Dossier: 

Lege magen, volle brandstoftanks

In oktober 2007 publiceerde MO* een dossier over biobrandstoffen. Deze brandstoffen stonden toen sterk in de belangstelling, maar lieten intussen veel van hun pluimen. MO.be vist dit artikel nu terug op en voegt het toe aan het dossier Energie 2020, over de tendenzen voor de toekomstige wereldwijde energievoorziening.

25 september 2007 - Over enkele maanden moet de Europese regelgeving inzake biobrandstoffen zijn definitieve beslag krijgen. Maar hoe ecologisch zijn biobrandstoffen en is het wel een goed idee al die landbouwgrond in te palmen om wagens te laten rijden?

Het wegtransport is in de Europese Unie goed voor zo’n dertig procent van het totale energieverbruik én is voor 98 procent afhankelijk van fossiele brandstoffen.  Dat is een probleem, want fossiele brandstoffen worden steeds schaarser en duurder en zijn door van hun CO2-uitstoot zwaar belastend voor het milieu. Drastische maatregelen zijn dus nodig om het wegvervoer duurzaam te maken. In 2003 al lanceerde de Europese Commissie een eerste richtlijn over biobrandstoffen, met de niet bindende aanbeveling om tegen 2010 de energie voor het wegtransport voor 5,75 procent uit biobrandstof te halen. Sindsdien woedt een fel debat over de vraag of die biobrandstoffen wel zo wenselijk zijn, of het percentage wel gehaald kan worden zonder te veel nevenschade en onder welke omstandigheden die piste het best toegepast wordt. Toch pakte de Europese Commissie op de Lentetop van 8-9 maart verrassend uit met een nieuw energieplan waarin de norm voor biobrandstoffen niet alleen wordt opgetrokken, tot 10 procent tegen 2020, maar ook wordt verplicht.

Baan ruimen voor biobrandstof 

Energie maken door de verbranding van biomassa: het idee is zo oud als de uitvinding van het vuur. Biobrandstof lijkt zelfs superecologisch: ze is immers CO2 neutraal, want gemaakt op basis van planten die bij verbranding niet méér CO2 uitstoten dan ze tijdens hun groei hebben opgenomen. In de praktijk worden suikerriet, suikerbiet en maïs gebruikt voor de productie van ethanol, en oliehoudende gewassen als koolzaad, raapzaad, zonnebloemen, palmolie en soja voor biodiesel. De ethanol wordt vermengd met benzine, de olie met diesel tot biodiesel. Rijden op Puur Plantaardige Olie (PPO) kan ook, maar dan moet eerst de motor omgebouwd worden.

Dat biobrandstof in de lift zit sinds de Europese Unie in 2003 haar eerste richtlijn lanceerde, valt af te lezen van de Biofuels Barometer van de EurObservER. De EU paste haar wetgevingen aan en verlaagde de accijnzen om prijsbarrières weg te werken (zie kader). Daardoor steeg het Europese biodieselverbruik in 2006 naar 3,84 miljoen ton, tegenover 2,24 miljoen ton in 2005. Koploper is Duitsland, gevolgd door Frankrijk.  Op wereldvlak steeg de productie van biobrandstoffen vorig jaar met 28 procent. De bio-ethanolproductie, die al langer op gang is, steeg met 22 procent, de biodieselproductie, die nu pas echt goed in de lift zit, groeide met 80 procent.

Weiden als wiegende zeeën

Voor boeren die mee op de kar kunnen springen, komt de exploderende markt voor energiegewassen als een geschenk uit de hemel. In de EU hebben ze hectaren braak liggen om overproductie te vermijden, en suikerbietboeren zaten met de handen in het haar sinds de gekrompen suikersubsidies. Zoals de rest van Europa zet ook ons land vooral in op de productie van koolzaad. In 2004-2005 werd in België 5550 ha beplant met koolzaad, in 2006 was dat 9856 ha. Wie koolzaad teelt voor energie, krijgt daarvoor bovendien een subsidie van 45 euro per ha. Ook de prijs van het koolzaad steeg in 2005 van 190 tot 220 euro per ton. Volgens de impactstudie van het directoraat Landbouw van de EU, gepubliceerd in juli dit jaar, verwacht men nog een stijging van de prijzen voor zonnebloemzaden, raapzaad en soja. De Boerenbond is blij met de trend. Bart Vleeschouwers van de Boerenbond: ‘Jarenlang zijn de prijzen kunstmatig laag gehouden. Wat we nu zien is niet meer dan een inhaalbeweging. Eindelijk worden de boeren gewaardeerd voor hun werk.’

Tegenover de gigantische hoeveelheden biobrandstof die ons wagenpark nodig zal hebben, zijn de lappen koolzaad die het Vlaamse landschap geel kleuren niet meer dan een druppel op een hete plaat. Met de opbrengst van een ha koolzaad kan een vrachtwagen 1400 km rijden. Volgens de Potentieelstudie biobrandstoffen in Vlaanderen, uitgevoerd in 2006 in opdracht van de Vlaamse overheid, zouden we tegen 2015 een totale opbrengst biobrandstof kunnen produceren die volstaat om 2,8 procent van het verbruik te dekken. Ook op Europees niveau is import onvermijdelijk als men de vooropgestelde norm wil halen. Zelfs de VS, ‘s werelds grootste producent van bio-ethanol, is aangewezen op import. Volgens een Amerikaanse studie, in juli 2006 gepubliceerd in Proceedings of the National Academy of Sciences, kan de eigen productie niet meer dan 12 procent van de vraag naar ethanol en 6 procent van de vraag naar diesel invullen.

President Bush wil graag de norm van 20 procent halen tegen 2012, niet zozeer uit bezorgdheid om de opwarming van de aarde, maar om de afhankelijkheid van olie-import uit niet-bevriende landen af te bouwen. Meteen ook de reden waarom Bush in maart een historisch akkoord tekende met Brazilië voor een nauwere samenwerking op het domein van de ethanolproductie. Brazilië is na de VS de grootste wereldproducent van biobrandstof. De twee landen samen controleren 72 procent van de wereldproductie. Voor president Bush is het niet onbelangrijk Brazilië achter zich te hebben en zo een wig te drijven tussen dit land en het olierijke Venezuela van Hugo Chávez. Lula van zijn kant wilde wel af van het protectionisme vanuit de VS, dat de import van ethanol bemoeilijkte. Lula ziet voor Brazilië trouwens een rol weggelegd als wereldwijde energieleverancier. Daarom wil hij de Braziliaanse  ethanolproductie tegen 2025 vertwaalfvoudigen.

Met dank aan het warme Zuiden

In tropische en subtropische regio’s, waar de energiegewassen het beste gedijen, deint het areaal uit als een olievlek. Brazilië, Maleisië en Indonesië voeren de lijst van exporteurs aan, maar Argentinië, Paraguay, Colombia, Ecuador en Bolivia zijn aan een inhaalbeweging begonnen. In Afrika wordt volop ingezet op jatrofa, een oliehoudende, niet eetbare plant die bijzonder interessant is als energiegewas en die Afrika wel degelijk extra inkomsten zou kunnen leveren.

De energiegewassen worden meestal verbouwd in grootschalige monoculturen, in handen van de agro-industrie. Of de gewone boer hier wel bij vaart, is een heel ander paar mouwen. Mateus Trevisan van Movimiento Sem Terra in Brazilië is erg sceptisch. Op een hoorzitting in het Europese parlement eind juni, over de impact voor de boeren in het Zuiden, schetste hij de andere kant van de medaille. Op de Braziliaanse plantages werken een half miljoen suikerrietkappers als slaven. De zogenaamde bóias-frias , landloze boeren, werken twaalf uur per dag, zonder enige wettelijke bescherming, en kappen per dag zo’n 12 ton suikerriet voor een luttele euro per ton. Moordend werk, bovendien. In vijf jaar tijd verloren 1383 mensen het leven in de suikerteelt. Trevisan: ‘De Groene Revolutie  in de jaren ’80 heeft de landbouw gemechaniseerd en astronomische hoeveelheden meststoffen geïntroduceerd, gemaakt op basis van petroleum. 70 miljoen mensen trokken van het platteland naar de stad, terwijl het platteland in handen is gekomen van de grootgrondbezitters. Agrobusiness en monoculturen domineren vandaag het platteland. Met de biobrandstoffen zal het niet anders zijn, als het beleid niet drastisch ingrijpt in de organisatie van dit landbouwsysteem en de structuur van het grondbezit. Voor ons is het een kwestie van voedselzekerheid, van sociale gerechtigheid en van een daadwerkelijk beleid om klimaatverwarming tegen te gaan’.

Hoe die voedselzekerheid in het gedrang kan komen, hebben ze onder andere in Mexico duidelijk ervaren. Daar braken in januari hevige protesten uit nadat de prijzen voor de tortilla’s met bijna een derde stegen. Mexico, toch hét land van de maïs, zag hoe zijn maïsproductie werd kapotgemaakt sinds het vrijhandelsverdrag   met de VS en Canada in 1994 in werking trad en goedkope maïsimport uit de VS mogelijk maakte. De toegenomen vraag naar voedsel, maar ook de groeiende ethanolproductie in de VS, zorgde vervolgens voor de kleinste maïsvoorraden en de hoogste prijzen in dertig jaar.

Ook andere landen worden geconfronteerd met de consequenties van het opgeven van hun voedselsoevereiniteit op te geven. Als gevolg van de grote vraag naar biobrandstoffen, werden in de VS stijgingen van de graanprijs opgetekend van meer dan 80 procent.  En de VS bepalen grotendeels de wereldprijs voor graan aangezien ze voorzien in 70 procent van de wereldwijde graanexport.

Een recente publicatie van het World Watch Institute, Food and Fuel: Biofuels Could Benefit World’s Undernourished, over de impact van de biobrandstofproductie op de energie- en landbouwsector, wijst voorzichtig op de nieuwe perspectieven voor de boeren, maar het stelt terecht dat er diepgaande landbouwhervormingen nodig zijn opdat de kleine boeren echt zouden kunnen profiteren van de biobrandstoffenmarkt. Voor de armen in de stad zijn de hogere voedselprijzen nefast. Meer dan voordien zullen ze bijgestaan moeten worden door hulpprogramma’s zoals die van het World Food Programm, aldus de studie.

Bloedrode olie

Energiegewassen moeten snel geld opbrengen en dus worden ze vaak niet bepaald op de meest gewetensvolle manier geproduceerd. Neem nu Colombia, de vijfde grootste exporteur van palmolie op wereldvlak. Streefdoel van president Uribe is om hoger te klimmen in die wereldranglijst door 6 miljoen ha met Afrikaanse Palm in te zaaien. Vooral in de regio’s van Magdalena Medio en El Chocó rijzen palmolieplantages als paddenstoelen uit de grond. Daarvoor moeten hele gemeenschappen wijken, die door paramilitairen met geweld van hun grond verdreven worden.

Op 9 mei organiseerde de groene Franse Europarlementariër Alain Lipietz in het Europees Parlement een hoorzitting over de schending van de mensenrechten in Colombia, veroorzaakt door de oprukkende palmolie-industrie. Vertegenwoordigers van ngo’s, mensenrechten- en milieuorganisaties wezen er op de connecties tussen de paramilitairen en de palmolie-industrie. Niet zelden worden investeringen in palmolieproductie betaald met drugsgeld dat op die manier wordt witgewassen. De verantwoordelijkheid van Europa is dubbel, vonden de Colombiaanse getuigen op de hoorzitting. Tachtig procent van de Colombiaanse palmolie is voor Europa bestemd. Bovendien investeert Europa zelfs in de aanleg van palmolieplantages, via ontwikkelingshulp aan de Vredeslaboratoria in die regio’s. Volgens de ngo’s getuigt dit van een gebrek aan coherent beleid. ‘In theorie kunnen kleinschalige boeren er baat bij hebben als ze zich in schakelen in deze winstgevende sector, maar in de praktijk zijn het de grote bedrijven die alles in handen hebben en de grote winsten opstrijken’, stelt Tatiana Roa van CENSAT / Friends of the Earth Colombia. Haar organisatie vraagt de Europese politici nog eens een tweede keer na te denken over alternatieven om de CO2 in het verkeer te reduceren, bijvoorbeeld door het autoverbruik te verminderen of door vijf tot tien jaar te wachten met een norm voor het gebruik van biobrandstof, zodat er tijd is om de reële impact en ongewenste effecten van biobrandstoffen te onderzoeken.

CO2-reductie?

Gelijkaardige praktijken doen zich voor aan de andere kant van de wereld. Op het Indonesische eiland West-Kalimantan verliezen inheemse gemeenschappen hun bos en daarmee hun traditionele levenswijze, onder druk van de oprukkende palmolieplantages. De Indonesische regering heeft het plan om op de grens tussen Indonesië en Maleisië 1,8 miljoen ha te beplanten met palmolie. Het project zal niet alleen rampzalig zijn voor de biodiversiteit en de orang-oetans, ook de plaatselijke gemeenschappen worden erdoor bedreigd met armoede, desintegratie en onderlinge conflicten. Wie zich verzet, wordt hardhandig het zwijgen opgelegd. ‘Is dit de manier om de strijd te voeren tegen de klimaatwijziging?’ vroeg Mina Setra van de inheemse organisatie AMAN zich op de hoorzitting af.

Wat de palmolieproductie uit Zuidoost-Azië betreft, is deze vraag nog om een andere reden erg pertinent. Een studie van Delft Hydraulics, in samenwerking met Wetlands International, toont hoe veengebieden worden ontbost en gedraineerd, om nadien met oliepalmen beplant te worden. Op die manier verliezen die veengebieden hun CO2 opslagcapaciteit. Bovendien begint er, eenmaal gedraineerd, een ontbindingsproces dat vaak gepaard gaat met branden waarbij dan weer grote hoeveelheden CO2 in de atmosfeer worden gestuurd. Deze emissies zorgen er zelfs voor dat Indonesië de derde grootste CO2 uitstoot heeft ter wereld, na de VS en China.

Volgens het International Panel on Climate Change zorgt de ontbossing voor één vierde van de door mensen veroorzaakte CO2-uitstoot. Wil men opwarming vermijden, dan is stoppen met ontbossen bijgevolg efficiënter dan baan ruimen voor energiegewassen. Maar hoe beloftevoller de markt, hoe groter de druk op de biosfeer. Miljoenen hectaren gingen de jongste jaren voor de bijl voor soja, suiker en palmolie. In Brazilië is nu zelfs ook de ecologisch waardevolle Cerrado, ten zuiden van het Amazonewoud, bedreigd door de uitbreidende suikerrietplantages. Van de 204 miljoen ha oorspronkelijke Cerrado is 57 procent totaal vernield en de rest ernstig aangetast.

Rijden of eten

In 2006 produceerden de VS 55 miljoen ton ethanol, in 2004 was dat nog 32 miljoen ton –met de mais die daarvoor nodig was, hadden 100 miljoen mensen een jaar lang gevoed kunnen worden.  In Brazilië gaat de helft van de suikerrietoogst naar de ethanolproductie. En dat terwijl volgens de VN-voedselorganisatie FAO net méér grond in productie gebracht moet worden voor voedingsteelten, wil men het hongerprobleem oplossen.

Professor Lawrence Johnson, verbonden aan de Iowa State University, ontving in maart een eredoctoraat aan de UGent voor zijn onderzoek op het domein van industriële biotechnologie voor landbouwgewassen en biomassa. Biobrandstoffen, benadrukt Johnson, zijn slechts het topje van de ijsberg van een nieuwe industrie die zich voorbereidt om de petroleummarkt op te volgen. Hij ziet de expansieve groei van de biobrandstoffen met lede ogen aan: ‘We hebben onvoldoende grond om met bio-energie de levensstijl te onderhouden die we nu hebben. Voor de petroleum hebben we de ondergrond uitgemijnd. Vandaag dreigen we de bodem uit te mijnen voor onze onverzadigbare behoefte aan energie. Het heeft geen enkele zin het ene onduurzame systeem te vervangen door het andere. In de toekomst zullen we veel bewuster moeten omgaan met onze uitgaven en moeten kiezen hoeveel we uitgeven aan voedsel en hoeveel aan energie.’ De ngo’s Global Forest Coalition en Global Justice Ecology Project stellen het in hun campagne From Meals to Wheels: The social and ecological catastrophe of Biofuels nog scherper: ‘Het zijn de rijke landen van het Noorden die het grootste aandeel hebben in het probleem van de globale opwarming maar het zijn vooral de landen van het Zuiden die de impact voelen.’

Christopher Flavin, directeur van het Worldwatch Institute zegt onomwonden waar het op staat: ‘We bevinden ons vandaag op een kruispunt, waarop de keuzes die nu gemaakt worden, bepalend gaan zijn voor de generaties van de toekomst, voor de leefbaarheid van de wereld en voor de honger van miljoenen. De belangrijkste opdracht is erop toe te zien dat de biobrandstoffenindustrie zich op een duurzame manier ontwikkelt, en dat ze de problemen, veroorzaakt door de petroleumindustrie, niet herhaalt of nog verergert, door de petroleum te vervangen door een alternatief dat ecologisch en sociaal rampzalige gevolgen heeft.’

Botsende belangen

Intussen neemt in de wandelgangen van de EU-gebouwen het gelobby rond biobrandstoffen in alle hevigheid toe. De grote boerenorganisaties en de transnationale bedrijven die de wereldwijde handel in zaaigoed domineren, zoals Cargill, ADM (ArcherDanierlMidland) of Bunge, samen met biotechreuzen als Syngenta, Monsanto, Dupont, Dow, BASF en Bayer zien in biobrandstoffen uit energiegewassen de kip met de gouden eieren. Waar die laatsten golven van kritiek over zich heen kregen omwille van de ggo’s, krijgen ze nu de wind in de zeilen omdat de discussie niet langer gaat om voedselgewassen. Ook de petroleumindustrie is opgezet met de biobrandstofpiste als middel tot CO2-reductie omdat daarmee de afhankelijkheid van fossiele brandstof toch nog altijd overeind blijft. Bovendien gaan er nogal wat overheidssubsidies naar die biobrandstoffen en dat is niet onbelangrijk.

Volgens een studie van de Commissie over de impact van biobrandstoffen, gepubliceerd in 2006 –An EU Strategy for Biofuels, Impact Assessment– was de Commissie zich wel degelijk bewust van de mogelijke negatieve impact: de toenemende vraag naar grondstoffen uit het Zuiden, het probleem van de CO2-balans, de sociale impact en de competitie met voedsel.

En toch pakte de Commissie op de Lentetop uit met een verhoging van de norm. Vanwaar die wending?

Een aantal kritische ngo’s stellen dat het biobrandstoffenbeleid van de Europese Commissie niet in de eerste plaats is ingegeven door de strijd tegen de opwarming. Volgens hen is de Commissie vooral bekommerd om energiezekerheid, en wil ze de belangen van de agro-, auto-, olie- en biotechindustrie veilig stellen. In hun gezamenlijke publicatie The Push for “sustainable” agrofuels stellen Carbon Trade Watch, Transnational Insititute, Corporate Europe Observatory en Grupo de Reflexión Rural dat het enthousiasme van de EU voor biobrandstoffen sterk beïnvloed is door lobbygroepen uit deze industrietakken. Ze roepen op tot een breder publiek debat over de risico’s van de biobrandstoffen, ook met de belanghebbenden uit het Zuiden.

De Commissie liet wel een studie maken over de impact van de tienprocentmaatregel. Daarin wordt als belangrijke voorwaarde de ontwikkeling van de zogenaamde ‘tweede generatie’ biobrandstoffen gesteld. (zie kader) Bedrijven als Shell en BP zetten vandaag volop in op de ontwikkeling van de technologie voor de tweede generatie en steunen het debat tégen de eerste generatie biobrandstoffen.

Bij al deze discussies lijkt men uit het oog te verliezen dat het uiteindelijke doel de beperking van de CO2-uitstoot van het wegvervoer is. Volgens Joeri Thijs, die bij Greenpeace België het thema transport opvolgt, schiet Europa tekort in het uitbouwen van een integraal beleid. Er zijn tal van andere mogelijkheden om een duurzaam transportsysteem uit te bouwen: het wegvervoer inkrimpen, het openbaar vervoer verder uitbouwen of de auto’s zelf schoner maken. Het aanvankelijke voorstel van Europees Milieucommissaris Stavros Dimas was trouwens om een norm op te leggen voor de reductie van de uitstoot in wagens tot 120 g/km tegen 2012. Omdat de auto-industrie dit niet zag zitten en vond dat hetzelfde effect kan bekomen worden met biobrandstoffen, is er geopteerd voor een minder strenge norm van 130 g/km, en voor een verhoging van de norm van biobrandstoffen.

Een warm najaar

Om de negatieve aspecten van biobrandstoffen toch enigszins te milderen, wordt er momenteel gedacht aan een certificatiesysteem voor duurzame biobrandstoffen. Het knelpunt daarbij zijn de sociale criteria. Sommige belangengroepen willen dat daar niet te zwaar aan getild wordt, net zoals ze traceerbaarheid geen prioriteit vinden. Nina Holland, van de ngo Corporate Europe Observatory, heeft ernstige vragen bij zo’n certificatiesysteem. Ervaringen uit het verleden, met de certificatie voor duurzame soja, geïmporteerd hout of groene stroom, hebben uitgewezen hoe moeilijk het is om het systeem sluitend te maken, vooral wanneer het over importproducten gaat.

In januari van volgend jaar buigt de Europese Commissie zich opnieuw over het dossier. Europarlementslid Alain Lipietz: ‘De discussies evolueren ontzettend snel. Weinig dossiers zijn zo door het publieke debat beïnvloed. Het voorlopige voorstel is in januari zonder veel kritiek aanvaard, een half jaar later liggen de kaarten helemaal anders.’ Zelf pleit hij ervoor om de bindende normen los te laten en niet méér biomassa te gebruiken dan Europa zelf kan produceren.

Tot er meer klaarheid is in het debat, zullen ook wij allen moeten wachten met het tanken van biobrandstof. De federale overheid had voorzien dat vanaf oktober overal biodiesel getankt zou kunnen worden, maar door het spel van de markt en de heftigheid van de discussies loopt dat proces inmiddels vertraging op. 

De bal is aan het rollen

In ons land werd de Europese Richtlijn in 2005 omgezet in een Koninklijk Besluit en sinds oktober vorig jaar is er een accijnsverlaging van kracht, waardoor de biobrandstoffen vandaag niet meer duurder hoeven te zijn dan de gewone brandstof.

Vier bedrijven in ons land kregen quota toegewezen voor de productie van  biodiesel, drie voor de productie van bio-ethanol. Voor biodiesel gaat het om Proviron Oostende, Flanders Bio Fuel Gistel, Oleon Ertvelde, NéoChim Féluy. Voor ethanol gaat het om de bedrijven Alco Bio Fuel Gent, Tate & Lyle Aalst, Bio Wanze Wanze. In de Gentse haven werd de Ghent Bio-energy Valley opgericht. Bedoeling is de haven te laten uitgroeien tot een van de grootste en meest efficiënt producerende sites voor bio-energie.

De Lijn is inmiddels druk bezig met het introduceren van bussen op biodiesel en PPO, en ook verschillende gemeentes hebben al initiatieven genomen om het gebruik van PPO als transportbrandstof te stimuleren.

De petroleumbedrijven in België zijn voorlopig nog niet verplicht om te mengen. De Belgische regering besliste dat biodiesel tegen oktober 2007 effectief aan de pomp verkrijgbaar moest zijn, maar dat zal maar in beperkte mate het geval zijn, want  alle biobrandstofprojecten in België lopen momenteel achterstand op. Alleen Total, en enkele kleinere bedrijven, mengen al biodiesel. Shell en Esso houden hun beslissing nog in beraad.

De tweede generatie

Omwille van de vele negatieve aspecten van de eerste generatie biobrandstoffen –uit voedselgewassen als soja, maïs, suikerriet, granen en zaden– wordt steeds meer gepleit voor de productie van de zogenaamde tweede generatie, uit de biomassa van reststromen zoals organisch afval uit de land- en bosbouw, uit houtpulp, stro of snelgroeiende, celluloserijke energiegewassen als grassen, wilgen en eucalyptus. Een aantal negatieve effecten van de eerste generatie (CO2-balans, concurrentie met voedselproductie…) kunnen hiermee vermeden worden, terwijl er een aantal extra mogelijkheden zijn, zoals het laten groeien van planten die vervuilde of gedegradeerde gronden herstellen.  Maar ook dat proces moet sociaal goed gecoördineerd worden. Probleem is die tweede generatie pas tegen 2015 op industriële schaal beschikbaar zal zijn. En wellicht moeten we wachten tot 2030 vooraleer de technologie echt renderend is.

De meeste Europese autoconstructeurs hebben vandaag al partnerships met olie- en biotechbedrijven voor de ontwikkeling van de tweede generatie biobrandstoffen. In maart 2006 werd zo de Alliance for Synthetic Fuels in Europe (ASFE) opgericht, door DaimlerChrysler, Renault en Volkswagen, samen met de petroleumbedrijven SasolChevron en Shell. BP en D1 Oils hebben de joint venture D1-BP Fuel Crops Ltd opgericht die de productie van biodiesel uit zaden van de jatrofaplant te bevorderen.

Dit dossier kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.