Lost de lijm in Congo?

‘Mozart!’ is het eerste woord dat ik uitroep bij mijn aankomst op N’Djili. Dan bedoel ik niet dat de aftandse luidsprekers op de luchthaven plots een miraculeus tweede leven hebben gekregen en de reizigers vergasten op muziek. Mozart is de ‘protocol’ van de gastfaculteit die me steeds komt opzoeken en me probeert te loodsen door de meanders van de douane.
Toen ik de eerste keer met kisten vol boeken en veel naïviteit, alleen door de douane probeerde te komen, had ik na drie uur verkenning van formaliteiten en fantasistische douanekosten, de boeken gelaten voor wat ze waren. De boeken heb ik dan maar door meer gespecialiseerde ‘protocols’ laten ophalen, die de nodige ‘macarons’ (badges) en contacten hebben. Sindsdien is het altijd Mozart voor en na iedere reis.

Ik had twee dingen geleerd. Eén: dit voorval, in een stad van meer dan vijf miljoen mensen, waar slechts tien procent van de actieve bevolking een (nauwelijks) betaalde job heeft , was slechts één van de vele onorthodoxe manieren van inkomensverdeling. Het geld halen waar het zit, als het ware. Twee: dat de attributen van een reiziger in onze geglobaliseerde wereld, zoals creditcards, notebooks en dergelijke, bijzonder onwerkzaam zijn in dit land, waar banken ontbreken en wetten slechts een alibi zijn geworden voor inkomensverwerving. In zo’n land heb je wel wat anders nodig. Contacten , van hoog tot laag, zonder contacten geraak je hier nergens. Iemand die arm is wordt in het Lingala ’mobola’ genoemd. Dat betekent: iemand die niemand meer heeft om op te steunen. De westerse definitie van armoede wordt bepaald door het inkomensniveau. Volgens de Wereldbank is een arme iemand die minder heeft dan één dollar per hoofd en per dag. Als dat zo is, dan is meer dan vier vijfde van de Congolese bevolking arm. Merkwaardig, het leven in Kinshasa kan dan naar westerse norm armoedig zijn, maar je vindt er relatief weinig bedelaars, het leven is er niet minder bruisend en de mensen zien (en zijn) er niet slechter gevoed, gekleed en geschoold uit dan in vele andere Afrikaanse steden met veel hogere inkomensniveaus. Toegegeven, om aan de kost te komen is het zwoegen en/of foefelen . De meesten zullen zich echter zelf niet als arm bestempelen. Je kunt van alles missen en tekort hebben, maar echt arm ben je als je niemand meer hebt om op te steunen en de kracht niet meer hebt ‘om rechtop‘ te staan. Dit brengt me bij een donkere vlek in het denken over ontwikkeling, bij de paradox die Congo (en in mindere mate sommige andere ‘ontwikkelingslanden’) is en die het ook zo boeiend maakt.

In wat volgt ga ik eerst in op de feiten en op die paradox. Volgens de statistieken is in Congo iedereen op sterven na dood en toch zijn de menselijke ontwikkelingsindicatoren veel minder catastrofaal, hoewel de tol van de oorlog zich laat voelen. In een tweede punt probeer ik vanuit de zeer recente theorie over sociaal kapitaal (de lijm van de samenleving) een belichting te geven van deze catastrofe en het halve mirakel dat Congo is en waar ze de theorie beoefenden al lang voordat we er woorden voor hadden. Tenslotte probeer ik in het licht van de oorlog en de recente ontwikkelingen in de theorie de limieten van het Congolese verhaal te schetsen.

1. VAN HELE CATASTROFES EN HALVE MIRAKELS

De Zaïrees - Congolese saga is bekend. Het ‘geologische schandaal’ was bij de onafhankelijkheid uitgegroeid tot het tweede meest ‘ontwikkelde’ land in zwart Afrika, met een behoorlijke basisinfrastructuur, zowel op het vlak van transport als van gezondheid en opleiding. De manier waarop die vooruitgang uitgebouwd was, bleek niet duurzaam. De articulatie tussen een traditionele Afrikaanse cultuur en de Belgische variant van modernisatie heeft tot een vrij unieke combinatie geleid die niet direct een voorbeeld te noemen is van modelontwikkeling. Een land waar geen noemenswaardige transportinfrastructuur meer is en voornamelijk het luchtvervoer de afgelopen tien jaar is toegenomen met vijfhonderd procent, zit geconfronteerd met de paradox dat bijvoorbeeld eieren, kippen met of zonder dioxine, en maïs goedkoper ingevoerd worden vanuit Europa en Zuid-Afrika dan van een paar honderd kilometer verder in het binnenland.

Maar niet alleen transport is problematisch. In welk land ter wereld functioneren vrijwel geen banken meer in de hoofdstad? De laatste enquêtes over het inkomen van de mensen in Kinshasa geven weer dat mensen gemiddeld moeten rondkomen met minder dan tien BEF per dag. Een onwaarschijnlijk laag bedrag. Wat ook de waarde is van sommige gegevens, de populaire gezegdes zoals ‘A l’indépendance on mangeait trois fois par jour, pendant la deuxième République deux fois, à la libération encore une fois, où va s’arrêter le progrès? ‘ mogen dan al een boutade zijn, ze weerspiegelen een onderliggende werkelijkheid.
De hele materiële basis waarop menselijke ontwikkeling stoelt, is in mekaar geschrompeld.

Tabel 1: Enkele economische indicatoren



Eenheid
1980
1999

Bevolking
Miljoenen inw.
27
50

Binnenlands Product
Miljoen US$
14922
5200

Binnenlands Product
In % van 1980
100
35

Inkomen per hoofd
In $ per inw.
500
104

Export
In mio$
2507
1050

Import
In mio $
1117
540

Koperproductie
In 1000 ton
468 (in jaar 1988)
35

Cement
In 1000 ton
485(in jaar 1988)
149

Diamant
In 1000 karaat
18163 (in jaar 1988)
26084




Bron: World Bank, World Development Indicators en Lukusa, CEDAF, 1999

De conclusie uit deze tabel is eenduidig: economisch een volledige catastrofe. Het reële inkomen van een Congolees zou nog een vijfde zijn van wat het twintig jaar geleden was. Dat wordt bevestigd door de cijfers van de cementconsumptie, die een indicator zijn voor alles wat met behuizing te maken heeft. Daaruit blijkt een gelijkaardig beeld.

De relaties met het buitenland vertonen dezelfde trend, maar verbergen ook iets. Export en import zijn in reële termen gehalveerd, maar de export van goederen en diensten blijft altijd groter dan de import. Dit zou er dus moeten op wijzen dat er voldoende dollars zijn en dat ofwel de wisselkoers steeds verbetert ofwel de internationale reserves van het land toenemen. We weten dat het omgekeerde waar is. De oplossing van dit raadsel is iets wat iedereen weet, namelijk dat ‘binnenlandse economische agenten’ met hun geld het land uitvluchten . Niet de verfoeide terugbetaling van de buitenlandse schulden is de oorzaak van deze aderlating, want er is sedert het midden van de jaren tachtig zo goed als niets meer terugbetaald, tot grote ergernis van het IMF.

Dat dit slechts het topje is van de ijsberg, is makkelijk te illustreren met de gegevens over diamant, de enige sector die volgens onze tabel een opwaartse trend vertoont. De waarde van de officiële verkoop bedraagt zo’n 400 miljoen dollar , bijna de helft van alle export. In een ander artikel hebben we aan de hand van importstatistieken in België aangetoond dat dit niet 400 miljoen, maar het driedubbele (1200 miljoen dollar) bedraagt. Het gaat dan vooral over diamant die vanuit Brazzaville ‘geëxporteerd’ wordt. De verschuiving naar vooral Kigali, Kampala en Harare zal pas binnen enkele jaren becijferd kunnen worden maar is één van de mechanismen van de financiering van de oorlog voor alle oorlogvoerende partijen. Diamant, zoals ook in Angola is gebleken, is een vergiftigd geschenk. Hoe minder stabiliteit, hoe beter frauduleuze export en nationale diefstal verhuld zijn. Eén van de redenen waarom er zo weinig enthousiasme aan de dag gelegd wordt om de vrede dichterbij te brengen.

Conclusie van het economische front: de formele economie is ineengestort en alleen de diamantsector doet het goed, maar die opbrengst verdwijnt dan in de zakken van de oorlogvoerende partijen langs beide kanten.

Economisch mogen we dus van een volledige catastrofe spreken. Toch is er een blinde vlek die ons zicht op de Congolese werkelijkheid verduistert. Het gaat over de informalisering van de samenleving die tegelijk een volkse anticrisisstrategie is én oorzaak van die crisis. Onze schattingenwijzen erop dat de mensen via allerlei informele activiteiten, gaande van hard zwoegen om vrachten te sjouwen –louter menselijke energie dus - tot frauduleuze export van diamant, erin geslaagd zijn beter te overleven dan de statistieken weergeven. Het leven in Kinshasa is voor de meerderheid van de bevolking niet noemswaardig slechter dan in Lagos of Nairobi, waar de mensen wel een hoger inkomen genieten, maar waar criminaliteit en geweld zeker hoger zijn. Deze boude bewering kan gestaafd worden door de hiernavolgende gegevens.

Tabel 2: Enkele indicatoren van menselijke ontwikkeling in Congo (RDC), Sub-Sahara Afrika (zwart Afrika) en overige minst ontwikkelde landen.



Congo (RDC) SSA Minst ontwikkelde landen
Inkomen per hoofd in $ 104 540 240
Alfabetiseringsgraad volwassenen 74% 51% 46%
Gemiddelde levensduur 52 51 50
Kindersterfte 93 101 112




Bronnen: UNDP Human Development Report 199!, uitgenomen inkomen. Congo BNC Bulletin Mensuel 1/99. UNICEF State of the world’s children 1998

Deze cijfers zijn een illustratie van het halve mirakel. Ondanks de catastrofe van de formele economie zijn sommige menselijke indicatoren bijzonder resistent gebleken tegen achteruitgang. De Congolezen leven niet alleen gemiddeld even lang maar ook de kindersterfte is er niet hoger en de mensen zijn beter geschoold. Zo zijn bijvoorbeeld op de Gambela-markt meer dan de helft van de jongeren die er een verkooppunt hebben mensen met een diploma secundair onderwijs .

2. SOCIAAL KAPITAAL ALS UITLEG

In de theorie over ontwikkeling heeft het tweedimensionale denken in termen van de steeds toenemende kloof tussen arme en rijke landen met massale verklaring in termen van systemen als socialisme versus kapitalisme, plaats gemaakt voor een meer genuanceerd denken over de verschillen tussen en binnen landen. Vele factoren hebben daartoe bijgedragen. De kritiek van de antropologen op ééndimensionale economische verklaringen en het veronachtzamen van cultuur als verklaringsgrond is er één van. Vruchtbaarder, omdat de verklaring van verschillen in termen van menselijke ontwikkeling wordt gezocht, waarbij allerlei dimensies van politieke vrijheden tot verbetering van levensstandaard een rol spelen, is de theorie van het sociaal kapitaal. Dit huwelijk van verschillende menswetenschappen gaat terug op een aloude vraag van de politieke filosofie. Wat maakt de cohesie van een samenleving uit? Waarom zijn sommige samenlevingen verscheurd door verdeeldheid en geweld en andere gekenmerkt door cohesie en vooruitgang? Het is de verdienste van de politicoloog uit Harvard, Robert Putnam deze oude vraag te recycleren en er hedendaagse antwoorden op te formuleren. Met zijn studie over de verschillen in de economische en politieke resultaten tussen deelstaten in Italië, heeft hij in 1993 de nieuwe theorieën die broeiden in economische en sociale wetenschappen brede bekendheid gegeven.

Het is hier niet de plaats om uitgebreid in te gaan op de vrij stormachtige ontwikkeling die het begrip op enkele jaren tijd doormaakt.We pogen in een notendop die punten aan te geven die nodig zijn voor ons onderwerp. De anderen zijn te vinden op de voortreffelijke website van de Wereldbank over dit onderwerp.

Het strijdpunt in de menswetenschap is niet meer of we meer (minder) markt en minder (meer) staat nodig hebben. Er is na het debacle van staatsgeleide economieën een vrij grote consensus dat de productie van privé-goederen het best aan marktmechanismen overgelaten kan worden. De concurrentie als motor van dit marktkapitalisme zorgt voor constante verbeteringen in kwaliteit en productiviteit . Voor publieke goederen, een aanvaardbare verdeling van de welvaart, en bestrijding van negatieve externe factoren, is de markt ongeschikt en hebben we de (actieve welvaart)staat nodig. Maar er zijn tal van problemen die niet door concurrentie (de markt) noch door (wettelijke) dwang opgelost worden.

Er is een heel domein in de samenleving waar niet concurrentie maar samenwerking tussen mensen onderling, tussen allerlei sociale groepen en overheden, nodig is. Dat is vooral het geval wanneer men te doen heeft met problemen van collectieve actie. Het best bekende is het gevangenendilemma. Het heeft een groot aantal mogelijke toepassingen. Het luidt als volgt: wanneer twee gevangenen in concurrentie worden gebracht, waarbij de ene vrijkomt als hij de andere aanduidt als de schuldige, is het waarschijnlijke resultaat van individueel streven naar eigenbelang,dat beiden de andere beschuldigen in de hoop zelf vrij te komen en dat ze daardoor net allebei een maximale straf moeten uitzitten. Indien ze integendeel samenwerken en elkaar vertrouwen, verklikken ze elkaar niet en kan de schuld niet worden bewezen. Het resultaat van samenwerking zal beter zijn dan concurrentie. Dit veeleer theoretische voorbeeld kent tal van toepassingsgebieden. In ontwikkelingswetenschappen was het eerst bekend onder de naam van de ‘tragedy of the commons’. Het nastreven van eigenbelang zonder rekening te houden met de belangen van anderen of toekomende generaties leidt tot overbevissing, desertificatie, ontbossing, erosie, het vastlopen van het verkeer, vuile steden, enzovoort. Dat is zo omdat de individuele baten om iets te doen (vis vangen met fijnmazige netten of dynamiet, hout kappen, autorijden, etc) veel groter zijn dan de kosten die je zelf oploopt .Die kosten worden gespreid over vele anderen .Het individu handelt wel rationeel maar de som van alle eigen nut zoekende individu’s is in die domeinen voor de samenleving nefast.

Er zijn twee manieren om die dilemma’s van collectieve actie op te lossen. Eerst en vooral kunnen wetten en verordeningen mensen dwingen om rekening te houden met de negatieve gevolgen op omgeving en de komende generaties. Dit veronderstelt dan wel dat de overheid zelf zijn rol als garant van het publieke goed speelt. Dan rijst de vraag: is de overheid zelf te vertrouwen, gaat ze de macht niet gebruiken voor eigen gewin en voordelen? Daarenboven rijst het probleem dat in zwakke staten met lage inkomsten en waar de ambtenarenlonen te laag zijn, het beheer bijgevolg zwak is en de corruptie hoog. Collectieve actie, het respect voor de publieke zaak zal dan veeleer degenereren , en de staatsmacht een middel worden voor privé verrijking. Een minimum aan goed beheer is bijgevolg cruciaal .

Er is een andere, aanvullende, manier. De cohesie (de lijm) van de samenleving zal des te groter zijn om die problemen op te lossen naarmate mensen de gewoonte hebben om samen te werken in allerlei netwerken gaande van familiale en etnische banden tot kerken, tontines, NGO’s allerlei, voetbalverenigingen, buurtvergaderingen, zangkoren, beroepsgroeperingen, vrouwen - en werknemersorganisaties. Hoe meer mensen leren samenwerken, hoe meer vertrouwen er groeit en hoe makkelijker men zich betrokken voelt. Dat vertrouwen noemt men sociaal kapitaal.

Het is kapitaal omdat samenwerking betere informatie en betrokkenheid meebrengt en men daardoor meer rekening zal houden met belangen van anderen. In tegenstelling tot fysieke kapitaalgoederen neemt sociaal kapitaal toe met gebruik. Hoe meer vertrouwen hoe groter de ervaring dat samenwerking loont. Het is ook een sociaal en publiek goed omdat je het niet kunt creëren in een bepaalde intentionele hoeveelheid. De hoofdstelling van sociaal kapitaal is dat de densiteit en de kwaliteit van de sociale netwerken de stock aan vertrouwen en de samenwerking doet toenemen. Het resultaat is dat burgerzin toeneemt, problemen van collectieve actie beter aangepakt worden maar dat ook de levensstandaard en het democratische gehalte van de samenleving groter worden. De theoretische discussie is nu dat alle samenlevingen samen worden gehouden door sociale netwerken maar dat de kwaliteit van die netwerken cruciaal is voor het democratische gehalte en de welvaart van de samenleving. Er kunnen zeer nauwe banden tussen mensen ontstaan op basis van familie, herkomst of clan, maar ook in bepaalde broedergenootschappen, sektes, politieke groeperingen. De samenwerking tussen de leden kan die mensen helpen in hun sociale en persoonlijke ontplooiing, maar hoe exclusiever en hoe verticaler (patroon - cliënt verhoudingen, bijvoorbeeld) die banden zijn, hoe lager het democratische gehalte. Netwerken en groeperingen die meer gebaseerd zijn op gelijkheid , minder exclusief zijn, zouden het democratische gehalte en de welvaart daarentegen verhogen. Met andere woorden: er zijn verschillende vormen van sociaal kapitaal. Sommige sociale banden zullen persoonlijk zijn en nodig voor de ontplooiing van het individu, maar als persoonlijke contacten en relaties zwaarder doorwegen dan publieke en meer abstracte waarden, zoals beloning en bevordering op basis van verdienste, dan blokkeert een samenleving op het vlak van goed beheer van de publieke zaak, de onderneming, de partij, en dergelijke. Sociaal kapitaal dat de kleine groep overstijgt, anderen niet uitsluit op basis van ras of afkomst, beloont op basis van verdienste, zal het democratische gehalte verhogen en de dilemma’s van collectieve actie beter aankunnen.

In een recent artikel rangschikt Deepa Narayande landen op basis van twee criteria: goed of slecht beheer van de publieke zaak en de vorm van sociaal kapitaal (exclusieve groepsvorming versus groepsoverschrijdende sociale banden). Ik neem zijn schema over en pas het toe in figuur 1 op Congo en Rwanda. Op de X-as staan de vormen van sociale groepen. Primaire sociale groepen gebaseerd op familie, clan en persoonlijke nauwe banden geven de mogelijkheid aan de mensen om hun situatie te verbeteren. Maar ze versterken de sociale stratificatie, hinderen promotie en mobiliteit van uitgesloten minderheden of armen en leggen de basis voor corruptie en voor het inpikken van de macht door de dominante sociale groepen. Groepsoverschrijdende en veelvuldige banden gebaseerd op gelijkwaardigheid, normen van reciprociteit en promotie op basis van verdienste, helpen de mensen. Dat creëert een omgeving en een sociale cohesie over de persoonlijke banden heen, waar informatie en economische kansen burgerzin en welvaart kunnen bevorderen.

Of dit laatste ook op hogere niveaus van de samenleving de performantie en de mentaliteit van goed beheer kan bevorderen is niet zeker. Dat hangt af van de mix van sociale verhoudingen in de verschillende lagen van de samenleving. Groepsoverschrijdende banden op lokaal vlak (bijvoorbeeld samenwerking in buurten, over etnieën en verschillende religies heen) garanderen geen goed beheer op het vlak van de staat omdat het kan dat daar de machtsstructuur gedomineerd wordt door kleine groepen. Opdat een welvarende en democratische samenleving wortel zou schieten, zijn essentieel: een goed beheer van de overheid, die moet instaan voor de publieke goederen, een rechtsstaat en fundamentele vrijheden. Daarvoor is een mentaliteit nodig die mensen uitkiest op basis van competentie en bevordert op basis van verdienste. Daarenboven moet de staat ter verantwoording kunnen worden geroepen, daarvoor is transparantie en het ter discussie stellen van de macht essentieel. Het andere uiterste van de overheid op de Y-as in onze figuur 1 is er één waar de rechtsstaat onbestaande is, de politieke vrijheden met voeten getreden, mensen aangesteld worden op grond van cliëntelisme en de staat misbruikt voor privé-doeleinden, wat leidt tot verlammende vormen van corruptie. In de werkelijkheid zit je met mengvormen. De schandalen in bijna alle westerse democratieën wijzen op vormen van vriendjespolitiek en favoritisme, maar de graad van cliëntelisme is onvergelijkbaar met het niveau dat in Congo/Zaïre is bereikt. Daar is de hele formele economie ineengestuikt en heeft de economische achteruitgang indrukwekkende vormen aangenomen. Gelukkig was die vorm van slecht beheer gecombineerd met een enorme waaier aan grensoverschrijdende sociale banden. In een stad als Kinshasa leven honderden verschillende etnische groepen samen en bestaan er duizenden groepen die ruimer zijn dan de primaire sociale groep. Die ‘brassage’ is de lijm voor een Congolese identiteit, ondanks de enorme verscheidenheid en ondanks een corrupte overheid. Deze combinatie leidt tot een substitutie van de staat door de informalisering van de samenleving. Zaïre is wellicht een schoolvoorbeeld van het kwadrant IV in onze figuur. In het eerste kwadrant zijn landen te vinden die een grote densiteit van grensoverschrijdende netwerken vertonen en gekenmerkt zijn door goed beheer. Die complementariteit leidt tot welvaart en een meer civiele samenleving. Zo zal België weliswaar in die eerste categorie thuishoren maar met zijn 65ministers, kabinetten en administraties lager scoren dan onze noorderburen met 11 ministeries.

In het tweede kwadrant heeft men te maken met goed beheer maar macht die stoelt op ras, sociale groep, dwang en onderdrukking van andere groepen. Deze toestand van latent conflict is kenmerkend voor alle koloniale staten, maar ook voor andere. Zo had de Belgische kolonisatie Congo uitgebouwd tot de tweede industriële staat van zwart Afrika, maar de manier waarop is niet duurzaam gebleken toen de dwang wegviel en de modernisering op zijn Belgisch niet gëinterioriseerd bleek. Het regime van Habyarimana en dus van Rwanda voor 1990 zou ik ook in dit kwadrant plaatsen met de opbouw van een performante staat en een gestage verbetering van de levensstandaard van de meesten. De uitsluiting van een minderheid heeft geleid tot een latent conflict dat onderschat. Het heeft uiteindelijk geleid heeft tot burgeroorlog, de genocide, het minderheidsregime van Kagame en de eerste internationale Afrikaanse oorlog.

De vraag is nu of dit conflict ook in Congo gaat overslaan tot algemeen geweld. Tot op heden leidde het hoog niveau van tolerantie en groepsoverschrijdende banden tot een laag niveau van geweld. Ondanks bepaalde periodes van uitsluiting en geweld (Zaïrisering, plunderingen in 91 en 93, de uitdrijving van Kasaïens uit Katanga) bleven structurele criminaliteit en geweld uit. Aan de hand van de heel recente ontwikkeling wil ik voorliggende vraag benaderen.

3. OVER OORLOG, VREDE EN SOCIALE COHESIE IN DE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO

De onderliggende individuele, regionale en internationale economische belangen vormen één van de belangrijkste redenen waarom de strijdende partijen met veel lippendienst de akkoorden van Lusaka onderschrijven, maar in werkelijkheid belang hebben bij een aanslepend conflict. We zijn een half jaar na het sluiten van de akkoorden en ogenschijnlijk geen stap dichter bij de vrede of toch? Eerst iets over de evolutie van de belangen en kosten voor de strijdende partijen in het afgelopen jaar, en dan een zeer voorzichtige prognose.

Laten we beginnen met de verschuivingen in het kamp van president Kabila. De drie punten waarmee de president had gescoord en althans in Kinshasa een zekere aanhang geniet, waren : eerst en vooral, het herstel van de monetaire stabiliteit met de succesvolle lancering van de Franc Congolais en dus een jaar van geringe prijsstijgingen. Het tweede punt was een zekere terugkeer naar discipline en minder ‘tracasseries’ door politie en allerlei ‘zich zelf financierende’ overheidsdiensten. Tenslotte had hij de Rwandezen naar huis gestuurd en vrienden (Zimbabwe, Angola, Namibië , Tsjaad?, Libië) kunnen mobiliseren om het gehate regime van Kigali terug te dringen. Op alle drie de fronten is het succes min of meer aan het tanen.

De beslissingen van januari 1999 om de mensen te verbieden nog vreemde munten (dollars) aan te kopen, de ‘cambistes’ op te sluiten en dus de informele geldwisselaars uit te sluiten waren enkele maatregelen waardoor de overheid tegen een officiële lage wisselkoers (4,5 FC voor één dollar in plaats van 30 FC voor een dollar op de zwarte markt) zich goedkoop dollars zou kunnen toe-eigenen. Dat werd gecombineerd met een verplichting om diamant te verkopen aan erkende Congolese comptoirs die de diamant dan zouden aankopen tegen een koers van 4,5 FC voor een dollar. Het gevolg, dat zowel professor Thiunza als ikzelf toen voorspelden, is dat deze maatregelen een averechts effect gingen hebben. De bedoeling van Kabila en zijn dubieuze economische raadgevers was een middel om de schaarse dollars tegen een goedkope koers aan te slaan om hun oorlog en andere uitgaven te financieren. Met naar schatting 400.000 soldaten onder de wapens (anonieme bron), moet je zelfs om de soldij van 100 dollar per maand uit te betalen (weliswaar tegen de officiële koers van 4,5FC) toch aardig wat uitgeven.

Het gevolg van deze maatregelen was catastrofaal. Wie wil nog een diamant verkopen tegen die officiële koers? In 1999 is de totale export en zijn dus de deviezeninkomsten gehalveerd en is het overheidstekort van 20% naar 50% gestegen (Bron: Direction du Trésor). We maken de terugkeer mee naar een inflatie van circa 500% in 1999 (Ekonomika, Kinshasa, 28 januari 2000). Als gevolg van dit debacle rest de regering Kabila nog paniekvoetbal.

Verplichte ophaling van voedsel in de haven, opeisen van kerosine die dan door de militairen in de cité wordt verkocht en bovenal - en dat is het ergste - het plaatselijk drukken van geld. Het ‘hôtel des monnaies’ drukt nu in Kinshasa coupures van 5, van 10 en van 20 FC. Die vindt men onder andere terug in de bezette/bevrijde gebieden waar men met dat geld bijvoorbeeld in Kisangani de dollar koopt niet tegen 30 FC, zoals op de zwarte markt in Kinshasa, maar tegen 12FC. Schatrijk op enkele dagen! Er zijn natuurlijk enkele ‘Libanais’ in de gevangenis gestoken voor frauduleuze praktijken, maar men moet mij eens uitleggen hoe zij aan dat geld geraken, dat onder staatsgezag gedrukt wordt. Met andere woorden: de oorlog is goed voor enkelen en slecht voor de meesten.

Erger nog, in de komende maanden worden bestellingen verwacht van coupures van 50 en van 100 FC en dan zijn we weer op weg naar een hyperinflatie. Zoals op het einde van het Mobuturegime is het ongebreideld gebruik van de geldpers de laatste mogelijkheid van de staat om op de kap van de bevolking nog wat inkomsten te genereren als al het andere gefaald heeft. Er kondigt zich inderdaad weer een hyperinflatie aan en het leven in Kinshasa wordt steeds moeilijker. Het is weer zichtbaar aan de langere rijen wachtenden voor het transport en aan de prijzen van het voedsel en vooral aan het feit dat de kastegoeden van de mensen, die niet kunnen vluchten in vaste waarden, iedere dag ontwaarden. Deze ‘inflatietaks’ is de meest onrechtvaardige sociale politiek die bestaat.

Een maatstaf voor de steeds meer uitzichtloze situatie, is de toename van de sekten. Vrij fenomenaal . De katholieke kerk ziet het aantal gelovigen afkalven van 65 tot 35 % ten voordele van de sekten die veel meer inspelen op de manipulatie van traditionele waarden en geloof.

Een tweede verbetering waarmee de president in Kinshasa krediet mee had verworven, was dat de mensen niet voortdurend op hun hoede moesten zijn voor ‘taxatie’ allerlei door politie en militairen en dat de corruptie enigszins teruggeschroefd was. Hoewel je de toestand niet mag vergelijken met het peil van voor de bevrijding keren we langzaam naar de ‘normale‘ situatie terug. Vrijdag 4 februari 2000 raakte bekend dat Kabila zijn ministers naar huis stuurde wegens corruptie. Vooral des ‘femmes haut placées ‘ zouden voor de regeringsleden belangrijke ‘commissies’ hebben ontvangen. Zoals een hogere militair me toevertrouwde: ’ Tout le monde bouffe et quand on est grand on a besoin de bouffer beaucoup’. Het is vooral het leger dat met het alibi van de oorlog iedere economische logica onderuit haalt, waardoor de normale tijden van onder Mobutu terug zijn van weggeweest. Slechts één van de vele staaltjes: de militairen verklaren aan de Nationale Bank dat er ‘urgence militaire’ is en uitbetalingen moeten gebeuren aan de soldaten. Dus er is lokaal geld nodig. De eerste keer gebeurde de aanvraag nog per brief, met bijlagen. Daarin werden alle provincies opgesomd. Men had vergeten de bataljons te schrappen die in de bezette/bevrijde gebieden waren. Na die vergissing wordt nu enkel een enveloppe geëist van de Nationale Bank. Verder maken de militairen zich verdienstelijk met benzinesmokkel naar de overkant van de rivier, naar Congo-Brazzaville dus, waar de prijs drie keer hoger is. Maar ook de kleine man probeert zijn graantje mee te pikken. Zo staan er voor de benzinestations auto’s die tot daar worden geduwd. Geen benzine, denk je dan. De man tankt met een kleine personenwagen 200 liter en bij gebrek aan motor duwt hij hem vervolgens met enkele vrienden het tankstation uit. Iedereen moet leven in Kinshasa, naar godsvrucht en vermogen.

Derde verdienste van het Kabilaregime was de relatieve veiligheid in de hoofdstad en een zeker gevoel van nationale waardigheid. Vooral de ongelukkige maatregelen van de laatste maanden met bijvoorbeeld de ‘boutiques-témoins’, waar tegen gegarandeerde prijzen voedsel verkrijgbaar zou zijn, zijn contraproductief. Nu gaan de belastingen en de politie niet enkel de grote bedrijven vragen om ‘bij te dragen‘ tot de nationale heropbouw, maar nu worden zelf de voedselvoorraden van kleinere handelaars gedwongen bij te dragen om dit soort staatswinkels te bevoorraden. Dat ze in het ‘normale ‘circuit eindigen is weer een van die vele wegen van de voorzienigheid die weinig worden gewaardeerd door de bevolking. Ook op dit gebied is het binnenlands krediet van Kabila klein. Enkel de al dan niet bevestigde geruchten over de doorbraak naar Kisangani doen weer even de hoop opleven dat hij militair de zaak alsnog kan winnen. Als dat dan uiteindelijk niet kan, dan zullen de vijanden van gisteren toch maar weer aan tafel gaan zitten. In de Democratische Republiek Congo, zoals destijds in Zaïre, zijn de allianties van gisteren de vijanden van morgen en vice versa.

Dit laatste ,de oneindige elasticiteit van de Congolezen, is misschien wel het belangrijkste element van hoop dat er nog iets komt van de vredesakkoorden in Lusaka. Andere factoren kunnen ook in die richting wijzen. Zo is er onder meer de oorlogsmoedheid van Uganda en de stijgende kritiek in Zimbabwe. Welke factoren uiteindelijk de balans zullen doen doorwegen naar vrede of naar verdere oorlog, is onduidelijk. Maar beide scenario’s blijven open.

Stefaan Marysse is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen, Ufsia.
Kinshasa, 5 februari 2000

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift