Mateloze stad

Bombay, of Mumbai, zoals de havenstad tegenwoordig heet- is een onvatbare, verterende en verslavende stad. Suketu Mehta verliet Bombay als puber, keerde er naar terug als vader van twee kinderen, en vertrok weer toen hij er zijn plek gevonden had. In Mateloze Stad beschrijft hij zowel de duistere onderkant, de irritante buitenkant als de dynamische en levenskrachtige binnenkant van de stad die de Portugezen in de zestiende eeuw Bom Bahia of Goede Baai noemden. Een voorpublicatie met vooral aandacht voor wat Mehta zelf beweegt en ervaart.
Ik ben een stadsjongen. Ik ben geboren in Calcutta, een stad in de stervensfase. Daarna verhuisde ik naar Bombay en woonde hier negen jaar. Toen naar New York, acht jaar in Jackson Heights. Een jaar in Parijs, af en aan. Vijf jaar in East Village. Verspreid over de tijd ongeveer een jaar in Londen. De enige uitzonderingen waren drie jaar in Iowa City, dat geen stad ís, en een paar jaar in New Brunswick, universiteitsstadjes die me voorbereidden op de terugkeer in een echte stad. Mijn twee zoons zijn geboren in een wereldstad, New York. Ik woon uit eigen verkiezing in steden, en ik zal vrijwel zeker in een stad sterven. Op het platteland heb ik niks te zoeken, hoewel het er in de weekeinden best uit te houden is.
Ik stam uit een familie van reizende kooplieden. Mijn grootvader van vaderszijde vertrok in het begin van de twintigste eeuw van het platteland van Gujarat naar Calcutta om te werken in de juwelierszaak van zijn broer. Toen die broer van mijn grootvader in de jaren dertig internationaal zaken ging doen, in Japan, moest hij terugkeren om in ootmoed te knielen voor de kaste- oudsten, met zijn tulband in de hand. Maar zijn neven - mijn vader en mijn oom - bleven reizen, eerst naar Bombay en daarna over de grote plas naar Antwerpen en New York, om de aan hen vererfde zaak uit te breiden. Mijn grootvader van moederszijde vertrok als jongeman uit Gujarat naar Kenya, en hij woont nu in Londen. Mijn moeder is geboren in Nairobi, bezocht de universiteit in Bombay en woont nu in New York. Mijn familie was altijd bezig haar boeltje te pakken om te verhuizen naar een ander land, en maakte zich daar niet druk over. Je ging daarheen waar je handel je bracht.
***
Toen ik naar New York verhuisde, miste ik Bombay alsof ik een lichaamsdeel kwijt was. Ik dacht dat ik, toen ik Bombay verliet, was ontsnapt aan de slechtste school ter wereld. Ik vergiste me. De katholieke jongensschool die ik bezocht in Queens was erger. Zij lag in een blanke arbeidersbuurt, die van alle kanten werd belaagd door immigranten uit donkere landen. Ik was een van de eerste leden van een minderheidsgroep die er werden ingeschreven, een vertegenwoordiger van alles waar zij zich tegen wilden afzetten.
Algauw na mijn aankomst kwam een jongen met rood krulhaar en sproeten tijdens het lunchuur naar me toe en verkondigde: ‘Lincoln had de slaven nooit vrij mogen laten.’ De onderwijzers noemden me een heiden. In een jaarboek van mijn school staat een foto van mij waarop ik in de camera kijk, met het onderschrift ‘Het is zo sterk dat ik zelfs een dag kan overslaan’, een verwijzing maar een reclametekst voor een middel tegen transpiratie. Zo zag die school mij: als een stinkende heiden die de kwalijke geuren van zijn inheemse keuken verspreidde. Op de dag dat ik eindexamen deed, liep ik de met prikkeldraad omgeven poort uit, drukte mijn lippen tegen het plaveisel en kuste de grond uit dankbaarheid.
* * *
Op de speelplaats in New York was mijn eerste zoon, Gautama, altijd bedeesd; hij bekeek andere kinderen van een afstand. Ik zag hem heen en weer schommelend naar hen lachen. Zelfs wanneer ze terug lachten, naar hem toe kwamen en hem in hun spel probeerden te betrekken, rende hij weg, naar mij toe, om zijn afstand te bewaren. Al heel jong, te jong, werd hij zich bewust dat hij anders was.
Ik bracht Gautama naar zijn eerste dag in de kleuterschool op 14th Street. Alle tweejarigen spraken Engels, behalve mijn zoon. We hadden hem thuis opgevoed in het Gujarati. De kleuterjuffen lieten de kinderen oefeningen doen en leerden hun wanneer ze hun hand moesten opsteken; ze zongen liedjes. Mijn zoon begreep het niet. Ik zat naast hem en voelde me ellendig. De kinderen in ons flatgebouw zeiden over hem: ‘Hij kan niet praten.’ Vol verwachting keek hij naar ze, maar ze vroegen hem niet om met hen te spelen. Toen hij beneden in de tuin uit een kommetje zijn khichdi at - een rijstgerecht met vis waar de Britten kedgeree van hebben gemaakt -, vertrok een meisje aan de andere kant van de hal haar gezicht: ‘Jakkes.’ Dat was wat het kolonialisme, vijftig jaar na het einde van het Empire, met mijn zoon had gedaan: het had onze taal onuitspreekbaar gemaakt en ons voedsel oneetbaar.
Toen werd onze tweede zoon, Akash, geboren. Steeds vaker dachten we: we moeten de kinderen naar huis brengen. Onze kinderen moeten meemaken wat het is om in een land te leven waar iedereen net zo is als zij. Waar we een restaurant in een provinciestad kunnen binnengaan zonder dat alle hoofden zich meteen naar ons draaien. In India kunnen ze zelfbewust opgroeien; ze kunnen een inzicht krijgen in hun eigen unieke ik, dat wordt geaccepteerd als deel van een groter geheel. ‘Thuis’ is geen consumptieartikel. Je kunt ‘thuis’ niet beleven door het eten van bepaalde soorten voedsel of door films erover op je video te bekijken. Op een bepaald moment zul je er weer moeten wonen. De droom van terugkeer moest vroeg of laat werkelijkheid worden.
‘Kan ik een gasaansluiting krijgen?’
‘Nee.’
‘Kan ik telefoon krijgen?’
‘Nee.’
‘Kan ik een school vinden voor mijn kind?’
‘Ik ben bang dat dat niet mogelijk is.’
‘Zijn mijn pakjes uit Amerika aangekomen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Kunt u dat uitzoeken?’
‘Nee.’
‘Kan ik een treinreis reserveren?’
‘Nee.’
India is het Land van Nee. Dat ‘Nee’ is de proef op de som. Je moet er voorbij zien te komen. Het is India’s Grote Muur: het houdt vreemde indringers buiten. Ertegen vechten en het overwinnen, dat is de uitdaging. In de traditie van goeroe en shisya wordt de noviet altijd meermalen afgewezen als hij de goeroe benadert. Dan houdt de goeroe op met nee zeggen, maar hij zegt ook niet ja; hij duldt de aanwezigheid van de leerling. Wanneer hij begint hem te erkennen, draagt hij hem een aantal huishoudelijke taken op, met de bedoeling hem te lozen. Alleen wanneer de leerling alle stadia van afwijzingen slechte behandeling weet te verdragen, wordt hij het waard geacht tot hogere kennis door te dringen. India is geen vriendelijk land voor toeristen. Het zal zichzelf alleen aan je openbaren als je tegen beter weten in blijft aandringen. Het ‘nee’ zal nooit ‘ja’ worden. Maar je zult ophouden met het stellen van vragen.
Onze flat moet zijn ontworpen door een sadist, een grapjas of een idioot. Het keukenraam verkoelt of liever verhit alleen de ijskast, want er past geen gordijn voor en de hete zon valt er recht op. Wanneer ik in de donkere hoek van de keuken de ventilator aanzet, blaast die de gasvlam uit omdat het fornuis er pal onder staat. De woonkamer kan alleen gelucht worden door het raam van de studeerkamer open te zetten en de zeewind binnen te laten. Maar die brengt een half duin van dik, zwart en korrelig zand mee, plus een indrukwekkende verzameling rommel. (Op een dag vonden we een plastic ijsbekertje in de slaapkamer, met nog een restje ijs en siroop erin.) We komen zo ook in het bezit van polyethyleen melkflessen, een plastic pannendeksel met sirihvlekken, één keer zelfs een poepbevlekte luier. De buitenlucht bestaat uit een zwerm van dunne plastic zakken, die de papegaaien heeft vervangen waar ik mee ben opgegroeid. Tegen vijf uur is de woonkamer donker, omdat we zo laag wonen. We moeten voortdurend de airco en het licht aan doen, waardoor onze elektriciteitsrekening een astronomische hoogte bereikt, maar dat is de prijs om het milieu buiten te houden.
Elke dag worden de flats schoongeveegd en geboend. We leren het kastenstelsel van de bedienden kennen: het inwonende dienstmeisje veegt de vloer niet aan, dat is werk voor de ‘losse bediende’, maar geen van tweeën doen ze de toiletten; die zijn het exclusieve domein van de bhangi, die niets anders doet. De chauffeur wast de auto niet; dat is het monopolie van de conciërge. Daardoor wemelt het flatgebouw van de bedienden.
Elke morgen om zes uur worden we wakker omdat de vuilnisophaalster het afval van de vorige dag inzamelt. Vanaf dat ogenblik rinkelt de deurbel de hele dag: melkboer, krantenjongen, messenslijper, oudekrantenopkoper, legeflessenophaler, massagespecialist, telegrammenman. Alle dienstverleners ter wereld komen aan mijn voordeur, maar wel te vroeg. De maand na aankomst van mijn gezin kies ik loodgieters, elektriciens en timmerlieden als een Werther die Lotte achternazit. De elektricien van het flatgebouw is een nonchalante man die ‘s middags laat komt, met mij babbelt over de bedrading in de flat die hij goed kent van veelvuldige vorige bezoeken, en die de dingen zo repareert dat ze maar korte tijd functioneren, wat hem verzekert van talrijke bezoeken in de toekomst.
De enige telefoonlijn waarover ik internationale gesprekken kan voeren, gaat stuk. Een week eerder was het de andere. De meeste mensen die het zich kunnen veroorloven hebben twee lijnen, omdat één lijn altijd kapot is. Dan moet de telefoondienst worden gebeld en de monteur omgekocht om de boel te repareren. Het is in hun belang dat het telefoonnet niet deugt. Wat mijn loodgieter betreft, hem wil ik vermoorden. Hij is een laaghartige, kwaadsappige kerel met door sirihgebruik aangetaste tandstompen in zijn mond. Hij speelt de bewoners van de flats tegen elkaar uit, vertelt mijn boven- en benedenburen dat ik moet betalen voor reparatie van de aanhoudende lekkages uit mijn toiletten, en vertelt mij dan dat ik hén moet overhalen om te betalen.
De geiser, de lichtschakelaars, de kranen, de waterspoeling en de afvoerleidingen zijn allemaal kapot. Grote druppels bruin vocht komen uit het plafond. De voorzitter van de bewonersvereniging legt het me uit: alle buizen in dit gebouw zijn verrot. De afvoerbuizen die buitenom moesten lopen, zijn binnen aangelegd. De bewoners doen hun eigen reparaties, en laten lekkages niet door de huisloodgieter herstellen. Geen enkele buis in het gebouw is recht; elke keer als bewoners zelf renovaties uitvoeren, wat een continu proces is, laten ze freelance loodgieters die buizen weghalen die hun in de weg zitten. Dat belemmert de vrije doorstroming van afval- en leidingwater en mengt ze door elkaar. Als je de stroom afvalwater van de twintigste verdieping naar de begane grond volgt, maak je evenveel bochten als een dol geworden bergweg.
In elke bocht klontert vieze troep samen, die de doorstroming belemmert. Het gemeentebestuur dwingt naleving van de voorschriften aangaande eigenmachtige veranderingen niet af. Omhoogborrelend rioolwater dreigt voortdurend over de rand van mijn toilet te stromen, wat in andere flats al is gebeurd. De aderen van het gebouw zijn verstopt en door sclerose aangetast. Zijn huid laat los. Het is een ziek gebouw. Intussen betaal ik de huisbaas elke maand huur voor het voorrecht om zijn flat te mogen repareren.
We moeten ook opnieuw leren in de rij te staan. In Bombay staan de mensen altijd in de rij: om te stemmen, een flat te huren, een baan te krijgen, het land te verlaten, een treinreservering te maken, een telefoongesprek te voeren of naar het toilet te gaan. En wanneer je eenmaal vooraan in de rij staat, wordt je altijd ingepeperd dat je al die duizenden en miljoenen achter je hindert.Schiet op, doe wat je moet doen, en snel een beetje. Als je tweede in de rij bent, ga dan nooit achter de voorste persoon staan; posteer je naast hem, alsof je eigenlijk bij hem hoort, zodat je zijn plaats kunt innemen door maar één stap opzij te doen.
Al dit gedoe neemt een groot deel van onze dag in beslag. Deze stad is buitenstaanders of nostalgische terugkeerders vijandig gezind. We kunnen ons met dollars een pad banen, maar zelfs als de stad voor ons zwicht, neemt zij ons dat kwalijk. De stad kreunt onder de druk van 386.000 mensen per vierkante kilometer. Ze ziet mij even ongaarne komen als een berooide migrant uit Bihar, maar ze kan ons geen van tweeën eruit schoppen. Dus maakt ze ons het leven zo zuur mogelijk door een guerrillaoorlog tegen ons te voeren en hinderlagen te leggen, waardoor elke dag kleine crises ontstaan. Al deze ergernissen leiden tot moorddadige woede in je hoofd, vooral als je komt uit een land waar alles beter werkt en de instellingen toegankelijker zijn.
* * *
Utran neem ik de kinderen mee naar het huis van mijn aangetrouwde neef in Prarthana Samaj, in het stadscentrum. Ik heb goede herinneringen aan dat festival. Op die dag lieten we vliegers op, heel simpele gevalletjes gemaakt van crêpepapier en twijgen, en terwijl ze de hemel inklommen, bestuurden we ze door het vliegertouw heel nauwkeurig te vieren of aan te trekken, waarbij we voelden hoe hij ver en hoog boven de betonnen stad uitsteeg. Mijn hart vloog mee, vrij boven in de lucht. Als de vliegers scheurden, repareerden we ze met een deeg van fijngewreven gekookte rijst en water. We gingen het dak op en duelleerden met vliegers van omliggende flatgebouwen. Het vliegertouw was ingesmeerd met lijm en kapotgestampt glas om het touw van onze rivalen door te snijden; heel wat jongens verloren een vinger als het touw werd gevierd en er doorheen sneed. Als we een vliegergevecht hadden gewonnen, weerklonk de luide kreet: ‘Kaaayyypoooche!’
Tegenwoordig plaatsen de jongens krachtige luidsprekers op de dakterrassen van hun flatgebouwen tijdens Utran. Als een gevecht gewonnen is, buldert uit die luidsprekers het triomfantelijke stemgeluid van die omgekomen Bombayse jongen Freddy Mercury: We are the champions!
Er zijn veel familieleden van mijn neef op het dak, en zij bewonderen zijn nieuwe zoon. Tegen mijn kinderen zijn ze ook aardig, maar het is toch anders. We zijn geen rechtstreekse familie. Terwijl ik mijn jongens aan de hand houd, voel ik het verschil duidelijk. Ze kijken naar de vliegeraars, alweer van buitenaf.
‘Waarom wil je terug naar Amerika?’ vraag ik Gautama, als we op een dag naar huis teruglopen na het eten van een snack op Pali Hill, nadat hij een geelwitte tjempakabloem heeft opgeraapt en ik hem heb laten zien dat hij door de bloemblaadjes terug te vouwen en ze aan de stengel te rijgen een broche voor zijn moeder kan maken, en dat de peul met zaadjes een goede rammelaar voor Akash is als je hem schudt.
Hij antwoordt niet meteen. Ik vraag het hem opnieuw. Ik buig me tot zijn ooghoogte en vraag het hem met nadruk.
‘Omdat mijn familie me mist. Ze zeggen het elke keer door de telefoon.’
Het is voldoende reden om terug gaan: omdat je familie je mist. Het is de reden waarom ik steeds opnieuw ben teruggegaan, terug ben getrokken. Familie -niet alleen ouders maar ook grootouders, ooms en tantes, neven en nichten- is wat kleine kinderen nodig hebben, meer dan een cultuur en meer dan een vaderland. Dus net wanneer we ons eindelijk op ons gemak voelen in Bombay, maken we ons klaar om opnieuw te verhuizen -terug naar New York. Maar het geeft niet, want na tweeënhalf jaar is mijn vraag beantwoord. Je kunt weer naar huis gaan, en je kunt ook weer weggaan.
Opnieuw vol vertrouwen de wijde wereld in. We hebben gevochten met Bombay, hard gevochten, en de stad heeft plaats voor ons ingeruimd. Ik ging naar huis en ze openden de deur en namen me op, en ze namen ook mijn vrouw en mijn uitheemse kinderen op, en gaven hun het idee dat het ook hun tehuis zou kunnen zijn. Ze gaven me het voedsel dat ik graag eet, en ze speelden de muziek voor me die ik graag hoor, hoewel ik was vergeten hoeveel ik van die muziek houd. Ze vroegen me voor hen te schrijven -voor hun films, voor hun kranten. ‘We willen weten wat je als geëngageerde burger over Kargil denkt,’ had de redacteur van een boek met opstellen over die oorlog me gevraagd. Ik heb hier een plaats verworven die ik nooit heb gehad in het land waar ik naar terugkeer, een stem in het nationale debat. ‘Hoe kun je na al deze dingen naar New York teruggaan?’ vroegen actrices, boekhouders, hoeren en moordenaars mij. ‘New York zal je vervelen.’
Na tweeënhalf jaar heb ik geleerd, voorbij de puinhopen van de fysieke stad te kijken naar de gloeiende levenskracht van zijn inwoners. De mensen verbinden Bombay te makkelijk met de dood. Met elke dag vijfhonderd nieuwe mensen die er komen wonen is Bombay zeker geen stervende stad. Een moordende stad misschien, maar geen stervende stad. Toen ik hier voor het eerst kwam, dacht ik dat de stad in zijn laatste levensfase was. Toen verhuisde ik naar een mooier appartement. Een stad is net zo welvarend of kwijnend als de plaats die jij erin hebt. Iedere Bombayaan bewoont zijn eigen Bombay.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift