Madeleine Albright en Desmond Tutu over religie en politiek

Politici en politieke bewegingen zijn ervan overtuigd dat ze een religieuze roeping hebben. En grote groepen gelovigen putten hun politieke standpunten uit hun godsdienstige overtuiging. MO* sprak over de terugkeer van God op de politieke scène met Madeleine Albright en Desmond Tutu.

Image via northeastindia.com

 

Steeds meer politici en politieke bewegingen zijn ervan overtuigd dat ze een religieuze roeping hebben. En grote groepen gelovigen putten hun politieke standpunten opnieuw uit hun godsdienstige overtuiging. MO* sprak over de verrassende en verontrustende terugkeer van God op de politieke scène met twee heel verschillende kenners: Madeleine Albright en Desmond Tutu.

1. De Macht

De wereld van de macht houdt van een decor dat status bevestigt en weelde uitstraalt. Hoge plafonds, wandtapijten, kristallen luchters en professionele kelners die in vijf talen gedienstig kunnen zijn, dat zijn de dingen die het besturen van de wereld een beetje aangenamer kunnen maken. Zelfs Nobelprijswinnaar en Anglicaans aartsbisschop Desmond Tutu, icoon van de strijd tegen apartheid, wordt tijdens het bezoek van de dalai lama aan Brussel in zo’n omgeving gelogeerd door de International Campaign for Tibet, waarvan hij de Light of Truth Award kreeg. Tutu wandelt tussen de brokaten weelde van het Conrad Hotel aan de Louizalaan alsof hij door de steegjes van Soweto loopt. Macht en rijkdom intimideren hem niet.

Tutu: ‘God, zijn wij echt je kinderen of zijn wij je stiefkinderen?’

Toch is hij allesbehalve onkwetsbaar. ‘Ik kom nu van Senegal’, zegt hij. ‘Daar zijn ook wel grote huizen maar je ziet er toch vooral armoede. En dan arriveer ik hier, in Brussel, in dit poepchique hotel, en dan vraag ik: God, zijn wij echt je kinderen of zijn wij je stiefkinderen? Waarom moeten wij in Afrika, wij in Latijns-Amerika, wij in Azië zoveel miserie en lijden verdragen?’

Madeleine Albright geeft geen blijk van enige moeite met de luxe van het Amstel Hotel in Amsterdam. Zij vraagt ook niet aan God waarom Hij lijden en onrecht toestaat. ‘Ik ben geen theoloog en ik ben geen religieuze mystica geworden. Ik ben en blijf iemand die praktische oplossingen zoekt voor reële problemen. Als ik dus pleit voor het erkennen van het belang van religie in politieke conflicten, dan is dat uit praktische overwegingen.’

2. De Almachtige

1979 is het jaar dat God zijn rentree maakte op de internationale politieke scène. Op 16 januari 1979 vluchtte sjah Mohammed Reza Pahlavi uit Iran, waardoor de weg vrij gemaakt werd voor de islamitische republiek onder ayatollah Khomeiny. Op 25 december 1979 rolden Sovjettanks Afghanistan binnen, een actie die in toenemende mate resulteerde in religieus geïnspireerd verzet en uiteindelijk gestalte gaf aan de internationalistische jihadi-bewegingen die we vandaag nog kennen. Maar de echte doorbraak van de nieuwe religieuze politiek gebeurde niet in West-Azië, zegt Madeleine Albright, maar in Europa.

De echte doorbraak van de nieuwe religieuze politiek gebeurde niet in West-Azië, zegt Madeleine Albright, maar in Europa.

‘In juni 1979 bracht Johannes-Paulus II zijn eerste bezoek aan Polen. Dàt was het moment dat voor ons duidelijk werd hoe groot de impact van geloof kon zijn op geopolitiek. Je mag niet vergeten dat alles in die tijd gelezen werd binnen het verklaringskader van de Koude Oorlog, de strijd van het Vrije Westen tegen het Goddeloze Communisme.’

Albright was op dat moment verbonden aan de regering Carter, als adviseur voor minister van Buitenlandse Zaken Zbigniew Brzezinsky. ‘Ondanks al deze gebeurtenissen was religie voor mij en voor de meeste mensen waarmee ik samenwerkte een betrekkelijk vage zaak, zeker geen prioriteit. Naarmate ik verder evolueerde van politiek theoreticus naar practicus, groeide de overtuiging dat de meeste conflicten in de wereld al meer dan ingewikkeld genoeg zijn zonder dat we er religie bij betrekken. In de wereld van de praktische politiek waren we gewoon niet geneigd rekening te houden met de religieuze motieven, symbolen of strevingen van mensen en gemeenschappen.’ Dat vindt Albright nu een fout. Als gehaaide realpolitica heeft ze een lijstje voorstellen klaar om in de toekomst juister om te gaan met religies in politieke conflicten.

‘Diplomaten moeten niet alleen getraind worden in de taal en geschiedenis van het land waar ze gestationeerd worden, maar ook in de religieuze overtuigingen van de mensen waarmee ze moeten werken. Ministers van Buitenlandse Zaken hebben ook nood aan religieuze adviseurs. Toen ik het Anti Ballistic Missiles Treaty moest onderhandelen, begreep ik de grote lijnen van wat er op tafel lag, maar als ik concrete informatie nodig had over bereik, doelwitten of geografische aspecten kon ik een beroep doen op experts die me voor de onderhandelingen brieften en die achter mij zaten tijdens de gesprekken.’

‘Als het over handelsovereenkomsten ging, kon ik terugvallen op experts die alles wisten over intellectuele eigendomsrechten. Maar in gesprekken waarin religie een rol speelt, is er niemand om de minister informatie en advies te geven. Ten slotte ben ik er van overtuigd dat religieuze leiders een instrument kunnen zijn om conflicten op te lossen. Zij kunnen de echte achtergrond van het conflict aangeven, ze kunnen als experts fungeren tijdens het onderhandelingsproces én ze kunnen daarna hun autoriteit verlenen aan de gemaakte afspraken en gekozen oplossingen.’

Albright: ‘Elk van de Heilige Boeken heeft passages die je bloed doen koken, maar ze hebben ook heel gelijkende passages waarin ze pleiten voor vrede en verdraagzaamheid.’

Het laatste voorstel -de religieuze autoriteit instrumentaliseren voor het vinden van leefbare compromissen- kan erg idealistisch lijken in een wereld waarin religieuze leiders die verdraagzaamheid en geweldloosheid prediken vaak minder impact lijken te hebben dan hun collega’s die haat en verdeeldheid zaaien. Albright: ‘Elk van de Heilige Boeken heeft passages die je bloed doen koken, maar ze hebben ook heel gelijkende passages waarin ze pleiten voor vrede en verdraagzaamheid. Maar je hebt gelijk, die mooie stukken halen het vaak niet van de haatpassages. Mijn pleidooi voor het inschakelen van geestelijke leiders in de zoektocht naar vrede en verdraagzaamheid is dus inderdaad idealistisch, maar we kunnen toch ook niet zomaar aan de kant blijven zitten en vaststellen dat het allemaal naar de haaien gaat.’

3. De machtelozen

De wereld gaat helemaal niet naar de haaien, zegt Desmond Tutu. ‘Uiteindelijk overwinnen het recht en het goede. Als mensen kniediep in de ellende zitten, vragen ze zich altijd af of er nog wel ooit licht zal schijnen aan het einde van de tunnel. Maar het antwoord is duidelijk: het nazisme werd verslagen, de apartheid verdween van de aardbodem, de militaire dictaturen in Latijns-Amerika en Zuid-Europa bestaan niet meer, het kolonialisme is geschiedenis.’ Op de professioneel-cynische opmerking dat die opsomming vooral aantoont dat het kwaad altijd opnieuw opduikt, in steeds nieuwe vormen, schatert de prelaat het uit:

Tutu: ‘Het gaat om een overwinning van goed op kwaad en die overwinning heeft al plaatsgevonden. Alleen moet zij in de geschiedenis nog gerealiseerd worden.

‘Nee, nee, nee, mijn vriend. Het probleem ligt niet in een onoverwinnelijke kwade kracht, maar in het feit dat mensen vrije, morele actoren zijn. Daardoor riskeer je dat er telkens opnieuw kwaad gepleegd wordt, maar voor christenen is die vaststelling niet het laatste woord. Voor ons geldt dat het eindresultaat vaststaat: het gaat om een overwinning van goed op kwaad en die overwinning heeft al plaatsgevonden. Alleen moet zij in de geschiedenis nog gerealiseerd worden. Religie kan daarin een belangrijke drijvende kracht zijn als ze duidelijk maakt dat mensen onderling verbonden zijn en elkaar toebehoren.’

Tutu is de zoon van een dorpsleraar uit Klerksdorp. Hij ontpopte zich in de jaren zeventig en tachtig als de purperen beschermengel van de tegenstanders van de Zuid-Afrikaanse apartheid. Na 1994, in de vrije regenboognatie, belichaamde hij de heroïsche poging om waarheid en verzoening te realiseren als voorwaarden voor democratie en vooruitgang. Voor hem is religie een vanzelfsprekendheid én een evidente politieke kracht -al pleit hij zeker niet voor religieuze politiek of een religieuze staat. Hij denkt ook niet vanuit de macht, maar vanuit de machtelozen.

‘Het enorme verschil tussen arm en rijk is een recept voor mondiale instabiliteit. We kunnen de Oorlog tegen het zogenaamde Terrorisme niet winnen zolang er in de wereld mensen in wanhopige omstandigheden moeten leven. Aan de ene kant heb je mensen die niet weten wat ze met hun geld moeten aanvangen, aan de andere kant zijn er mensen die hun kinderen met honger in bed moeten stoppen. Het is in die situatie een héél onnatuurlijke vader die zegt: dat is geen probleem, ik aanvaard dat mijn kinderen honger lijden.’

Met de geopolitieke realiteit waarin de kracht van religie vooral gekanaliseerd wordt voor wederzijdse uitsluiting en geweld, maakt zijn exuberante overtuiging plaats voor sobere filosofie: ‘Religie is moreel neutraal, ze functioneert als een mes waarmee je brood kan snijden -dat is goed- of dat je in iemands buik kan steken -dat is slecht. Niet de religie is verantwoordelijk, maar de mensen die de religie gebruiken.’

Tutu: ‘Niet de religie is verantwoordelijk, maar de mensen die de religie gebruiken.’

Toch denkt Tutu dat religie wel degelijk in staat is om de weg naar vrede en verzoening te wijzen. ‘Bijna alle religies hebben als kernboodschap dat de mens geschapen is met een gave die hem als god kan maken maar die hem ook tot demon kan maken: de gave van de vrijheid. Zonder die vrijheid zouden we misschien als robots leven in een paradijs, maar dat is niet het geval. We leven als personen die in staat zijn zin te creëren, personen die de vrijheid hebben te kiezen. (Grijpt de handen van de interviewer vast en kijkt hem recht in de ogen.) Die fantastische gave is tegelijk een gevaarlijke gave. God zegt uiteindelijk dat hij in ieder van ons gelooft, in onze capaciteit om als een heilige te worden. God is ervan overtuigd dat het uiteindelijk allemaal goed zal komen, maar in de tussentijd is Hij afhankelijk van mensen die het goede doen, zoals Nelson Mandela die de apartheid hielp ondergraven. In Zuid-Afrika is de vraag vandaag wat we met onze nieuw verworven vrijheid zullen aanvangen. Zullen we haar gebruiken voor het profijt van enkelen of voor het welzijn van allen?’

4. De machtigen

‘Omdat het onrecht blijft duren, maak ik me wel eens kwaad op God’, zegt Desmond Tutu. ‘Dan schreeuw ik het uit in mijn binnenste: mijn God, waarom laat u dit soort zaken gebeuren?’ Wat er in het binnenste van Madeleine Albright omgaat, kom je niet zo snel te weten. Zij rekent in elk geval niet op een bovenaardse kracht om het onrecht hier op aarde op te lossen, maar houdt het liever op de goede intenties en de uitzonderlijke roeping van de Verenigde Staten -een keuze die niet iedereen praktischer of geloofwaardiger zal vinden dan die van Tutu.

‘Ik geloof dat de VS een uitzonderlijk land is, maar ik vind niet dat er uitzonderingen gemaakt moeten worden voor ons. Ik denk niet dat wij een imperialistisch land zijn. Als we landen binnengevallen zijn, dan was dat in de meeste gevallen met goede bedoelingen en niet om die landen te bezetten. Als de VS zich volledig zouden terugtrekken van de internationale scène -en soms vrees ik daar wel eens voor, gezien de enorme reactie als gevolg van de vergissingen van Irak- zou de wereld wel eens een echt ongelukkige plek kunnen worden. Dé vraag is: hoe hou je de massale Amerikaanse macht onder controle? Dat moeten we zelf doen, niemand anders kan dat doen. De VS zijn dus uitzonderlijk en onmisbaar, maar niet eenzaam en zonder regels.’

Dat de Verenigde Staten anders zijn dan de Europese Unie, meet Albright ook af aan de manier waarop burgers, samenleving en staat omgaan met religie. ‘Het is duidelijk dat de VS een veel religieuzer land is dan eender welk land in Europa -op Polen na, misschien. President Bush zei bij zijn ambtsaanvaarding: “Net als de regeringen voor ons hebben wij een roeping van boven de sterren dat we voor de vrijheid moeten opkomen.”

Albright: ‘Elke Amerikaanse president heeft een beroep op God gedaan. Zij gingen ervan uit dat je mensen niet kan scheiden van hun religie.’

‘Toen ik De macht en de almacht begon te schrijven, dacht ik aan te tonen dat de religieuze roeping van president Bush een anomalie was, een ongelukkige uitzondering. Maar dat is hij jammer genoeg niet. Elke Amerikaanse president heeft een beroep op God gedaan, op een of andere manier. Ik heb voor Jimmy Carter en voor Bill Clinton gewerkt, allebei zeer gelovige presidenten. Zij gingen ervan uit dat je mensen niet kan scheiden van hun religie. Dat betekent niet dat de scheiding tussen kerk en staat in vraag gesteld wordt. Het betekent ook niet noodzakelijk dat je in uiterst rechts vaarwater belandt. Ik heb de voorbije jaren samengewerkt met zeer conservatieve christenen rond diverse thema’s: het voorkomen of stopzetten van genocides, verzet tegen mensenhandel, hulp aan vluchtelingen en religieuze verdraagzaamheid.’

De afwezigheid van religie in de praktische politiek, waarover Albright het hoger had, slaat dus niet op de christelijke godsdienst, maar op de islam. Bij het voorbereiden van haar boek viel het haar op hoe vaak ze in de rand van verslagen de notitie gemaakt had: ‘Meer over de islam leren’. ‘Als ik mensen hoor zeggen dat de islam een achterlijke religie is of een gemankeerde evolutie doorgemaakt heeft, dan denk ik altijd: we begrijpen de islam gewoon niet goed genoeg. Je kan niet eens deftig over “islam” spreken, het is een religie die versplinterd is in vele verschillende interpretaties en gemeenschappen. Je moet dus echt heel voorzichtig zijn met generaliseringen.’

Toch is het nog maar de vraag of meer kennis van de islam had kunnen voorkomen dat de regering Bush de oorlog verklaarde aan Al Qaida, de Taliban en Saddam Hoessein. Albright: ‘Het zou in elk geval nuttig geweest zijn voor de regering Bush als ze meer geweten had over sjiieten en soennieten in Irak. Meer kennis van de islam zou ook nuttig zijn om ten volle te begrijpen wat er zich op dit moment in Iran afspeelt.’

5. De kracht

Religieuze beeldspraak kan enorm mobiliserend werken in de politiek. Vraag dat maar aan Osama Bin Laden en de zijnen. Ook president Bush bedient er zich wel eens van, al heeft hij al moeten vaststellen dat een beeld dat in de Bible Belt op applaus onthaald wordt, elders in de wereld afgrijzen kan opwekken. Denk aan zijn kruistocht-opmerking kort na 11 september. Echt gevaarlijk wordt religieuze taal als haar symbolische beweringen als letterlijke waarheden gelezen worden. ‘Het grote probleem van Israël en Palestina is dat God blijkbaar hetzelfde land beloofd heeft aan joden en Palestijnen’, merkt Madeleine Albright droog op. Toch wil ze niet gezegd hebben dat de creatie van de staat Israël verantwoordelijk is voor de opkomst of groei van religieus extremisme in de regio.

Albright: ‘Het grote probleem van Israël en Palestina is dat God blijkbaar hetzelfde land beloofd heeft aan joden en Palestijnen’

Tutu heeft geen talent voor achterdocht, zeker niet als het over religieuze taal gaat. Elke politieke uitspraak krijgt bij hem een bijna bijbels karakter. ‘Toen we tegen de apartheid vochten, wilden we als alternatief een systeem waarin mensen er echt toe zouden doen. We wilden een samenleving die zacht en medelevend zou zijn. Een samenleving die zou luisteren naar iedereen, ook naar de armen, en waarin hun visie ernstig genomen zou worden. Een samenleving waarop de armen trots konden zijn.’ Je hoort zo hoe het werkt op grote bijeenkomsten, maar aan de tafels van de macht maken geloof en utopie niet altijd veel indruk.

‘Mensen zouden zich moeten realiseren dat iedereen op aarde familie van elkaar is. Dat lijkt een heel eenvoudige, bijna sentimentele vaststelling, maar in feite is het een heel radicale houding, want binnen een familie draagt ieder bij naargelang zijn of haar mogelijkheden en ontvangt ieder naargelang zijn of haar behoeften. In een wereld die door deze principes geregeerd wordt, zouden we niet de enorme, perverse sommen geld moeten uitgeven voor defensie -in feite budgetten voor dood en vernietiging. We zouden er dan waarschijnlijk voor kiezen om met een fractie van dat geld iedereen op aarde schoon drinkwater te bezorgen, genoeg te eten, goede woningen, degelijk onderwijs, toereikende gezondheidszorg…’

6. De hoop

‘Ik ben een optimist die vaak tobt’, schrijft Madeleine Albright op bladzijde 268 van De macht en de almacht. Een pagina verder besluit ze haar boek met bijna spirituele beelden: ‘Al doende mogen we de hoop koesteren dat we in de loop der tijd ons stukje bij beetje een weg zullen banen, niet naar een glanzende en exclusieve stad op een heuvel, maar naar een wereld waar macht en recht hand in hand zullen gaan, en waar waardigheid en vrijheid ieders deel zullen zijn.’

Op de vraag of hij een optimist is, antwoordt Desmond Tutu: ‘Neen, ik ben een man van hoop. Optimisme is niet zo sterk als hoop.’

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur