Landbouw bij de Lobi in Noordwest-Ghana

Op de internationale markt is Ghana gekend voor zijn katoen en cacao. Maar die gewassen verbouwen is geen boeren, daar leeft een Lobi niet van. Boeren heeft voor dit landbouwersvolk in Noordwest-Ghana te maken met sorghum en gierst, yam, bonen en aardnoten. Die teelten kunnen immers het leven in stand houden.
Landbouwingenieur en antropoloog Joost Dessein leefde ruim twee jaar in een Lobi-gemeenschap en ontdekte een wereld van verschil tussen hun landbouwaanpak en de westerse, tussen boerenstiel en agrobusiness.

Noordwest-Ghana, aan de zoom van de Sahel, heeft uit het verleden een erfenis meegekregen van marginalisering, uitbuiting en armoede. Eén van de drie grote etnische groepen die het gebied bevolken, zijn de Lobi. Het zijn traditionele boeren, haklandbouwers, die met overlevingslandbouw in hun onderhoud voorzien. Ze leven met hun uitgebreide familie in grootwoningen, onder leiding van de huiseigenaar. Deze levenswijze combineren de Lobi met regelmatige periodes van seizoensarbeid op de cacaoplantages. Maar zelf overstappen op de moderne landbouwmethodes doet een Lobi niet zo gauw. Aan landbouw doen is voor dit volk op de eerste plaats het doorgeven van de levenskracht. Dat gebeuren situeert zich in een hele kosmologie, waarin rituelen een essentiële rol spelen om het evenwicht te bewaken tussen alle krachten die werkzaam zijn in de omgeving.

HET DOORGEVEN VAN HET LEVEN

Wanneer de tijd aangebroken is om met het nieuwe landbouwseizoen te beginnen, draagt de de vrouw van het huis, de eerste vrouw van de huiseigenaar, in een ritueel de levenskracht over van het vorige landbouwseizoen naar het volgende. Bij het begin van het regenseizoen, met de maan in het laatste kwartier, vult ze nog voor het eerste ochtendgloren een kalebas met sorghum en gierst van de vorige oogst, en vertrekt er in alle stilte mee naar een verafgelegen veld. In de duisternis zaait ze het oude zaaigoed uit, keert weer naar huis en vertelt aan haar man dat het zaaien kan beginnen. Wanneer de sorghum en gierst zwanger zijn, wanneer de top gezwollen is en de aar zich vormt, zal de eerste vrouw opnieuw de overdracht van de levenskracht doen, ditmaal met haar man erbij. Het ritueel gebeurt nu niet in stilte maar in aanwezigheid van de andere leden van het huis en van de andere huiseigenaars van het dorp, in een rijkelijk met sorghumbier overgoten feest. Tussen twee landbouwseizoenen in vinden er rituelen plaats om de Regen en het Land te danken voor de voorbije oogst en welwillendheid te vragen voor de volgende.

‘De landbouw bij de Lobi,’ zo vertelt Dessein, ‘is opgenomen in een kosmologie waarin het Land centraal staat. Een Lobi-boer behoort tot het Land. Hij bezit de grond niet, de grond bezit hem. Boeren is een relatie aangaan met het Land in de lijn van de voorouders, om op die manier het huis voort te zetten en het leven in stand te houden. Om de cyclus van leven, dood en nieuw leven gangbaar te houden. De relatie met het Land gaat niet over de productie van gewassen maar over de vruchtbaarheid van de velden, het huis en de vrouwen die het leven regenereren.’

KATOEN IS GEEN SORGHUM

Toch verlaten regelmatig jonge boeren het huis met het verlangen om in Kumasi, in het zuiden van het land, snel rijk te worden in de cacaoteelt. Ze leven er enkele maanden in houten barrakken en werken zeven dagen op zeven voor een hongerloon. De uiteindelijke opbrengst gaat in hoofdzaak op aan voedsel, drank en vertier. Met het weinige dat overblijft wordt een statussymbool gekocht: een radio, een zonnebril, een fiets, een horloge, blitse kledij. Of het dient als bijdrage aan de bruidsprijs voor de toekomstige bruid. Dessein: ‘De betekenis van die tocht naar Kumasi ligt ook niet zozeer in het winstmaken, wel in de ervaring van een soort ontgroeningsproces waarin men zich een tijd terugtrekt uit de gemeenschap, de wildernis in, om nadien met hernieuwde levenskracht en een versterkte status terug te keren. Wat zich daar afspeelt, staat volledig buiten de beleving van de autochtone levenswijze. Wie cacao verbouwt, is geen boer. Hij is een dagloner of seizoensarbeider, op jacht naar geld.

Raakt het traditionele landbouwpatroon niet in verval door dit regelmatige contact met de andere wereld? Welke arme boer wordt niet aangetrokken door de weelde van de moderniteit? Dessein: ‘Al decennia lang gaan Lobi werken in het zuiden. Het ene patroon is geen concurrent van het andere. De traditionele leefwereld is precies overeind gebleven omdat men altijd flexibel is omgegaan met vernieuwing en zich aanpast aan wisselende omstandigheden, maar steeds in de lijn van de voorouders. De leefwereld is cultureel ingebed en precies daardoor erg veerkrachtig. Jongeren die in Accra leven, keren terug voor een initiatieritueel in hun clan. Met hun jeans en hun combats dansen zij evengoed op de xylofoonmuziek. Zij willen erbij zijn, omdat het behoren tot de gemeenschap hen zekerheid en verworteling geeft. Zij willen de geborgenheid van het huis niet missen. Een Lobi behoort tot het land en is de zoon van zijn vader. Dat tekent hem. Maar als hij een graantje van de moderne wereld kan meepikken, zal hij het niet laten.’

Sinds een tweetal decennia promoten landbouworganisaties in Noord-Ghana de teelt van katoen, omdat de opbrengst ervan veel hoger is dan van traditionele gewassen. Waarom schakelen de Lobi niet over op katoen? Dessein: ‘Als je dat als landbouwvoorlichter vraagt, dan zal de boer antwoorden in termen die de landbouwvoorlichter kan begrijpen in zijn westerse logica. Ze antwoorden: “Omdat de oogst ervan samenvalt met de oogst van de sorghum”, of: “Omdat het risico te groot is.” De expert vertaalt dit naar ónze noties van arbeidspieken of risicospreiding. Wanneer je er lang genoeg bent en kijkt vanuit hun cultuur, krijg je een ander antwoord. “Katoen kan je niet meenemen wanneer je sterft”, zeggen ze. Katoen is geen voorvaderlijk gewas, je kan het niet offeren. Het kan niet dienen om het evenwicht in relaties tussen het land, de voorouders, de levenden en de doden te herstellen. Sorghum en gierst kunnen dat wel, dat zijn voorvaderlijke gewassen. Dit discours ontgaat de westerse deskundige omdat er in zijn eigen referentiekader geen plaats voor is.’

DE MODERNITEIT ACHTERNA

In Ghana zorgt de landbouw voor negenenvijftig procent van het bruto binnenlands product. Het is de stuwende kracht van de economie, gecoördineerd door het ministerie van Voeding en Landbouw en bijgestuurd door het IMF en de Wereldbank. Sinds de hervorming van dat ministerie, eind de jaren tachtig, wordt er sterk gedecentraliseerd gewerkt. In die regionale aanpak spelen de landbouwvoorlichters een cruciale rol om de boeren uit het traditionele patroon te halen en hen te winnen voor een moderne aanpak. In zijn boek Aarzelen tussen uitersten vertelt Dessein over een landbouwvoorlichter die probeert een groep Lobi-boeren te overtuigen van het gebruik van pesticiden. ‘Het is zoals met het gebruik van DDT. Eenmaal het in Europa uit de mode raakte, leerden wij het kennen en gebruiken. Vandaag wil ik het met jullie hebben over andere pesticiden voor onze gewassen. Ik ben er zeker van dat de blanke man hier (Joost) niet erg onder de indruk zal zijn van wat ik vertel, want in zijn land gebruiken ze nu reeds Geïntegreerde Pest Management Technieken. Maar zo gaat dat: ze gebruiken die dingen ginder, en later doen wij dat na. Wij lopen altijd achter, maar we doen ons best.’ Ze doen inderdaad hun best. Uitgaande van het belang van sorghum voor de Lobi, brachten ze zelfs een veredelde soort op de markt. De opbrengst van het hybriede gewas was dubbel zo groot. Maar er was wel een fundamenteel probleem: na twee jaar was de kiemkracht zodanig afgenomen, dat de boeren nieuw zaaigoed moesten kopen. Dessein: ‘Op die manier had het cyclische regeneratie-denken plaatsgemaakt voor het lineaire vooruitgangsdenken en werd de boer afhankelijk gemaakt van de zaadbedrijven en van een vreemd systeem.’

En wat dan met voedselschaarste? Dessein: ‘Echte honger, zoals we dat kennen uit de beelden van Etiopië of Somalië, heb je niet bij de Lobi. Echte hongersnood komt voor waar het sociale en culturele weefsel volledig kapot is geraakt. De Lobi kennen wel honger. Er zijn perioden van schaarste. In de maanden juni en juli loopt de voorraad ten einde en is het wachten op de nieuwe oogst. In die periode moet men vaak toekomen met één maaltijd per dag. Maar men kan daarmee omgaan. Na schaarste komt overvloed en dan is de vreugde des te groter.’

BOERENSTIEL EN AGROBUSINESS

Het verblijf bij de haklandbouwers heeft het ingenieursdenken van Dessein een serieuze deuk gegeven. ‘Als je kijkt als ingenieur, is dit een primitief landbouwsysteem. Die boer heeft ocharme een hak, geen inputs, geen verbeterd zaaigraan. De rentabiliteit is laag en oogsten mislukken ook wel. Vanuit het marktdenken gezien, scoren ze niet goed. Maar het zijn wel goede boeren. Wij kijken zeer gespecialiseerd naar één bepaalde aspect, en die kijk wordt dan nog eens toegespitst op één punt: productieverhoging en winstmaximalisatie. Wetenschappelijk gezien kloppen onze ingrepen als een bus. Als ónze bus. Maar we hebben niets begrepen van wat mensen bezig houdt. In het ingenieursdenken is geen plaats voor een kosmologie.Wij kunnen landbouw perfect los zien van religie en religie los van gezondheid. In het holistische denken van de Lobi is alles met elkaar verweven. Ik zal nooit nog naar landbouw kunnen kijken, zonder daarachter de centrale idee van vruchtbaarheid te zien. Het is allemaal ook niet zo exotisch wat die boeren doen. Boeren hier hebben ook een bepaalde relatie met het land. Ook de generatie van mijn grootvader leefde met die cycliciteit van het graan. Hij bewaarde telkens het zaaigoed in een kamertje boven. Als de boer stierf, ging men wijwater sprenkelen op het zaaigoed want de boer sterft maar de cyclus moest voortgezet worden. Heel die betekenisgeving wordt geweerd uit de agrobusiness. Het boer-zijn, zowel bij de Lobi als bij ons, komt neer op het geworteld zijn in en het verbonden zijn met de aarde. Agrobusiness is een ontwortelde landbouw, die steeds meer wordt losgemaakt van het land, van verworteling in een bodem en in een sociale context. Onze westerse aanpak is ook helemaal niet duurzaam. Duurzaamheid heeft te maken met wortels, met het hebben van een plek, een erf. Het betekent ervoor zorgen dat de generaties na ons het goed hebben. En dat betekent uiteindelijk jezelf plaatsen in een afstammingslijn. Het gaat over mijn zoon, die de zoon is van zijn vader.’

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.