engagementen. En de heilige schrik van slachtoffers zorgt dan voor dat de kleine aanwezigheid op het vlak van ontwikkeling zo zwaar beveiligd moet worden, dat het de moeite niet meer loont. Maar het leger is op zich niet het probleem. De militairen zijn vaak politiek bewuster dan de burgers. Ze zijn trouwens heel professioneel en toegewijd en bereid alles te doen om hun opdracht tot een goed einde te brengen.

De dag nadat Bush Iran tot de As van het Kwaad gerekend had, kreeg Hekmatyar van de Iraanse overheid te horen dat hij kon terugkeren naar Afghanistan als hij dat wou, en dat hij daarvoor hulp kon krijgen.

Toch lijkt een louter militaire overwinning onmogelijk in dit conflict. Moeten de buurlanden niet veel meer tot actieve deelnemers aan een mogelijk vredesproces gemaakt worden?

 

Lakhdar Brahimi: Uiteraard. Toen ik in 1997 voor de eerste keer in Afghanistan was, ben ik begonnen met het 6+2 initiatief, waarbij ik Afghanistan, de buurlanden plus Rusland en de VS rond de tafel bracht. Twee jaar later moest ik vaststellen dat de leden van de Veiligheidsraad niet geïnteresseerd waren in mijn opdracht om vrede te brengen in Afghanistan, terwijl de buurlanden allerlei mooie verklaringen ondertekenden en intussen exact het tegenovergestelde bleven doen. Op 10 december 2002 bracht ik opnieuw alle buurlanden van Afghanistan samen om een verklaring te ondertekenen waarin respect voor de soevereiniteit en ondeelbaarheid van Afghanistan bevestigd werd. Ik ben het dus helemaal met je eens dat de buurlanden van Afghanistan cruciaal zijn voor de vrede intern. Maar dat werkt alleen als de echte sleutellanden zich ook echt engageren. In Bonn was dat het geval, daarna verloren veel landen hun interesse omdat ze dachten dat de strijd gewonnen was.

Anderhalve maand na Bonn verklaarde president Bush dat Iran, dat nochtans een sleutelrol gespeeld had in het succes van de Afghanistanconferentie, deel uitmaakte van de As van het Kwaad.

Lakhdar Brahimi: Laten we zeggen dat Iran constructief was in Bonn, ja. Na de fameuze State of the Union van Bush was Teheran ziedend. Ik ben toen speciaal naar Teheran gegaan om nog te proberen die brand te blussen. Op dat moment bevond Gulbuddin Hekmatyar [een van de oorspronkelijke moedjahedienleiders uit de jihad tegen de Sovjet-Unie en vandaag een van de leiders van de opstand tegen de westerse troepen, gg] zich in Teheran, als een onderdeel van de afspraken na de val van de taliban. Iran zou hem opvangen, maar ook beletten om terug te keren. De dag nadat Bush Iran tot de As van het Kwaad gerekend had, kreeg Hekmatyar van de Iraanse overheid te horen dat hij kon terugkeren naar Afghanistan als hij dat wou, en dat hij daarvoor hulp kon krijgen. Ik vermoed dat de Iraanse overheid tot op vandaag contact met Hekmatyar onderhoudt.

En dan is er nog Pakistan, dat in toenemende mate de opstand is gaan steunen.

Lakhdar Brahimi: De Pakistanen waren zeer nauw verbonden met de taliban, die in 2001 verdreven werden door de Noordelijke Alliantie en dan vooral door de Pansjeri-troepen die tot vlak voor 11 september geleid werden door commandant Ahmad Shah Massoud. De Pansjeri’s geloven trouwens nog altijd dat de aanslag op Massoud mee georganiseerd was door de Pakistaanse inlichtingendienst (ISI). Het talibanregime was het de eerste Afghaanse overheid die volledig positief stond tegenover Pakistan, alle vorige regeringen hadden zich vijandig of afstandelijk opgesteld tegenover hun oostbuur…

…En zelfs de taliban erkenden de Durand Line, de oude koloniale grens tussen Afghanistan en het huidige Pakistan, niet.

Lakhdar Brahimi: Natuurlijk niet, geen enkele Afghaan erkent die grens. Maar de taliban waren wel pro-Pakistaans. De Pansjeri-machthebbers in Kaboel na 2001 weigerden zelfs te praten met de Pakistanen, uit wrok voor de moord op Massoud en voor de steun aan de taliban. Toen Hamid Karzai ingehuldigd werd op 22 december 2001, nodigde ik de Pakistaanse minister van Buitenlandse Zaken uit. Zij weigerden hem te spreken. Fahim, Qannuni en de andere machthebbers reisden de hele wereld rond, maar niemand vond ooit tijd om naar Pakistan te gaan. Ik begrijp hun achterdocht tegenover de nieuwe machthebbers in Kaboel dus wel. Pakistan had gerustgesteld moeten worden. Of dat voldoende geweest was om de ISI tot betere gedachten te brengen, weet ik natuurlijk niet.

Is dat de onvermijdelijke logica van oorlog: dat geweld altijd leidt tot wraak wat dan weer tot nieuw geweld leidt?

Lakhdar Brahimi: Het hangt ervan af. Er zijn mensen met een nationale visie –zijn kunnen die logica overstijgen– en mensen met een communautaire of sektarische agenda. Karzai is ervan overtuigd dat zijn vader vermoord werd door de Pakistanen, maar hij heeft een nationale visie, dus hij zet zijn wrok opzij. Maar bijna iedereen in Afghanistan zet de belangen van zijn eigen groep voorop en dus geraakt Afghanistan geen stap dichter bij een wapenstilstand.

Ook de taliban.

Lakhdar Brahimi: Natuurlijk, zij zijn op dit moment krijgheren zoals al de rest. Toen ik hen leerde kennen in 1997 waren ze over het algemeen veel betrouwbaarder en eerlijker dan de andere facties die elkaar bestreden hadden tijdens de burgeroorlog. Nadat ze aan de macht gekomen waren in 1996 hadden veel mensen zich bij hen aangesloten en sloop er dus ook corruptie en machtsmisbruik in hun rangen, maar dat was niets in vergelijking met wat je vandaag in Afghanistan ziet.

Is een regering van nationale eenheid wel mogelijk in deze omstandigheden?

Lakhdar Brahimi: Dat zou kunnen, als er ernstig werk van gemaakt wordt. Maar dat is niet het geval. Je moet in Afghanistan uitgaan van de realiteit dat de natie bestaat uit etnische groepen die in moeilijke relatie met elkaar leven, maar wel één natie willen blijven vormen. Er moet een nieuw systeem gebouwd worden op basis van die realiteit. In 2001-2004 was dat haalbaar. Sindsdien is elk verloren jaar een grotere hinderpaal op weg naar verzoening en samenwerking, maar er is geen alternatief. Ik hoor van veel mensen dat de voorzitter van de Vredesraad, Burhanuddin Rabbani, goed bezig was voor hij eind september vermoord werd, maar vandaag lijkt alles alweer stilgevallen.

Hoe ziet u vredesgesprekken met de taliban?

Lakhdar Brahimi: Als een onderdeel van een complex geheel aan simultane onderhandelingen. De oorlog in Afghanistan is niet zo helder als onze onafhankelijkheidsstrijd in Algerije, toen het einde van de bloedige oorlog beslist kon worden door twee partijen die elkaar zagen in Evian. In Afghanistan moet je werken met overlappende gesprekken. Er zijn onderhandelingen nodig tussen de taliban en de ISAF, tussen de taliban en de regering Karzai, tussen de taliban en de andere strijdende groepen in Afghanistan, onderhandelingen tussen India en Pakistan, onderhandelingen waarbij Rusland, Iran en andere buurlanden betrokken zijn… Iemand moet al die loshangende draadjes samenpakken en samenweven tot een nieuw verhaal van samenwerking in plaats van achterdocht en conflict.

Kunnen de internationale conferenties dat realiseren?

Lakhdar Brahimi: Je hebt daar een stevig, omvattend en lange termijn proces nodig, geen opvallende conferenties die zich beperken tot vage standpunten en fijne groepsfoto’s. Zo’n proces moet alle conflicten en belangen in de regio een plaats geven, want anders is een duurzame oplossing onmogelijk. Ik heb dat niet zien gebeuren de voorbije jaren, ondanks alle conferenties. Over enkele weken is er een nieuwe Bonn-conferentie. Ik hoop dat dat meer wordt dan een feestje om de tiende verjaardag van de oorspronkelijke conferentie te vieren.

Lees het vervolg van dit gesprek, waarin Lakhdar Brahimi zijn eigenzinnige lezing geeft van de Arabische Lente, in het decembernummer van MO*.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur