Mark Bowden: 'Militaire aanwezigheid stimuleerde corruptie in Afghanistan'

De Verenigde Staten willen militair tussenkomen in Syrië. Het is verrassend hoe weinig in dat debat gekeken wordt naar de mislukte interventies in Afghanistan en Irak.  MO* sprak met Mark Bowden, humanitair coördinator van de VN in Afghanistan en plaatsvervangend speciaal gezant van de VN in dat land. Hij schetst de impact van de interventie op de samenleving en schat de consequenties in van het einde van die directe interventie, na 13 jaar.

  • VN Mark Bowden. VN

De internationale gemeenschap heeft beloofd Afghanistan onverminderd te blijven steunen na de eveneens beloofde terugtrekking van buitenlandse troepen tegen eind 2014. Toch stelde OCHA, de humanitaire coördinatie van de VN, in 2012 al een halvering van de humanitaire hulp vast. De VN-ontmijningsorganisatie moest begin dit jaar 3000 medewerkers ontslaan bij gebrek aan middelen. UNAMA, de VN-missievoor Afghanistan, moet het dit jaar met 18,7 procent minder budget stellen dan in 2012. Hetzelfde fenomeen doet zich voor of kondigt zich aan bij ngo’s. Aschiana,bijvoorbeeld, zetten een project voor 11.000 kinderen die op straat werken stop na het wegvallen van de Europese subsidies voor het programma.

2014 wordt een jaar waarin de militaire en politieke situatie in Afghanistan grondig zal veranderen. Welke impact heeft dat op ontwikkeling? Komen de westerse landen hun hulpbeloften na?

Mark Bowden: In juli 2012 spraken internationale donoren en de Afghaanse regering in Tokio een plan af met wederzijdse engagementen, waaronder de belofte dat de Afghaanse regering 16 miljard dollar steun zou krijgen in de loop van de jaren 2012-2015. De regering verbond er zich onder andere toe corruptie te bestrijden, eerlijke verkiezingen te organiseren in 2014, de rechtstoegang en rechtszekerheid van alle burgers te verbeteren… In de evaluatie die begin juli georganiseerd werd, bleek dat er nog veel werk op de plan ligt, maar dat er voldoende vooruitgang geboekt is om de afspraken aan te houden.

We zien dan ook dat de doelstelling van 4 miljard dollar per jaar hulp gehaald wordt. Het grootste deel van dat geld gaat naar Trust Funds, waarmee heropbouw en ontwikkeling, maar ook de ordediensten betaald worden. Maar de capaciteit van de Afghaanse regering om dat geld ook uit te geven blijft beperkt. Het voorbije jaar kon zowat 40 procent van het hulpgeld effectief uitgegeven worden, dit jaar zou dat moeten oplopen tot 60 procent.

Sommige waarnemers beweren dat er te veel geld naar Afghanistan gaat, wat alleen maar resulteert in meer corruptie en ongelijkheid.

Mark Bowden: Dat is een terechte bezorgdheid en er wordt wel degelijk gezocht naar manieren om die problemen aan te pakken. Daarom bevat het afsprakenkader van Tokio behoorlijk krachtig verwoorde voorwaarden over onder andere corruptiebestrijding. Er is een verschil tussen de dagdagelijkse corruptie waar de gewone Afghanen mee te maken krijgen -betalen voor papieren of diensten waar je recht op hebt, bijvoorbeeld- en het grotere, institutionele niveau van corruptie.

Een van de concrete dossiers waarover de donoren zich duidelijk uitgesproken hebben, is het schandaal rond de Kabul Bank. Wij hebben namelijk het gevoel dat er onvoldoende politieke wil is om de voornaamste daders van de enorme fraude in die bank voor het gerecht te slepen. Dat creëert de boodschap dat iemand miljoenen kan ontvreemden zonder juridische consequenties.

President Karzai uit geregeld kritiek op corruptie die samenhangt met de internationale aanwezigheid, maar daarbij kijkt hij minder naar de ontwikkelingssamenwerking, eerder naar de militaire aanwezigheid, waar de echt grote contracten afgesloten worden.

We weten intussen dat Amerikaanse generaals over enorme budgetten beschikten waarover ze weinig of geen verantwoording moesten afleggen.

Mark Bowden: Die cash-transfers hebben een cultuur van verwachting en slechte gewoontes gecreëerd. Volgens mij is de militaire agenda en de aanpak door de legers veel meer verantwoordelijk voor het creëren van corruptie dan de ontwikkelingshulp. In die zin zegt  Ashraf Ghani [voormalig presidentskandidaat, ex-minister van Financiën en voormalig ontwikkelingsdeskundige bij de Wereldbank] dat de transitie van 2014 positieve effecten zal hebben op bestuur en cultuur in Afghanistan. De verwarring tussen militaire strategie en ontwikkelingsdoelstellingen wordt ook stilaan opgeheven, wat een bijzonder goede zaak is.

Dé instelling die humanitaire bijstand, ontwikkeling en militaire aanpak vermengde, was het Provincial Reconstruction Team, gedurende enkele jaren een centraal element in de aanpak van de ISAF. Was dat een vergissing?

Mark Bowden: Volgens mij wel, ja. De beginaanpak van de strijd tegen de opstandelingen was slecht doordacht en had op langere termijn negatieve effecten, die we nu pas beginnen remediëren.

De terugtrekking van westerse troepen zal ook resulteren in het verdwijnen van veel goedbetaalde banen. Zal dat resulteren in een economische meltdown?

Mark Bowden: Ik zie die meltdown niet gebeuren in 2014, maar maak me zeker zorgen over de jaren nadien als het internationale geld en de aanwezigheid van militairen en expats ingrijpend zullen verminderen. De mijnsector, die de motor had moeten worden voor een eigen economische ontwikkeling, zal niet echt functioneren voor 2019, en zal bovendien nooit voldoende banen creëren om een impact te hebben op de economische vooruitzichten van de bevolking. Voeg daar de grote hoeveelheid jongeren aan toe die straks werk zullen zoeken en de massale verstedelijking –Kaboel is de snelst groeiende stad ter wereld – en je weet dat er een enorme crisis van de verwachtingen aankomt.

Misschien had de internationale gemeenschap meer moeten investeren in rurale ontwikkeling?

Mark Bowden: Dat is wel gebeurd, onder andere door het National Solidarity Programme, waarmee landwegen, kleine dammen en irrigatieprojecten, en dergelijke gefinancierd worden. Er zijn natuurlijk grenzen aan wat op die manier gerealiseerd kan worden. De verdere ontwikkeling van de waardeketen van landbouwproducten staat nog helemaal in de kinderschoenen.

Is er een link tussen deze ontwikkelingsproblemen en het toenemende geweld van de voorbije maanden?

Mark Bowden: Niet direct. Het geweld van de voorbije tijd is toch vooral politiek geweld, waarbij in toenemende mate gebruik gemaakt wordt van zelfgemaakte explosieven waarvan de burgerbevolking het grootste slachtoffer is. Ik krijg vaak rapporten van het terrein die melden dat jongeren zich aansluiten bij de taliban omdat het hen een inkomen verschaft, eerder dan om ideologische redenen.

Is dat niet een heel comfortabele uitleg voor landen en organisaties die wellicht mee verantwoordelijk gehouden worden voor de trieste stand van zaken in Afghanistan?

Mark Bowden: Het is zeker waar dat er heel diverse redenen zijn om bij het verzet te gaan. Eén daarvan is ongetwijfeld het rechtssysteem. De taliban scoren goed bij veel Afghanen in hun aanpak van familiale problemen of gronddisputen. En dus zou de internationale gemeenschap veel meer moeten inzetten op de strijd tegen corruptie in de rechtspraak en op gelijke toegang tot rechtsspraak. En justitie moet zich veel meer focussen op de zaken die een voelbare impact hebben op het leven van gewone Afghanen. De voorbije tien jaar heeft de klemtoon veel meer gelegen op vrede en stabiliteit in plaats van op recht en rechtvaardigheid.

De secretaris-generaal van de VN signaleert dat de relaties tussen Afghanistan en Pakistan opvallend achteruitgegaan zijn sinds begin dit jaar. Dat is een slecht voorteken?

Mark Bowden: Het is in elk geval een grote zorg voor iedereen, al proberen beide landen de moeilijkheden bilateraal uit de weg te ruimen. Er is wel wat vooruitgang gemaakt op het vlak van grensoverschrijdende immunisatieprogramma’s. En de Pakistaanse overheid heeft recent de verblijfsvergunning voor veel Afghaanse vluchtelingen verlengd. Dat voorkomt een destabiliserende massale terugkeer op dit moment. Ook op regionaal vlak wordt gepraat, onder andere over rampvoorbereidende maatregelen. Maar het is nog zeer de vraag of die regionale aanpak ook vertaald wordt in budgetten om er effectief werk van te maken. En in Kaboel heerst altijd de angst dat regionale initiatieven ten koste zullen gaan van hulpbudgetten voor Afghanistan.

Het Westen wil dat de Afghaanse overheid ook in de toekomst vrouwenrechten beschermt. Een geaborteerde bespreking in het parlement van een wet ter voorkoming van geweld op vrouwen belooft niet veel goeds.

Mark Bowden: Die bespreking was a mess! De afspraken van Tokio waren bedoeld om de huidige wet -een presidentieel decreet- te implementeren. Dat is een goed geschreven wet waar de meeste mensen tevreden over waren. Maar een vrouwelijk parlementslid wilde haar politiek profiel versterken door de wet voor het parlement te brengen, waardoor ze, vrees ik, een doos van Pandora opende en het decreet wel eens zwakker zou kunnen worden dan het was.

Met andere woorden: goede wetten in Afghanistan moeten stilletjes geproclameerd worden als presidentieel decreet, want een parlementair debat leidt alleen maar tot achteruitgang. Niet echt de democratie waar het Westen hoog over opgeeft?

Mark Bowden: Democratie heeft tijd nodig om volwassen te worden. En tegelijk is er tijd en inspanning nodig om aan de Afghaanse bevolking uit te leggen wat wel en wat niet deel uitmaakt van de sharia. Want de tegenstanders van de wet tegen geweld op vrouwen beroepen zich wel op de sharia, maar verdedigen in feite de gebruiken en gewoonten van de tribale cultuur.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur