Leven in een land met littekens

De Europese Unie bouwt zijn militaire troepenmacht in Bosnië-Herzegovina aanzienlijk af. Toch is het Balkanland twaalf jaar na de oorlog nog niet klaar om op eigen benen te staan. ‘Aan de oppervlakte is alles kalm en rustig maar daaronder smeulen de vuurtjes.’
19 april 2007. Zowat de voltallige Bosnische pers is aanwezig op de EUFOR-basis Camp Butmir nabij Sarajevo, camera’s en microfoons in aanslag. ‘Voortaan is het hele luchtruim opnieuw van jullie, van ground zero tot aan de maan’, zegt bevelhebber Hans Jochen Witthauer. Namens de internationale gemeenschap draagt de Duitse admiraal de controle over het Bosnische luchtruim over aan de nationale autoriteiten. Een grote dag voor Bosnië, fluistert een journaliste. De aankondiging is vooral van symbolisch belang voor het Balkanland, dat stap voor stap zijn soevereiniteit herwint. De sfeer in kamp Butmir is opvallend ontspannen. Wat verderop zit een groepje Italiaanse militairen op een barterras te genieten van de zon, espresso en sigaretten binnen handbereik. Ongewapend bovendien, dit is Afghanistan niet. De dreiging is intussen zo laag dat sommige landen overwegen om de gevarenpremie voor hun jongens en meisjes in Bosnië af te schaffen. Twaalf jaar na de oorlog is hier niet één buitenlandse soldaat gesneuveld in vijandelijkheden.

Georganiseerde misdaad


Na het Dayton-akkoord, dat in 1995 een einde maakte aan drie jaar etnisch conflict in Bosnië, stationeerde de NAVO 60.000 militairen in het land om de stabiliteit te verzekeren. De troepenmacht werd langzaamaan afgebouwd, tot de Europese Unie eind 2004 het bevel overnam. Dit jaar volgt een nieuwe stap in de militaire transitie. Van de 6000 EUFOR-soldaten blijven er binnen een paar maanden nog 2500 over. Hun missie: zorgen voor veiligheid door ontradend aanwezig te zijn en paraat te staan om in te grijpen. ‘Dat was ook in het verleden onze hoofdopdracht’, zegt admiraal Witthauer. ‘Daarnaast heeft EUFOR geholpen bij ontmijning, inzamelacties van wapens en munitie, de bouw van scholen, arrestaties van oorlogsmisdadigers in opdracht van het Joegoslavië-tribunaal en de strijd tegen georganiseerde misdaad.’
Mensenhandel, illegale wapentrafiek en drugssmokkel vormen volgens Witthauer een groot probleem in Bosnië. ‘De grootste bedreiging voor dit land is dat de volledige maatschappij doordrongen kan geraken van de georganiseerde misdaad. Dat fenomeen is niet onder controle. Het zal moeilijk zijn om er een greep op te krijgen. De staat zelf is immers nog heel zwak. Bovendien leent de geografie van Bosnië zich erg goed tot smokkel. Dit land is een kruispunt tussen oost, west, noord en zuid. Net als oeroude handelswegen lopen hier ook oeroude smokkelroutes. Smokkel is al generaties lang een bron van inkomen. En dan moet je weten dat de werkloosheid momenteel enorm hoog is.’
Vroeger was Bosnië de wapenfabriek van Joegoslavië. Witthauer: ‘Reeds voor de oorlog had je hier een ongelooflijke hoeveelheid wapens en munitie. Tijdens de oorlog zijn daar nog enorme wapenvoorraden uit het buitenland bijgekomen. Ik vrees dat tijdens onze talrijke wapeninzamelacties maar een klein deel daarvan ingeleverd is. Hoeveel wapens vandaag vanuit Bosnië illegaal naar het buitenland verdwijnen, weet niemand. Het is een oncontroleerbare stroom.’
Ook over de politieke ontwikkelingen in Bosnië maakt de EUFOR-bevelhebber zich zorgen. Tijdens de verkiezingen vorig jaar speelden zelfs gematigde partijen de etnische kaart uit, en dat zowel in de Republika Srpska (waar voornamelijk Serviërs wonen)  als in het andere landsdeel, de Federatie van Bosnië en Herzegovina (waar Bosnische moslims en Kroaten de meerderheid uitmaken). Ook na de verkiezingen flakkert de nationalistische retoriek regelmatig op, zeker nadat het Joegoslavië-tribunaal onlangs oordeelde dat Servië als land niet schuldig is aan genocide op moslims in Bosnië.
Witthauer: ‘Kijk, vanuit een militair standpunt is de situatie in Bosnië stabiel en veilig. Dat was ook de reden om de EUFOR-troepen tot 2500 soldaten terug te brengen. Maar dat betekent niet dat er geen politieke risico’s zijn. Ik denk dat 2007 een beslissend jaar wordt. De vraag is of beide landsdelen erin zullen slagen om opnieuw tot een verstandig politiek debat te komen. Kunnen ze de nodige politiehervorming en grondwetsherziening doorvoeren en op die manier de deur open houden voor toetreding tot de Europese Unie? Als Bosnië er dit jaar niet in slaagt om een stabiliteitspact met de EU te ondertekenen, is er weer een jaar verloren. Dat kan dit land zich niet permitteren.’

Mujaheddin


In april 2007 heeft de Bosnische regering het burgerschap van 367 buitenlandse islamitische ex-soldaten ingetrokken. Tijdens de burgeroorlog waren ze afgezakt uit landen als Turkije, Egypte, Algerije, Syrië, Tunesië en Soedan om aan de zijde van Bosnische moslims mee te vechten tegen Kroaten en Serviërs. Hoewel de zogenaamde mujaheddin na het vredesakkoord het land moesten verlaten, bleven sommigen er toch wonen, vaak na een huwelijk met lokale meisjes.
Waarnemers kaderen de recente maatregel tegen de voormalige mujaheddin in de wereldwijde Oorlog Tegen Terrorisme. Op de website van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken wordt Bosnië omschreven als een zwakke staat, ‘kwetsbaar voor gebruik als toevluchtsoord voor terroristen of als mogelijk platform voor terroristische operaties in Europa’. Volgens admiraal Witthauer is er inderdaad een link tussen Bosnië en terrorisme. ‘De zwakke staat, het gebrek aan politiesamenwerking tussen de twee landsdelen, het gebrek aan overzicht op het bankwezen om geldstromen te controleren, het voorhanden zijn van netwerken van georganiseerde misdaad, de mogelijkheid om grote grensoverschrijdende smokkel te organiseren, de geografie van Bosnië, de activiteiten van radicale groeperingen en van buitenlandse geheime diensten, al die factoren samen hebben hier een voedingsbodem geschapen waaruit zich terrorisme kan ontwikkelen. Een paar weken geleden nog zijn in Sarajevo drie mensen veroordeeld voor het plannen van terroristische aanslagen.’
In een recent rapport van het Nederlandse Clingendael Instituut wordt het Bosnische dorpje Bocinja, op zowat drie uur sporen van Sarajevo, opgenomen in een lijst van wereldwijde ‘terrorist black holes’. Van enige terroristische activiteit is in Bocinja nochtans weinig te merken. Natuurlijk laat niemand het woord ‘terrorist’ op zijn voorhoofd tatoeëren, maar ook een sfeer van radicalisme valt in dit godvergeten boerengat niet te bespeuren. Geurende weiden en door de Balkanactie gesponsorde serres langs de Bosna-rivier, een tractor die voorbij rijdt, Serviërs keuvelend in hun voortuintje, Bocinja is de rust zelve. In het oorspronkelijk Servische dorp wonen naar schatting vijftig Servische en vijftien moslimgezinnen.
Imker Semin Rizvic –een Bosnische moslim die zichzelf omschrijft als aanhanger van de ‘originele islam’– is zijn huis aan het opknappen. Gevraagd naar een reactie op de terrorismeclaim in het Clingendael-rapport schudt hij zijn hoofd. ‘Onzin. De Nederlanders, die hebben ons geholpen, ja’, verwijst hij ironisch naar de Nederlandse rol in de Srebrenica-genocide. ‘Die aantijgingen over terrorisme zijn propaganda van mensen die moslims en de islam haten. Na 9/11 heeft er iemand baat bij om moslims als de slechterikken voor te stellen.’
Semin vertelt hoe hij tijdens de oorlog zij aan zij heeft gevochten met de mujaheddin, eerst in Travnik, vervolgens in Bocinja. ‘Na de oorlog zijn de meeste buitenlandse strijders naar hun land teruggekeerd, sommigen zijn gebleven. Dat de overheid die mensen nu wil terugsturen, kan ik niet begrijpen. Toen we ze tijdens de oorlog nodig hadden, waren ze goed genoeg maar nu niet meer. Ik schaam me ervoor dat mijn land die mensen zoiets aandoet.’ Met zijn Servische buren heeft Semin naar eigen zeggen een goed contact, er zijn zelfs plannen om samen een gracht aan te leggen.
Semic: ‘Het belangrijkste is dat we in Bosnië met elkaar kunnen opschieten. De wonden van de oorlog zijn nog vers. Generaties die tegen elkaar gevochten hebben, wonen nu langs elkaar. De internationale gemeenschap heeft een grote verantwoordelijkheid. Ik vind dat EUFOR hier zeker aanwezig moet blijven.’ Semic is niet de enige. In een EUFOR-enquête van eind vorig jaar antwoordde slechts 5 procent van de ondervraagden dat ‘EUFOR zijn troepen in 2007 volledig zou moeten terugtrekken uit het land.’

Vakantieparadijs


Georganiseerde misdaad, nationalistische retoriek, terrorisme, het lijkt allemaal moeilijk te vatten als je door het centrum van hoofdstad Sarajevo wandelt. Overal vind je er zonnige terrasjes (met zoete gebakjes en straffe Bosnische koffie), jongeren met hippe zonnebrillen kuieren op hun gemak door de westers aandoende winkelstraten, de Turkse bazaar ademt een en al gezelligheid. Alleen wat grauwe gevels vol kogelgaten en de verhalen van taxichauffeurs over de beruchte Sniper’s ally en de duizend dagen durende belegering van Sarajevo herinneren eraan dat dit land nog met flinke littekens uit de oorlog zit.
‘Aan de oppervlakte is alles kalm en stabiel in Bosnië’, zegt kapitein Alexander Faas van EUFOR. ‘Maar onder de oppervlakte smeulen de vuurtjes.’ Als coördinator van verschillende zogenaamde LOT-huizen houdt Faas de vinger aan de pols van de Bosnische samenleving. De 44 LOTs (Liaison and Observation Teams; verbindings- en observatieteams van telkens een handvol militairen), gevestigd in gewone rijtjeshuizen en verspreid over het hele land, zijn de oren en ogen van EUFOR. Faas: ‘Veel hangt samen met de politieke, economische en sociale situatie. In armere regio’s zijn de mensen makkelijker te beïnvloeden door religieus radicalisme en nationalistische politiek.’
Volgens het Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties (UNDP) maskeert de gezonde economische groei van 5 tot 6 procent in Bosnië de regionale verschillen in het land. In sommige perifere gebieden loopt de werkloosheid op tot 90 procent. Een vijfde van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Misschien is economische welvaart wel dé grootste uitdaging voor Bosnië-Herzegovina vandaag. EUFOR-bevelhebber Witthauer: ‘Bosnië is een ongelooflijk mooi land, met enorme mogelijkheden om zich tot een wonderbaarlijk vakantieparadijs te ontwikkelen. Maar we moeten het land daarbij helpen. We moeten ervoor zorgen dat Bosnië economisch op zijn eigen benen kan staan. Wat we zeker niet mogen doen is midden in Europa een zwart gat laten ontstaan. Terwijl Europa zijn blik in de verte richt –denk maar aan Afghanistan, Somalië, Ethiopië of Soedan– mogen we niet vergeten wat vandaag recht voor onze deur gebeurt.’
Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur