Mark Depreeuw: 'Je huis is je derde huid'

Architect Marc Depreeuw stond in België mee aan de wieg van het bio-ecologisch bouwen. Beton en staal zijn niet aan hem besteed. De eeuwenoude gulden snede is zijn leidraad en hij zweert bij het klassieke tekenpotlood. Maar zijn groene ontwerpen, zoals de Ecoverfabriek in Malle, zijn verrassend gedurfd en innovatief. Een gesprek over ecologisch realisme en de mens als norm.
Bio-ecologisch bouwen bestond niet in de jaren zeventig, tot er dat ene artikel verscheen over spaanplaten. In een Nederlandse school had het gebruik van die platen tot negatieve gezondheidseffecten geleid. Het drukte ons, een paar pas afgestudeerde architecten, met de neus op de feiten: het materiaalgebruik waarmee we waren opgegroeid -plastic, beton, polystyreen, metaal, giftige beitsen- was niet kosjer. Het was het begin van een groeiproces naar bio-ecologische architectuur, een proces dat nog altijd voortgaat.
Ik denk er dikwijls over na wat nu juist mijn persoonlijke ijkpunt was om biologisch gezonde woningen te gaan bouwen. Vergelijk het met de mei ‘68-ers. Zij kunnen ook niet exact vertellen wanneer de vlam is overgesprongen. Dat bewustzijn was er gewoon, mei ‘68 leefde op verschillende plaatsen bij de jeugd. Sommige filosofen beschrijven dat fenomeen als de heropleving van de kathedraalgeest, een periode waarin het kosmisch bewustzijn heel sterk was. In de renaissance ontstond het verstandsbewustzijn, dat was een periode waarbij alles bedacht moest worden. In mei ‘68 kregen we opnieuw een bewustzijn van het kosmische, het niet-tastbare tegenover de heel tastbare werkelijkheid van bijvoorbeeld kernenergie.
***
De architectuur ging voorbij aan die kritische tijdsgeest. De bouwsector gebruikt nog altijd tientallen foute materialen. De nieuwste gebouwen zijn allemaal uit beton en staal opgetrokken, volgestouwd met synthetische isolatie. Ik ben niet zo’n fatalist die beweert dat bepaalde materialen meteen tot kanker leiden, maar je ondervindt er wel negatieve invloeden van. We merken niet eens meer dat na twee uur vergaderen in een betonnen gebouw ons energiepeil zo wegzakt. We wijten dat aan de luchtkwaliteit of aan onze lichamelijke conditie. Gezond wonen is een heel eenvoudig energetisch verhaal, het verhaal van ‘s nachts te ontladen, in plaats van op te laden naast elektrische toestellen en het synthetische beddengoed. Om dat te begrijpen moet je niet in chakra’s, maar gewoon in gezonde en natuurlijke materialen geloven. In het bio-ecologisch bouwen proberen we de energie van de natuur zoveel mogelijk in het huis te behouden, in plaats van het huis ervoor af te schermen.
***
Het begrip, maar vooral het woord duurzaamheid binnen de architectuur bekijk ik met enige argwaan. Ik geef er de voorkeur aan om ons ontwerpatelier bio-ecologisch te noemen. “Duurzaam” is in de Vlaamse mond eerder synoniem voor onvergankelijk dan voor natuurlijk, ecologisch en sociaal. Dat leidt tot misvattingen en foute discussies. Een voorbeeld: wanneer je biologisch materiaal ongenuanceerd tegenover energieverbruik plaatst, zit je met twee discussies. Zo is de strobalenbouw een bio-ecologisch alternatief voor bakstenenbouw. Stro, een natuurlijk afvalproduct -perfect isolatiemateriaal, snel geplaatst en bepleisterd- staat echter nog altijd ter discussie. Energofielen staren zich blind op het isoleren, in welk materiaal maakt niet uit, “als het maar goed gedaan is, zodat je minder energie gebruikt”. Er bestaan inderdaad materialen met een betere isolatiewaarde dan stro, maar binnen het bio-ecologisch bouwen kijken we verder en zijn ook de andere voordelen belangrijk. Wanneer je je huis bekijkt als je derde huid, wordt het verhaal anders: die moet gezond zijn.
Met een beetje cynisme amuseert het om te zien hoe heel die bouwtechnologie technisch grote mankementen vertoont. Een houten dak dat je inpakt in een plastic onderdak vertoont na een tijd gebreken: schimmel, vocht… Het idee van ademend bouwen hanteren wij perfect. Als je het technisch goed aanpakt, moet je een houtskeletbouw niet gaan behandelen met giftige producten, omdat er in principe geen vocht ontstaat. Houtworm komt er niet in, want die heeft vocht nodig, enzovoort.
***
De wil is er niet om mee te gaan in dat bio-ecologisch denken. De nieuwe generatie architecten krijgt nauwelijks leerstof over ecologisch of biologisch bouwen. De vorm van het gebouw is en blijft het criterium. In de Scandinavische landen, en zelfs binnen Franse architectuuropleidingen, staan ze een pak verder. In Grenoble is een instituut waar ze op universitair niveau proeven en breukstudies doen over bouwen met aarde: leembouw, kleibouw… materiaal dat voor de klassieke studie veel minder vanzelfsprekend is dan beton of staal. België is een beetje een apenland inzake ecologisch bouwen, maar in vergelijking met Nederland doen we het goed. Belgen zijn goed in traag aanvaarden. Eens de kogel door de kerk is, versnelt de beweging. De laatste vijf jaar is de vraag naar gezonde en natuurlijke woningen gestegen, maar we zijn er nog lang niet. We moeten mensen meer bewust maken van het belang van gezond en ecologisch wonen, niet via subsidies of door cadeautjes uit te delen, maar via informatieve programma’s en initiatieven zoals het Ecohuis. Dat zet aan tot nadenken.
***
Het grote verschil tussen de gangbare en de bio-ecologische bouwkunst is de aandacht voor de harmonie van de mens en zijn omgeving. Bij beton- en staalbouw verlies je de energie en ook die harmonie uit het oog. Die hangt samen met de gulden snede: de verhoudingen en geometrische vormen die in de mens en de natuur terug te vinden zijn. Le Corbusier hanteerde die wetmatigheid. Hij was heel lang een kubist, hij was de man die vliegtuigen en pakketboten als het summum van architectuur zag, omwille van hun eenvoud en functionalisme. Eén van zijn boeken had als titel: Maison, une machine à habiter. In zijn latere werk begon Le Corbusier te beseffen dat de mens niet een recht wezen is dat je in kubusjes stopt.
Hij begon zich het hoofd te breken hoe hij architectuur plastisch kon maken en zich kon bevrijden van het loutere functionalisme. Hij bestudeerde de klassieke bouwkunst en vond een overeenkomst tussen de menselijke natuur en de wiskunde: dat legde hij vast in maatsystemen en noemde hij zijn Modulor. Diezelfde modulor gebruik ik ook, geleerd van mijn stagemeester. Doorheen de geschiedenis zijn die maten trouwens altijd al gehanteerd, intuïtief of niet. Het Parthenon bijvoorbeeld zit vol met guldensnedeverhalen, en je ziet het ook in heel wat kathedralen.
De natuurlijke en menselijke verhoudingen binnen de architectuur kunnen perfect samengaan met het functionele. Wat een functionele woning is, betekent voor iedereen iets anders. Het is des mensen om ver van het louter functionele te stappen, met potjes en pannetjes, tapijtjes, gordijnen… Barok was ook verre van functioneel. De gotische kathedraal van Chartres -mijn stokpaardje, ik bezoek ze elk jaar met mijn leerlingen- is dan weer een toonbeeld van functionalisme, en zit tegelijk zit vol met gulden sneden en menselijke verhoudingen.
***
Ik ben nog van die generatie die geen lijn met de computer kan tekenen, ik wil het ook niet meer leren. Of ik daar iets mee mis, zal ik nooit weten. Ik ontwerp alles met papier en schetspotlood. Ontwerpen wordt dan heel plastisch, net zoals de beeldhouwer die zijn beitel vastpakt en wacht op het moment dat zijn hand dat scheppingsproces in goede banen leidt. Schetsen is boetseren. Onze generatie heeft gebouwen geboetseerd. Nu is architectuur rigider, uit de vormgeving van sommige gebouwen kan je zo de computerlijnen halen. Dat is een gevaar dat we in de hand moeten houden. Ik zie tegenwoordig wedstrijden winnen met woonblokken die teruggaan naar de verkilling van de jaren vijftig, je kan ze zo uit de boekjes halen. Het gevoelselement is weg. Dan zijn wij er om even op tafel te kloppen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift