Landloze boeren in Brazilië

Brazilië heeft zowat alles om een welvarend land te zijn: grondstoffen, creatieve breinen, zalige mensen en grond. Héél véél grond. De miljoenen hectaren landbouwgrond zijn echter zo ongelijk verdeeld, dat ze eerder armoede dan rijkdom voortbrengen. Dat kan zo niet verder, vonden Brazilië’s creatieve boeren en zalige mensen. Grond moet worden bewerkt en boeren hebben recht op grond.
Marc Van Laere trok naar het zuiderse binnenland van Brazilië en tekende er het verhaal op van Clecir, Ervino, de Onverstoorbare en de anderen in Rio do Leão. Een groepsfoto van landloze boeren en boerinnen, mét wankele hoop, kleine kantjes en grote menselijkheid.

Na een aarzeling tippelt ze toch dapper het asfalt op. Aan de overkant van de lichthellende weg slaat een bruin getaande man van rond de dertig haar gade. Hij heeft donker krullend haar en een stoppelbaard van enkele dagen. Aan zijn riem hangt een pistool. Met één voet op de onderste plank van het hek van het landgoed en zijn beide ellebogen over de bovenste, rookt hij een sigaret zoals cowboys dat behoren te doen. Zelfverzekerd, beheerst. Twee zware vrachtwagens met maïs en hout die voorbij denderen, jagen de roekeloze kip terug naar mijn kant van de weg. Het wordt weer even stil. Uit de zwarte barakken langs de weg kringelt rook. Over een uur, na zonsondergang, is het tijd voor het avondeten. Rijst, aardappelen, zwarte of witte bonen, maniok en brokjes vlees. Zo geurt het hier al twee jaar lang, ‘s middags en ‘s avonds. Vanavond roept Clecir haar twee jongste kinderen vroeger naar binnen. Ook zij heeft de gewapende man aan de overkant, één van de bewakers van de fazenda, gezien. Ze weet dat hij nooit verder dan het hek komt, behalve als hij met zijn glimmende, lawaaierige Buick door dat hek naar huis scheurt. Ze weet wel dat hij alleen maar wil laten zien dat hij er nog steeds is. En dat hij minstens zo bang is voor de dood als alle vaders en moeders van dit barakkenkamp. Dat beweert tenminste Ervino, haar man, maar daarvan is ze niet zo zeker. Omdat je de duivel beter niet kunt tarten, roept ze haar kinderen naar binnen.

Voor elke dode

In afwachting van de avondschotel steekt Ervino mij de chimarrão toe, een bittere kruidenthee die met een zilveren pijp uit een kalebas wordt gedronken. In het begin van mijn verblijf schoten mij de tranen in de ogen van de hete thee. Vanavond is de chimarrão een welkome versterking tegen de stilte in het gesprek. Uit de met zwart plastic overdekte barak van vijf bij acht meter is de ergste warmte van de dag verdwenen. Een zoon van Ervino glipt schuw tussen ons door. Aan zijn oor zit nog bloed van de klap die hij vanmiddag van zijn vader kreeg omdat hij niet vlug genoeg hielp bij het opstarten van een ouderwetse sorteermachine voor bonen. ‘Ik word de laatste tijd vlugger zenuwachtig,’ zegt Ervino, slurpend aan zijn theepijp, als hij mij ziet kijken naar het oor van de jongen. Er raast weer een vrachtwagen voorbij. Omdat de barakken zo dicht bij de weg liggen, veroorzaakt elke voorbijrijdende truck een windstoot in het zeil. Af en toe toetert er ook een bestuurder uit protest tegen de ‘vagebonden’ en ‘luiwammesen’ die hier al twee jaar kamperen aan de rand van de weg, in de hoop een stuk grond van de fazenda Rio do Leão te bemachtigen. Ervino en Clecir maken zich nog nauwelijks druk over het lawaai en de bespottingen. Ze vrezen alleen voor de veiligheid van hun kinderen. Twee weken geleden nog werd een meisje van twee jaar, Talita, verpletterd door een vrachtwagen die onverhoeds achteruit reed. Het kind stierf in Clecirs armen. ‘Ook voor Talita zullen ze een prijs betalen,’ grijnst Ervino in de richting van het hek waar de ‘pistoleiro’, de bewaker, ondertussen verdwenen is. ‘Voor elke dode op deze grond snijden we een stuk van het lijf van Mariano, de grootgrondbezitter. Twee jaar zitten we hier nu al als vuil aan de straatkant. Niet beter dan de kleine boertjes, die op deze grond bedrogen werden omdat ze niet konden lezen. Ze ondertekenden de verkoop van hun stukje grond terwijl hen werd voorgehouden dat het om een partij bomen ging. Wie toch onraad rook en protesteerde, verdween enige tijd later.’

Mariano, de grootgrondbezitter, is zeventig jaar oud. Hij woont in het verre Curitiba. Het dagelijks beheer van de fazenda is in handen van een beheerder en van de pistoleiro’s. Toen tweehonderd families zich in 1997 onder de vlag van de Beweging voor Landloze Boeren vestigden langs de weg die midden door de fazenda loopt, was Mariano bereid om één helft van het gebied, ongeveer 300 hectare, te verkopen. Maar met steun van de Beweging eisten de boeren de totale oppervlakte van 500 hectare, aan weerszijden van de weg, op. De fazenda beantwoordde aan de onteigeningscriteria van het INCRA, het Nationaal Instituut voor Landbouwhervormingen: de grond bracht onvoldoende op, kwam te weinig mensen ten goede en had betwistbare eigendomspapieren. Om de druk op Mariano te verhogen, bezetten de families de fazenda van januari tot juni 1998. Ervino heeft het er deze dagen verschillende keren over: ‘Op 8 juni moesten wij ons strategisch terugtrekken om het tot onderhandelingen en een billijk akkoord te laten komen tussen Mariano, de Beweging van Landloze Boeren en het INCRA. Die nacht, toen al onze barakken opnieuw waren opgetrokken langs het asfalt, schoten de pistoleiro’s in de vroege ochtend de laders van hun geweren leeg boven onze dakzeilen. De vrouwen renden met de kinderen in paniek de weg op. Wij, mannen, waren radeloos. Dat zetten wij ze ooit betaald.’

Eieren voor geld

‘Ervino. Onze veiligheidsagent.’ Ivo schudt zachtjes zijn hoofd. Ik verblijf drie weken in de leegstaande barak naast die van Ivo’s gezin. Zijn vrouw zorgt elke morgen voor koffie en twee sneden brood. Ivo schuift mij suiker toe over het verkeersbord ‘Gevaarlijke oversteekplaats’ dat als tafeltje dient. ‘Tijdens de bezetting vorig jaar moesten enkelen van onze kameraden met man en macht worden tegengehouden om geen pistoleiro’s te vermoorden. Alsof dat onze strijd iets vooruit zou helpen. Gaat elk voor zijn eigen zaakje van vijf hectare grond vechten? Zullen we wie in de weg staat, neerschieten en dan verder boeren zoals in grootvaders tijd? Onze strijd staat voor méér dan dat.’ Ivo, de leider van het kamp, is een lange, zwartharige man van rond de vijfendertig. Hij is zacht van aard maar, als het erop aankomt, zeker van zijn zaak. Zoals op de zondagnamiddag dat we een slang tussen onze barakken zien glijden. ‘Wacht even.’ Met één scherpe steen keilt hij de kop van het reptiel.

De eerste maanden in het kamp van Rio do Leão werden beheerst door intern gekibbel, angst en gebrek aan uithoudingsvermogen. Ivo had toentertijd geen hoge pet op van de jonge militanten van de Beweging voor Landloze Boeren die verantwoordelijk waren voor de organisatie van het kamp. Die eisten bijvoorbeeld van iedereen inschrijvingsgeld toen de eerste tweehonderd families moesten worden geregistreerd voor het INCRA. Een eis die naderhand uit de lucht gegrepen bleek. Na verloop van tijd verwierf Ivo moreel gezag. De afgelopen maanden steunde de Beweging van Landloze Boeren op hem en zijn vriend Wilmar -een van de weinige vrijgezellen in Rio do Leão- voor de coördinatie van de nu nog overblijvende vierendertig families. Maar de leiding valt de jongste maanden steeds zwaarder. Meer en meer bewoners van de barakken sturen er op aan het halve stuk van de fazenda, dat de eigenaar wil afstaan, te aanvaarden als ‘deal’. De Beweging beschouwt dit als een verwerpelijk koopje. Aan de overkant van de weg, achter het hek van de fazenda, liggen nog 200 hectare die rechtsgeldig kunnen worden ingepalmd, de hectares die door de pistoleiro’s grimmig worden bewaakt. Ivo sabbelt aan de pijp van zijn chimarrão, houdt zoals altijd de asfaltweg in het oog en vertelt over het strijdpunt in het kamp: ‘De meesten uit dit kamp willen eieren kiezen voor hun geld. De hoop dat onze onverzettelijkheid grond zal opleveren voor nog eens dertig andere families, is aangetast door de lange duur. Met enkelen proberen wij de moed erin te houden.’ Achter Ivo zie ik zes kalenders van 1999 tegen de zwarte wand hangen. Samen met afbeeldingen van Jezus en Maria zorgen de foto’s van de even godvruchtig aanbeden voetbalteams van Grêmio en Internacional, voor een beetje kleur. Ik merkte het ook al in de andere barakken. Kalenders met bloementuinen, dorsmachines, watervallen en graanvelden. Het Brazilië om van te dromen.

Boerenwijsheid

Vanmorgen defileer ik met paard en wagen voorbij de barakken, naast Marino op de bok. We slaan de weg naar het land in. Marino’s vrouw, Benta, en hun oudste zoon volgen te voet met hun ene koe. Marino is niet erg spraakzaam. ‘Ja.’ (en ‘ho’ tegen ‘Zigeunerin’, de merrie) ‘Haha?’ (met zijn wenkbrauwen) ‘Zeker.’ (knikkend) ‘Zo?’ Tot ik het opgeef en hem vraag of het gaat regenen. Misschien leerde hij zwijgzaamheid door zijn vrouw Benta. Want zodra we op het land staan en met ons vieren een hellend terrein schoffelen zodat hij er vanmiddag zwarte bonen op kan zaaien, hoef ik dankzij haar geen vragen te stellen. Niet dat het mij stoort, ik ben trouwens al blij onder de felle zon hun ritme te kunnen bijhouden. Benta biedt inspiratie voor een nieuwe interviewstijl door haar vragen telkens in te leiden met: ‘Indien u het mij niet kwalijk zou nemen dat ik u vraag…’. Hoeveel dagen het vliegen is van São Paulo naar Brussel, of Belgen op één dag met de auto in Japan geraken, waarover Adam en Eva discussieerden in de tuin van Eden, waarom ik zo geregeld met mijn hak van arm verwissel en hoeveel een minimumloon bij ons bedraagt. Als we na enkele uren de hakken onder varens verbergen en enkele maïskolven plukken voor het middageten, voel ik dat mijn benen verbrand zijn. Benta geeft me een mooi, groot slakkenhuis dat ze vond. Voor één van de kinderen thuis, daar dichtbij Japan.

Op de terugweg zwijg ik. Ik heb honger en bescherm mijn hals tegen de stekende middagzon. Dan begint Marino te vertellen, zomaar. Over Fabio, hun lastige zoon van zestien die bij familie in de stad verwend werd, en de twaalfjarige Juliana, die ze als vondeling adopteerden. Over de grote tak vol bonenpeulen die hun barak –samen met kalenders- versiert: ‘Alles uit één boontje voortgekomen!’. En hun zoon die trouwde met de mooie, doofstomme Angela. Over Benta die zich bekeerde tot de ‘universele kerk’. Hij zegt niets over hun buren, die ’s avonds niet kunnen slapen van het late kletsen en het soms luide bidden van Benta. (María, de buurvrouw: ‘Jezus is niet doof!’) ‘Ho’. We houden in het kamp halt voor de barak van de zieke Antonia, een schoonheid van nog geen dertig. Haar dochter, Eliane, vraagt Marino om straks terug te keren met zijn bloeddrukmeter. Marino is kampcoördinator voor de gezondheidszorg. Antonia zit er belabberd bij. ‘Negen over zes,’ stelt Marino met een diepe frons vast als hij terug is uit zijn barak. Ernstig vertelt hij dat hoofdpijn correspondeert met een te hoge bloeddruk, zoals buikpijn met een te lage bloeddruk. Dat laatste klopt toevallig: Antonia heeft ook diarree. Hij maant haar aan om tomaten te eten, meer zout bij het eten te doen en limoensap te drinken. Ik vertel hem niet dat ik haar na de middag een strookje Immodium-capsules geef uit mijn overleefkit. Twee dagen later krijg ik echter al in het nabijgelegen stadje Rio Bonito een inleiding in alternatieve geneeskunde waaraan enkele mensen uit het kamp deelnemen. Daar ontmoet ik de 34-jarige Fatima Elorri da Silva. Haar man stierf enkele maanden geleden aan een hersenbloeding, ze heeft vier kinderen tussen acht en zestien jaar en ze leeft in Ireno Alves dos Santos, een groot gebied dat door INCRA is toegewezen aan landloze boeren. ‘Hoe is het leven in het beloofde land?’ vraag ik Fatima. ‘Kom kijken,’ zegt ze zonder verpinken.


Het beloofde land

Ireno Alves dos Santos. Hier is geschiedenis geschreven. Hier boekte de Beweging van Landloze Boeren haar meest prestigieuze overwinning op het grootgrondbezit in Brazilië. Vanuit de plaats waar ik deze weken verblijf, Rio do Leão, vertrok midden april 1996 de ultieme mars van drieduizend families naar de Giacometi-fazenda van 83.000 hectare. Daarvan werd tot op vandaag al één derde toegewezen aan zestienhonderd families. Deze toegewezen gronden heten in hier ‘assentamento’s’. In de loop van de voorbije tien jaar maakten over heel Brazilië meer dan vijftienhonderd van deze assentamentos grond vrij voor honderd vijftig duizend families. Een oppervlakte van vijftig keer Nederland en België samen, veroverd op het grootgrondbezit. Maar velen, vooral moeders, herinneren zich vooral de hoge prijs van de overwinning. De eerste dagen van de bezetting stierven door de verwarring, de opeenhoping van barakken en de verstikkende rook uit de gammele keukenfornuizen zestien baby’s. Het deel van Giacometi waar Fatima woont, heet ‘Het Paradijs’. Ivo en Wilmar voeren er mij kort na de middag vanuit Rio do Leão naartoe met hun citroengele auto. Het Fordje -bouwjaar 1966- ploegt over de aardewegen en haalt de decibels van een tractor. Net vóór het binnenrijden van het Paradijs stoppen we voor een man op een motorfiets. Hij doet zijn beklag bij Ivo dat ze hier sedert de bezetting door een registratiefout van de Beweging nog met achttien families wachten op de toewijzing van hun grond. De ontgoocheling dreigt ook mij helemaal in te pakken wanneer ik de eerste huizen zie van het ‘beloofde land’. Ze gelijken sterk op de barakken in het kamp van Rio do Leão. Kinderen spelen tussen het vuilnis. Samen met de zon maakt ook een blauwe rook het leven van dit vroege namiddaguur nog onbarmhartiger. Toch zie ik hier en daar een houten huisje van vier bij vijf meter. Er is ook een rudimentair schooltje en een apotheekje. In het magazijn dat de coöperatieve vereniging van de Beweging bouwde, liggen rijst, zeep, zeisen en kapmessen, thee en noedels in de rekken. Pedro Cruz en Dilton Araújo die het magazijn beheren, hebben buiten de computer en ventilator in hun kantoor niet veel om gelukkig over te zijn. De beurscrisis in het land en de daaruit voortvloeiende devaluatie van de Real halveerden de koopkracht van de mensen. Dilton Araújo wijt de gang van zaken echter niet alleen aan de geldgod: ‘Vele boeren denken niet na. Misschien is hun mentaliteit daarvoor te bekrompen. Ze kijken niet vooruit, ze investeren niet.’ Araújo vertelt bijna zakelijk: ‘Het is erg om te zien hoe de mensen leven in sommige assentamento’s. Ieder voor zich. Gisteren vermoordde hier een man zijn schoonvader bij een ruzie om een os. Sommigen verkopen hun grond voor jenever of vrouwen. Het is een schande dat de landbouwhervorming in een aantal streken de grond heeft verarmd. Noem dat onwil, onmacht. De Beweging dringt erop aan dat mensen samenwerken en moderniseren. Maar vele João’s en Pedro’s kopen liever ieder hun eigen os en kar in plaats van met enkele families samen te sparen voor een tractor.’ Hij legt zijn handen open op tafel en noemt de kwaal met een naam: ‘Plattelandsfavella’s, krottenwijken in het midden van de velden.’

Het houten huisje van Fatima staat aan de rand van het Paradijs. Ze is verwonderd mij terug te zien. ‘Je nodigde mij toch uit?’ vraag ik haar een beetje verveeld. Dat haar invitatie maar bij wijze van spreken was, kan ze nu niet meer zeggen. Maar het duurt niet lang voor de ‘terere’, een koud gedronken thee, in een glazen bokaaltje van hand tot hand gaat. Haar kinderen zijn deze namiddag naar school. Ze toont een klein fotoalbum met de sporen van haar exodus van Zuid- naar West-Brazilië en dan tot hier. Ik vertel haar over de voorbije dagen in Rio do Leão en mijn indrukken van deze namiddag in haar Paradijs. ‘Veel hebben we nu niet. Er is nog genoeg om te dromen. Maar we hebben geen honger en dolen niet meer, op zoek naar grond. Met zes families overleggen wij over wonen, voorzieningen en het bebouwen van de akkers, anderen wachten hier tot er voor hen een houten huisje wordt opgetrokken.’ Helpt de Beweging de mensen in de assentamento’s dan niet verder? ‘De Beweging, dat zijn wij zelf. Er zal niemand in mijn plaats vechten voor de dag van morgen. Van de hulp aan kleine boertjes waarmee de regering zwaait, moeten wij geen heil verwachten. Tien jaar lang, tot aan zijn dood, vocht mijn man voor de Beweging. Nu is het mijn beurt.’

Het voordeel van martelaren

‘Niet dat ik…’. ‘Vijftien’ blijft haperen en ontsteekt een sigaret die hij in wit papier uit een schrift van zijn dochtertje zelf heeft gerold. Hij inhaleert diep en schuift zijn pet naar achteren. Zo zie ik beter zijn boze gezicht in het licht van de drie kaarsen die hier branden in de barak van Wilmar. Voor zijn vrouw heet ‘Vijftien’ João, maar omdat hij lange tijd in een t-shirt met het nummer 15 rondliep, werd ook hij omgedoopt. Vanavond trilt de baard van Vijftien van woede. Hij is licht aangeschoten en dat maakt dat hij tegenover Wilmar -die ‘Trekpaard’ genoemd wordt- de beschuldigingen niet binnen kan houden. ‘Twéé jaar! Twéé jaar wachten, Trekpaard, weet jij wat dat wil zeggen met een vrouw en twee kinderen?’ Vijftien staat op van het bankje aan de ene kant van de barak en gaat op het bed zitten aan de andere kant, in het halfduister. Van daaruit vervolgt hij de aanval: ‘Gisteren reed de leider van de Beweging hier voorbij. Waarom stopte hij niet? Waarom durft hij met ons niet meer te praten?’ Trekpaard snuift: ‘Je weet goed dat er beneden een nieuw kamp is opgetrokken met zevenhonderd families. Die moeten zich nog helemaal organiseren. Dat vraagt meer aandacht dan onze vierendertig gezinnen.’ ‘Dat is waar, Trekpaard, dat is waar,’ zegt Vijftien op de grens tussen zijn woede en het respect voor Wilmar, ‘maar ze houden ons aan het lijntje. Excuseer dat ik zo duidelijk ben, Trekpaard, júllie houden ons aan het lijntje.’ Wilmar staat nu met zijn bord rijst in zijn ene hand en een vork in de andere voor Vijftien. Hij is boos maar leest Vijftien beheerst de les. ‘Goed, pak dan je boeltje in. Neem de overkant van de weg maar in! De grootgrondbezitter komt jullie misschien zelfs feliciteren! Eindelijk is hij dan verlost van het risico dat al zijn grond wordt afgenomen. En dan? Je hebt geen enkel officieel document. Er loopt geen weg, er komt geen autobus die je kinderen ophaalt om naar de school te rijden. En hoe leuk zal je het vinden als over enkele jaren anderen op joúw grond komen zitten omdat er niets geregistreerd is? Vijftien, houd je hoofd er toch bij!’ ‘Eerst moeten er doden vallen, Vijftien, zo eenvoudig is dat,’ grijnst de Onverstoorbare, die al een poosje stond mee te luisteren aan de ingang van de barak en nu binnenkomt. ‘De Beweging eert haar martelaren. Maar die liggen dan wel zes voet onder de grond.’ De Onverstoorbare kreeg zijn bijnaam toen in Rio do Leão de fazenda zes maanden effectief werd bezet voordat de families zich strategisch terugtrokken naar de wegkant. João schoot van angst midden in de nacht naar wegfladderende vogels en loste later waarschuwingsschoten toen een auto met motorpech stilviel op de asfaltweg (waarop de bestuurder begon te vuren in de richting van het hek). De Onverstoorbare, dus. ‘Ja, Trekpaard, zitten jullie daarop te wachten met de Beweging? Eerst enkele martelaren? Ik ben geen kandidaat.’ Vijftien praat al met meer overtuiging door de aanwezigheid van de Onverstoorbare die, net als hijzelf, beneveld is door de drank. Maar Wilmar beheerst de situatie en pakt uit met verrassend nieuws: ‘Vrijdagnamiddag, over drie dagen, komt er een verantwoordelijke van de Beweging. Met hem samen beslist het kamp wat we in de komende weken zullen doen.’ Zijn twee opponenten zijn op slag nuchter. ‘Weet je dat zeker, Trekpaard?’ vraagt Vijftien. ‘Morgen wordt het hele kamp erover ingelicht,’ antwoordt Wilmar. Niet zoveel later verdwijnen de twee naar hun barakken. Als ik terugkeer naar mijn slaapplaats branden er in de barakken meer kaarsen dan gewoonlijk.

High Noon

De volgende morgen staat Lorisi, de vrouw van de Onverstoorbare, met een wasmand tussen haar arm en heup, druk te overleggen in een kring vrouwen. Het kamp hoeft zo te zien niet meer te worden ingelicht. Lorisi vroeg me al enkele keren om bij haar te komen middagmalen. Er rest mij nog een week en ik nodig mijzelf uit voor deze middag. De vrouwen zijn blij met het nieuws. ‘Wij komen hier om een stuk grond te veroveren, niet om onze mannen te begraven,’ kwebbelt Teresinha. ‘Ik heb al hoofdpijn als ik eraan denk,’ zucht María zoals zo vaak. Een wind steekt op.

Voordat ik goed begrijp waarom, zijn de vrouwen ineens verdwenen. Als ik mij omkeer staat voor mij, tegen de zon in, een ruiter. ‘Senhor?’ zegt hij terwijl hij van zijn paard stapt. Meer dan zijn bruine, blote bovenlijf imponeert mij het pistool aan zijn gordel. Mijn hart slaat vlugger. De man blijft naast zijn paard staan. Geen handdruk. ‘U wilde mij spreken?’ Tegen wie heb ik het ook al weer gezegd tijdens de afgelopen dagen dat ik de pistoleiro’s hoopte te ontmoeten? Het wapen neemt alle twijfel weg met wie ik te doen heb. Zo nonchalant als mijn zenuwen mij toestaan leg ik hem iets uit over ‘journalistieke eerlijkheid’ en ‘twee klokken horen’ en dat schijnt hem te bevallen. ‘Je kunt paardrijden?’ Dit is niet het moment om hem te vertellen over mijn laatste ruiterervaring: als jongetje van zes op een Brabants trekpaard. Als ik in het zadel zit, leidt hij mijn paard aan de teugels van de asfaltweg af en stappen we langs een zijweg de fazenda in. Ik kijk achterom naar de barakken, tevergeefs op zoek naar bekende ogen. Eens we na een lichte helling dalen naar de fazenda toe krijg ik zin om hardop te lachen. De spanning is weggeëbd en deze tocht naar de fazenda lijkt potsierlijk. De pistoleiro, Iveraldo is zijn naam, loopt enkele meters voor mij uit, door het hoge gras. Ik schommel, hoog in het zadel, achter zijn bungelende pistool aan. Voor een hek staat de bruine Buick. De pistoleiro bindt het paard aan een boom. Na het paard tegen de Buick te hebben verruild, rijden wij langzaam op het erf van de fazenda af. Het autoraam aan mijn kant wordt dichtgehouden door een muziekcassette die geklemd zit tussen de deur en het hendeltje. ‘Voor vijfhonderd hectare aan deze kant van de fazenda is don Mariano indertijd erg slordig geweest met de documenten. Daarover valt te praten met de boeren in de barakken. De overige grond is eigendom van ons en daar blijven ze af.’ Zo hoor ik van de cowboy, nog vóór we bij de paardenstallen uitstappen, waar voor hem de krijtlijnen van de kwestie liggen. Aan de stallingen kijken drie mannen mij halfverbaasd aan. Een krullebol met een gedrongen gestalte monstert mij van op afstand. Hij houdt in zijn beide handen een indrukwekkende maar voor zijn maat grappig aandoende zware tweeloop vast met de kolf tussen zijn voeten geplant. Of zij willen vertellen over de bezetting van de fazenda door de landloze boeren, vraag ik hen. ‘De invasie, bedoel je,’ zegt de oudste man. Ik moet nog wennen aan de woordenschat van de vijand. ‘Zonder die invasie van vorig jaar waren die boeren al op hun rechtmatig verkregen terreinen aan het zaaien. Maar door hun eigen schuld loopt het proces nog over de vernielingen die ze aanrichtten, de dieren die ze doodden, de zesentwintig paarden die gewond werden en die wij nog steeds moeten verzorgen in Curitiba. Eerst de schadevergoeding. Komt er nadien iemand van het INCRA met de documenten dat wij een deel van het land moeten ontruimen, dan zal dat geen dag duren.’ ‘Straks laat u mij nog geloven voorstander te zijn van de landbouwhervorming,’ durf ik te vragen. De een na de ander hurkt neer in de kleine kring die wij stilaan vormen. Ik weet dat we geen gezellige chimarrão zullen doorgeven aan elkaar, maar het gesprek loopt al iets losser. ‘De landbouwhervorming is een rechtvaardige eis. Maar niet op deze agressieve manier. Ze sleepten hier alles weg en staken een schuur in brand. Ze schreeuwden dat ze don Mariano zouden kruisigen en zijn dochter werd effectief geslagen.’ De opwinding onder de pistoleiro’s neemt toe. Iveraldo die totnogtoe met wisselend succes een mes zat op te gooien om het met de punt in de grond te doen belanden, spuugt achter zich op de grond en maakt een beweging alsof ik het moet opschrijven: ‘Verontschuldig me dat ik jij zeg tegen u, maar als er een nieuwe invasie komt, vallen er doden. Als er dan één van hén sterft, wordt hij een held, een martelaar. De wereld zal het geweten hebben. Maar één van de onzen die eraan gaat, is als een hond.’ De rancune zit diep. Hij neemt mij mee naar de afgebrande schuur, als bewijs van hun waarheid. ‘Angst, ja, natuurlijk,’ zegt Iveraldo als ik er hem naar vraag. ‘Ik moet mijn mannen tot kalmte aanmanen en ze verbieden alcohol te drinken.’ Met de Buick rijdt hij mij terug naar het hek dat ik voor één keer deze weken aan de binnenkant zie opengaan. Ik druk Iveraldo nog de hand en steek het asfalt over, op weg naar mijn barak. Het is middag. Ik vraag mij geamuseerd af wat de onzichtbare ogen, na mijn afscheid van de pistoleiro, nu wel van mij moeten denken. Op het verkeersbord van Ivo staat één glas aperitiefdrank, caipirinha, te wachten. ‘Al twee weken houden jullie vol dat er in de kampen geen alcohol gedronken wordt?’glimlach ik opgelucht na de voorbije uren. Ivo lacht: ‘Deze caipirinha mag je enkel meedrinken als je ons de geheimen van de fazenda doorspeelt.’ En nog vóór het middagmaal bij Lorisi -die deze voormiddag een kaarsje voor mij brandde- zitten Ivo en de zijnen te grinniken om alle beschuldigingen van de overkant.

Een overwinning, ja toch?

Vrijdag, kort na de middag. De warmte leunt zwaar op de barakken. Ondanks de schijn is deze namiddag anders dan alle voorafgaande. Over een goed uur begint hier de bijeenkomst met een afgevaardigde van de Beweging van Landloze Boeren, Laurecy. Wanneer hij tegen twee uur aankomt, is er eerst een korte bijeenkomst met de zes groepsleiders van het kamp. Ik hoor in een notendop vertellen wat de voorstellen van de Beweging voor Rio do Leão zijn: niet langer in de barakken naast de weg blijven, een deel van het terrein aan de boskant toch al innemen en bewerken zonder de druk op het grote stuk grond aan de overkant op te geven. Mij lijkt dit een grote toegeving aan de opportunisten in het kamp –de Ervino’s, Vijftienen en Onverstoorbaren- maar geen enkele coördinator toont zich verbaasd. ‘Wij houden niet op te strijden voor de totale oppervlakte. Maar we moeten een stap vooruit zetten om de ontmoediging af te houden,’ besluit Laurecy. Kijkend naar Ivo en Wilmar, de felste voorstanders van de harde vuist naar de grootgrondbezitter, voegt hij eraan toe: ‘Dit is geen terugtocht, jullie blijven een strijdgroep die een vorm van coöperatieve landbouw uittest. Een voorbeeld, zeg maar.’ Ivo knikt en stelt voor om de vergadering open te gooien voor alle kampbewoners die met de voorstellen moeten instemmen, al is de uitkomst van het palaver voorspelbaar.

Niet zonder ontroering zie ik het daarop volgende halfuur de mannen, vrouwen en kinderen aankomen bij de open barak. Na drie weken zie ik hen voor het eerst allemaal samen in een groot vierkant van houten banken. De vrouwen samen, met enkele kinderen tussen hen in. De mannen en jongemannen aan een andere zijde van het vierkant. Justino, mijn buurman, omarmt een hoekpaal van de barak. Een klein ventje toetert met de claxon van de gele auto van het ‘Trekpaard’, maar dan daalt er over de groep een stilte als voor een plechtigheid. Een moeder tilt haar shirt omhoog om de baby de borst te geven wanneer die aanstalten maakt om te krijsen. Laurecy begroet iedereen. Hoe ze elkaar kennen uit de strijd van de afgelopen jaren, hoeveel iedereen hier te verduren had en hoe moeilijk de Beweging deze tijd tastbare overwinningen boekt. ‘Jullie zitten aan de kant van de weg, maar wel midden in de discussie. Bezettingen zijn sterke gebeurtenissen, maar de strijd volhouden op langere termijn is sterker. Daarvoor moeten wij samenwerken, produceren en bouwen aan een rechtvaardiger Brazilië. Een goede chimarrão maak je niet met te heet, maar wel met goed warm water.’ Dat laatste wordt op instemmend geknik en een halve glimlach onthaald. De grote woorden daarvóór schenen over de groep heen weg te waaien. Hier wordt op klare taal gewacht. ‘Daarom stellen wij jullie voor,’ gaat Laurecy verder, ‘de wegkant te verlaten en het bosterrein en de akkers hier beneden in te palmen. Zo consolideren wij onze aanwezigheid, zonder onze aanspraak op de grond aan de overkant op te geven.’ Er wordt gekucht, vooral de vrouwen kunnen nauwelijks zuchtjes van opluchting en blijdschap verbergen. ‘Wat vinden jullie van dit voorstel?’ Natuurlijk zegt er eerst niemand iets. Het is Clecir die de onhandige stilte breekt als ze schudt met haar hoofd, haar schouders ophaalt en zuchtend stamelt: ‘Dit is een overwinning, ja toch?’ Ook de ogen van Benta die naast Clecir zit, stralen. ‘Het is heel, heel goed zo,’ zegt ze, waarop Ervino en na hem ook nog eens de Onverstoorbare en andere mannen hun instemming laten blijken. ‘En wat doen we met de plastic zeilen?’ roept Benta enthousiast naar Ivo. De hele groep schiet in een lach maar het wordt stiller als Ivo zegt dat ze woensdagmorgen vóór zonsopgang zullen verhuizen. Geen dag eerder, om bij de pistoleiro’s niet onnodig argwaan te wekken. De vergadering valt niet meer netjes af te ronden, in trosjes verlaten de mensen de barak. Met enkelen hangen we in de barak nog rond. ‘Een overwinning, ja toch?’ imiteert Denise, Ivo’s vrouw, giechelend Clecirs enthousiasme. ‘Een overwinning? Néé toch!’ Net als Delci, haar hoogzwangere zus, herkent ze zich niet in het enthousiasme van de meerderheid: ‘Ik was er twee jaar geleden niet voor te vinden om naar dit kamp te komen. Dat zeg ik jullie eerlijk. Maar mijn man haalde mij over. Nu wij na twee jaar al zover zijn, ben ik niet meer tevreden met een troostprijs.’ Ivo bedaart de gemoederen in de familie als hij het heeft over de strategische voordelen van de beslissing, al had ook hij de strijd liever langer uitgehouden.

De uittocht

Boven enkele barakken hangt deze dagen opnieuw de rode, bij sommigen gerafelde vlag van de Beweging. Verspreid over het bos verschijnen tegen maandagavond de eerste geraamten van de nieuwe barakken. Bijna iedereen aan de rand van de weg leeft nu met het hart hoog. Als ze hun gezwoeg met de ossen en karren, de boomstammen en de kapmessen onderbreken, zie ik ze bij een chimarrão genieten van de rust, enkele honderden meters van het asfalt weg.

Dinsdagavond staan de meeste barakken als nette geraamtes opgesteld. De vrouwen hebben in de oude barakken aan de kant van de weg het huisraad in zakken klaargezet. Tegen de afspraak in verslepen enkele families heimelijk al enkele zakken naar het nieuwe onderkomen. Zo niet Rosa en Adimir die ik na de middag hielp bij het klaarmaken van hun terrein. Zij zijn de ouders van de tweejarige Talita die vorige maand omkwam bij het ongeval. Tijdens de afgelopen weken probeerde ik twee keer met Rosa over haar kind, het ongeval en hun verdriet te spreken. Maar telkens schudt Rosa het hoofd: ‘Ik word gek als ik eraan herinnerd word.’ De laatste avond voor mijn vertrek, ook hún laatste avond aan de rand van de weg, nodigen Rosa en Adimir me uit voor het avondmaal. Twee, drie kleine kaarsen verlichten de barak. Omdat Rosa tot een pinksterkerk behoort, bedanken wij God uitvoerig rond het fornuis waarop witte bonen, rijst en spaghetti staan. Daarna eten we zwijgend. Morgen moet het hele kamp nog vóór zonsopgang uit de veren voor de exodus. Bij mijn afscheid haalt Rosa een foto uit haar schort. Terwijl ze mij alleen maar aankijkt, toont ze een onscherp beeld van een meisje van twee. Op de achterkant staat hoekig geschreven: ‘Mijn dochtertje Talita waarvan ik zoveel hield en dat stierf in Rio do Leão op 14 februari 1999 om 14u15.’ Ik geef haar de reliek terug en weet niet wat te zeggen.

Die nacht slaap ik maar enkele uren. Een transistorradiootje krijgt maar niet genoeg van levensliedjes en rond middernacht struikelt een dronkeman de barak van Wilmar binnen met de boodschap dat hij Johannes de Doper is. Wanneer ik tegen halfvijf opsta, dansen in enkele barakken al de schaduwen van mensen. Langs de boswegen zoek ik in het duister, afgaand op geluiden, naar de eerste verhuizers. Met de één loop ik een eindje mee, van een ander krijg ik nog een thee toegestoken. Als de lucht eerst blauw en dan oranje begint te kleuren, trekken de ossen van João en Ervino karren met huisraad het bos in. Blauwe, witte en rode oventjes worden voorzichtig van de karren gezet. Nog bibberende kinderen dragen keteltjes, kleinere dozen en werktuig naar hun nieuwe barakken. Nog vóór de zon opgaat zijn enkele moeders al aan het vegen. Over twee uur moet ik vertrekken. Ik kan alleen maar foto’s nemen, handen drukken en beloven om te schrijven, foto’s te sturen en later terug te keren naar hun grond, hun huis met veranda. Zoals naar het huis van Ervino en Clecir, om met Fernanda, hun dochtertje van zes, te kijken naar het kamertje waarvan ze nu droomt: voor haar alleen en met roze en blauwe muren.

BEWEGING VOOR LANDLOZE BOEREN

In 1984 werd de ‘Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra’, afgekort MST, opgericht. Met de slogan ‘De grond is voor wie hem bewerkt’ strijdt de Beweging voor Landloze Boeren vandaag al vijftien jaar voor een meer rechtvaardige grondverdeling in Brazilië. De Beweging wordt in Brazilië en ver daarbuiten erkend als één van de sterkste verzetsbewegingen tegen de uitbuiting van arm door rijk. Waar in de eerste tien jaar van haar bestaan de Beweging vooral op het voorplan trad met grondbezettingen –vele boeren kwamen toen om door de repressie van de grootgrondbezitters en de overheid- besteedt de MST de jongste jaren veel meer aandacht aan een nieuw samenlevings- en productiemodel onder de boeren. De huidige strijd richt zich niet louter meer tegen de grootgrondbezitters maar tegen het economisch en politiek project van de Braziliaanse regering. De waarde van de grondbezettingen wordt niet langer uitgedrukt in het aantal hectares dat is veroverd of de opbrengsten ervan, maar in de sociale organisatie van de boeren op de nieuwe gronden.

Ondanks vele beloften slaagde de regering van president Fernando Henrique Cardoso er in de periode 1994-1999 niet in om een landbouwhervorming –dé eis van de Beweging- door te voeren. Door de acties van de Beweging kwam Cardoso onder druk te staan. Nu de tweede ambtstermijn van Cardoso begon (1999-2002), lijkt het er echter op dat de regering in het offensief gaat tegen de Beweging. De landbouwhervorming werd gedecentraliseerd, de kredieten voor de boeren sterk teruggeschroefd en de Beweging wordt systematisch afgedaan als een zootje ongeregeld. Regeringskringen bazuinen als excuus rond dat Brazilië niet kan achterblijven in de globaliserende wereldeconomie. Dat standpunt kreeg dan onlangs weer tegenwind van de Braziliaanse Bisschoppenconferentie, die verklaarde dat ‘de logica van het huidige economische model niet alleen de mogelijkheid van kleinschalige productie ontkent, maar eveneens de kleine boeren doet verdwijnen of hen tot pure overlevingseconomie dwingt’.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur