Landbouw in Colombiaanse graanschuur zieltoogt

Boyacá stond altijd bekend als de graanschuur van Colombia, maar nu schamperen kleine boeren er dat ingevoerde levensmiddelen kopen minder kost dan ze zelf te telen. De dunbevolkte provincie met haar vruchtbare akkers is inmiddels de op één na armste regio in het Zuid-Amerikaanse land.
Veel van de problemen van Colombia komen samen in Boyacá, een provincie met 1,4 miljoen inwoners die zich uitstrekt van het centrum van het land tot aan de grens met Venezuela. De ruim vier decennia durende oorlog tussen linkse rebellen, het leger en rechtse doodseskaders heeft veel boeren op de vlucht gedreven en gemeenschappen ontwricht. Op steun van de regering kunnen de bevolking en zeker de kleine boeren niet rekenen, want de plattelandsvlucht nog verergert. Er zijn ook geen goede wegen en voldoende vrachtwagens om de oogst naar grote afnemers te brengen.

“In Paya worden de beste avocado’s van Colombia geteeld”, zegt Manuel Rueda, een leraar uit Tuta. “Tien stuks kosten 1000 peso (30 eurocent). Maar in de grote Colombiaanse steden worden veel duurdere avocado’s uit Venezuela gegeten. De avocado’s van Paya raken gewoon niet tot bij de kopers.”

De landbouw biedt nog altijd kansen in Boyacá, maar niet langer voor gewone boeren. In Tuta, een traditioneel groente- en zuivelcentrum, heeft de regering de handen ineen geslagen met de Britse firma en ED & F Man om suikerbieten te telen voor de productie van bio-ethanol. Dat is de toekomst, zeggen de beleidsmakers in Bogota. “In plaats van melk voor kinderen leveren we nu brandstof voor auto’s”, moppert de plaatselijke agronoom Fernando Fonseca.


Import



De problemen voor de boeren in provincies als Boyacá begonnen onder het bewind van president César Gaviria (1990-1994). Die schroefde de importtarieven terug die de Colombiaanse landbouw afschermde van buitenlandse concurrentie. “Per jaar begonnen er 14 miljoen ton levensmiddelen het land binnen te stromen”, zegt Alicia Duque, een econoom van het niet-gouvernementele Instituut voor Vredes- en Ontwikkelingsstudies. “Een miljoen hectare landbouwgrond bleef braak liggen en steunprogramma’s voor kleine boeren werden stopgezet.”

De gevolgen voor een landbouwprovincie als Boyacá zijn dramatisch. Volgens de statistieken van de Colombiaanse overheid leeft 71,5 procent van de bevolking er in armoede. Meer dan de helft daarvan moet rondkomen met minder dan een dollar per dag.

Nu Colombia een vrijhandelsakkoord met de VS heeft goedgekeurd, dreigt de invoer van landbouwproducten nog toe te nemen. De regering van de huidige Colombiaanse president, Álvaro Uribe, legt al haar gewicht in de schaal om het verdrag ook goedgekeurd te krijgen in het Amerikaanse parlement.

“We zijn altijd arm geweest hier, en het wordt almaar minder waarschijnlijk dat we ooit uit de armoede zullen raken”, zegt Florencio Alfonso, een kleine boer uit Miraflores. Alfonso werkt door de week op het land van een andere boer, die iets minder arm is. Op zondag kan hij zijn eigen akkertje bewerken. “We oogsten zelfs niet genoeg om onze gezinnen te voeden. Landbouw levert hier alleen iets op voor boeren die geld hebben om te investeren, die dicht bij de snelweg wonen of die zelf een vrachtwagen hebben.”

“Vroeger haalden we hier grote oogsten tarwe, gerst en aardappelen binnen”, vertelt Alfonso. Maar de invoer van die producten uit andere landen doet ons pijn.” De cijfers bewijzen dat. In 1993 produceerde Colombia 72.000 ton gerst, waarvan het leeuwendeel uit Boyacá kwam. Nu is de productie teruggevallen tot 5.000 ton. Van tarwe, nog een belangrijkere graansoort, produceert Colombia nog amper 50.000 ton, terwijl er in 2004 al meer dan een miljoen ton van werd ingevoerd.

Akkers waar vroeger maïs, cassave, uien en bonen werden geteeld, liggen er nu verlaten bij. De armoede in de landbouwgebieden is toegenomen; de jonge bevolking trekt naar de steden. “Mijn kinderen leven in Bogota”, zegt Alfonso met een mengeling van trots en verdriet. “Mijn zoon is bewaker en mijn dochter is met een soldaat getrouwd.”

President Uribe zegt dat de regering wel degelijk wat onderneemt voor de boeren in Boyacá.  Er komen steunmaatregelen voor de boeren die klappen kregen door de lage aardappelprijzen van 2006. “We krijgen leningen, maar die moeten we in elk geval terugbetalen, en wie zegt ons dat we geld zullen verdienen?” reageert Alfonso.

Uribe hoopt vooral op grote buitenlandse investeringen om de landbouw aan te zwengelen. De Britse ethanolfabriek, waarin ook Chileense investeerders participeren en die in 2009 in Tuta moet draaien, zou 6.000 directe en indirecte arbeidsplaatsen opleveren. De onderneming geniet belastingvrijstelling en andere voordelen.


Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift