Media en democratisering in Senegal

Senegal werd jarenlang als ‘voorbeeldland’ in Afrika gezien. Er worden immers al sinds 1960 verkiezingen gehouden. De politieke situatie in Senegal laat echter zien dat het mogelijk is om bijna 40 jaar lang verkiezingen te houden, zonder een democratie te worden. Zo is de Parti Socialiste (PS) tot nu toe altijd de onbetwiste winnaar, ondanks het bestaan van oppositiepartijen.
Ook op 25 mei 1998 heeft deze partij meer dan 50% van de stemmen behaald en krijgt ze 93 van de 140 zetels in het parlement. En hoewel de media in Senegal steeds pluralistischer worden, kunnen ze niet zorgen voor meer democratisering. Gekozen regimes houden zichzelf in het zadel door met allerlei wetten en regeltjes de invloed van de media te marginaliseren. In dit artikel wordt ingegaan op de relatie tussen media en democratisering en de vele belemmeringen die de media ondervinden in een land als Senegal (1).

1.Democratische ontwikkelingen in Senegal vanaf 1960

In de literatuur wordt Senegal vaak geroemd vanwege het democratisch gehalte van het politieke stelsel; vooral in vergelijking met de vele dictaturen en instabiele regimes in de rest van Afrika zou Senegal een duidelijke voorsprong hebben (Hesseling en Kraemer 1996: 23). Al sinds 1963 hebben alle volwassen burgers het recht om een eigen parlement te kiezen. Leopold Senghors presidentschap van 1960 tot 1980, de opvolging door Abdou Diouf vanaf 1980, en de dominantie van hun partij, de Parti Socialiste (PS), zorgen er echter voor dat Senegal geen democratie kan worden genoemd.

De PS speelt de hoofdrol op het politieke toneel. Na de onafhankelijkheid in 1960 worden langzamerhand de bevoegdheden van president Senghor van de PS steeds meer uitgebreid. Om de macht van de PS te versterken hanteert Senghor de tactiek om de politieke oppositiepartijen in de PS te ‘incorporeren’, door bepaalde oppositieleiders een positie in de regering aan te bieden. Of partijen worden gewoon verboden. Gevolg is dat er in 1966 geen enkele oppositiepartij meer bestaat. Sommige partijen zijn verboden, en andere zijn ‘opgekocht’ (2) door de regeringspartij van Senghor (Hesseling 1982: 211).

Van 1967 tot 1970 heeft de president zoveel macht verworven dat er gerust van een presidentiële dictatuur kan worden gesproken (Hesseling 1982:212-216). Zo krijgt de president de bevoegdheid om het parlement te ontbinden en kan hij zelf de datum van de presidents- en parlementsverkiezingen bepalen. Bovendien vervalt de onverenigbaarheid van de functies van minister en afgevaardigde, waardoor 20% van de afgevaardigden in het parlement tevens lid is van de regering.

Na heftige betogingen worden de wensen van de burgers ingewilligd. Het premierschap wordt heringevoerd (in 1962 was dat uit degrondwet geschrapt) en Abdou Diouf, de huidige president, wordt premier. In1976 staat Senghor een voorzichtig meerpartijenstelsel toe, beperkt tot drie stromingen: sociaal-democraten (de PS van Senghor), de liberaal-democraten (de Parti Democratique Sénégalais, PDS, van Wade) en de communisten (Parti Africain de l’Independance van Diop). Een paar jaar later wordt ook de Mouvement Républicain Sénégalais (MRS) van Gueye als conservatieve stroming toegestaan.

Wanneer president Senghor in 1980 het politieke toneel heeft verlaten, volgt premier Diouf hem grondwettelijk op. Diouf zet het democratiseringsbeleid voort door de beperking van het aantal toegestane partijen op te heffen, waardoor Senegal nu zo’n 20 partijen kent. Toch komt de dominantie van de PS niet in gevaar: het land telt slechts 1 grote, belangrijke oppositiepartij, de PDS van Wade. Wade krijgt met zijn slogan ‘sopi’ (verandering) 26 procent van de stemmen bij de presidentsverkiezingen van 1988, terwijl Diouf de rest van de stemmen vergaart. Ook bij de parlementsverkiezingen van mei 1993 behoudt de regeringspartij een duidelijke meerderheid. De Parti Socialiste blijft in het zadel.

Steeds meer onderzoekers bestempelen Senegal als een ’quasi-democratie’ (Coulon 1988: 172-73; Villalon 1993). In een democratie hebben alle volwassen burgers stemrecht en kunnen zij ook gekozen worden, dat is de eis van participatie, en er moet voldoende competitie tussen partijen zijn, dat is de eisvan competitie (Dahl 1971). Uit deze paragraaf blijkt dat aan de tweede eis niet wordt voldaan, dat de PS nog steeds de touwtjes in handen heeft. Wisseling van de macht is moeilijk in Senegal, omdat de PS zo’n enorme greep op het arme land heeft gekregen. De middenklasse leeft van relaties met de staat (=de PS) en heeft dus belang bij het voortbestaan van de PS-dominantie. Politici dienen als intermediaires tussen de economische bronnen en de bevolking. Daarom blijft het zinvol om op de PS te stemmen (Jeune Afrique 26 mei 1998, p. 23).

2. De macht van de media

Vaak wordt als derde eis van een democratisch stelsel het bestaan van onafhankelijke media gezien (Dahl 1971; Diamond et al. 1990; Gasiorowski 1996). Dergelijke media zouden de alleenheerschappij van de PS kunnen breken en voor meer competitie op het politieke toneel kunnen zorgen.

Kunnen de media in Senegal een rol spelen in het democratiseringsproces?

Sinds de jaren 80, als er steeds meer partijen als paddestoelen uit de grond schieten, ontstaat er tegelijkertijd steeds meer pluralisme in het medialand. Naast de nationale PS-gezinde krant Le Soleil verschijnen er meer onafhankelijke kranten als Sud Quotidien, het islamitische Wal Fadjri en het satirische weekblad Cafard Libéré (de bevrijde kakkerlak). Er wordt onderhandeld over het toelaten van meerdere commerciële televisiestations, maar voorlopig blijft de televisie sterk gecentraliseerd. De staatszender RTS heeft min of meer een monopolie. In radioland is het staatsmonopolie nu echter doorbroken: SUD FM en Radio Funya richten onafhankelijk van de staat regionale stations op.

Ondanks deze positieve ontwikkelingen in de richting van een pluralistischer medialandschap, ondervinden de media vele belemmeringen, waardoor ze (nog) geen rol in het democratiseringsproces kunnen spelen (3). De rest van dit artikel gaat in op deze belemmeringen.

Staatscontrole

Het komt de democratisch gekozen leiders vaak goed uit om oude koloniale regels en wetten te handhaven. Zo bevat de huidige Senegalese perswet veel artikelen die geïnspireerd zijn op de oude koloniale wet. Van een revolutionaire breuk met het (koloniale) verleden is dan ook geen sprake. De wet eist dat journalisten in bezit zijn van een perskaart om hun beroep uit te kunnen oefenen. De Nationale Perscommissie is bevoegd de perskaart in te trekken wanneer de journalist een ernstige beroepsovertreding begaat (Hesseling, 1982: 249). Wat dat is, mag de commissie zelf uitmaken. Het lijkt de Senegalese overheid niet te gaan om het garanderen van de persvrijheid, maar meer om met (nieuwe) juridische middelen de journalistieke praktijk goed in de gaten te kunnen houden.

Volgens de Senegalese wet zijn smaad en belediging strafbaar. In westerse landen geldt dit met name voor particulieren, terwijl in Senegal vooral hoge functionarissen door deze wet worden beschermd. Het bekritiseren en beledigen van de president en van andere politici in het openbaar, dus ook in de media, kan iemand een aanzienlijke straf opleveren. Maar ook het schrijven van berichten die overheidsinstanties in diskrediet brengen, is strafbaar. Op grond van deze wet zijn vele journalisten veroordeeld. Vorig jaar kregen vijf journalisten van de krant Sud Quotidien een boete en een gevangenisstraf wegens smaad en belediging. De krant beschuldigde de overheid ervan een suikerbedrijf, waarvan de eigenaar overigens een persoonlijke vriend van de president is, voor te trekken door bepaalde wetten voor dit bedrijf anders te interpreteren. Deze kritiek kwam de krant duur te staan. Vervelend neveneffect van dergelijke uitspraken is de zelfcensuur die de media zichzelf gaan opleggen. Zo was de stilte na de uitspraak over Sud in de audiovisuele media merkwaardig en verdacht.

Overigens kunnen luisteraars tijdens uitzendingen van de staatsradio niet rechtstreeks reageren. Een radiojournalist die in het oosten van Senegal werkt, vertrouwde ons toe dat er anders kans was dat een luisteraar onverwachts de president ging beledigen. En dat kan het radiostation zich niet permitteren.

Geen kritische journalistiek

Door de enorme staatscontrole is er geen sprake van kritische en onderzoekende journalistiek. Nieuwsuitzendingen en discussies over nationale sociale en politieke zaken vermijden tegenstellingen en diepgaand onderzoek. Bijna dagelijks begint de televisie met binnenlands nieuws. Uitvoerig wordt ingegaan op ‘nieuws’ rondom president Diouf, zijn gesprekken, staatsbezoeken, toespraken en prijzen die hij heeft uitgereikt.Verder is de hoeveelheid regen of de droogte ‘hot news’. De zeldzame reportages zijn slecht gefilmd en gemonteerd. Pratende mensen zijn minutenlang in beeld zonder dat de camera van positie verandert en zonder afwisselende shots. Op de radio worden soms urenlang officiële verklaringen voorgelezen, zonder dat er kritische of informatieve vragen worden gesteld.

‘Non, ce n’est pas comme chez vous! Ici, c’est l’Afrique!’ rechtvaardigt zich een journalist van Radio Tambacounda.

Volgens Ogbondah (1994: 24) is de weinig kritische houding tevens een gevolg van de verschillen in opvatting over de functies van de pers. In het Westen speelt de pers vaak de rol van ‘watchdog’. Ontwikkelingen in de politiek en de samenleving worden nauwlettend in de gaten gehouden en zonodig kritisch aan de kaak gesteld. Volgens Afrikaanse leiders zoals Senghor en Diouf zou de pers geen ‘watchdog’ maar een ‘advocacy’ functie moeten vervullen: de media moeten niet berichten over fouten en schandalen van de overheid, maar ze moeten de regering bijstaan bij het opbouwen van de natiestaat, het garanderen van de nationale veiligheid, het uitbannen van hongersnoden, etnische conflicten en analfabetisme.

Economische belemmeringen

Het functioneren van de pers in Senegal ondervindt bovendien veel economische en praktische beperkingen. Voor Senegal geldt dat 62% van de bevolking analfabeet is en dat het Frans in de massamedia domineert. Grote groepen van de bevolking zijn op die manier buitengesloten van toegang tot informatie. Slechts 20% van de bevolking spreekt Frans. Het Wolof geldt in Senegal als een lingua franca: een gemeenschappelijke taal die als communicatiemiddel wordt gebruikt tussen groepen met een verschillende moedertaal. Aangezien Afrika zo’n 2000 talen kent, lijkt het een onhaalbare zaak via de geschreven pers alle mensen te benaderen; de meeste talen worden slechts gesproken en niet geschreven (4). Dit neemt niet weg dat journalisten eenvoudigere woorden kunnen gebruiken en ingewikkelde terminologie kunnen vermijden of uitleggen. Zo zijn de vele woordgrapjes in Cafard Libéré zeer moeilijk te begrijpen. Bovendien zal er meer aandacht moeten komen voor het schrijven in en het (leren) lezen van Wolof. De kinderkrant Guneyi, waarin artikelen in het Wolof zijn opgenomen en die op scholen wordt gebruikt, is daarom een veelbelovend initiatief. Leerkrachten reageren zeer positief.

Verder worden de mogelijkheden voor een levensvatbare, onafhankelijke pers beïnvloed door het welvaartsniveau van een samenleving. De armoede beperkt het potentiële lezerspubliek. De gemiddelde kosten van een krant komen overeen met vele uren loon. Een krant blijft dus een luxeproduct. Hoewel er in de hoofdstad vele kiosken zijn, is er in het oosten van Senegal maar 1 verkooppunt. Van elk dagblad komen dagelijks 70 exemplaren binnen, waarvan er 50 worden verspreid onder vaste abonnees (instellingen, NGO’s, het radiostation, de gouverneur) en 5 tot 10 in de losse verkoop gaan. In deze regio, die een derde van het Senegalese grondgebied omvaten zo’n 400.000 inwoners heeft, bestaat dus geen echte markt. Maar ook deoplage van 10.000 exemplaren van de grootste krant Le Soleil maakt niet echt indruk.

De radio heeft ten opzichte van de geschreven pers het grote voordeel dat de taalproblematiek veel minder groot is. En radio’s zijn niet duur. Aanvankelijk was het nog vrij duur voor de Afrikanen om een radio te kopen, maar met de komst van de transistor is de radio met recht het medium geworden voor de massa in Afrika en is uitzenden via de radio in Afrika de belangrijkste manier geworden om de meerderheid van de bevolking te bereiken. In elk dorp zie je wel iemand (trots) met een transistor rondlopen. Daarentegen kunnen maar weinigen zich een televisie veroorloven Het televisiebezit is geconcentreerd in urbane gebieden met een adequate stroomvoorziening en een hoog percentage geletterden.

De televisie is zeer afhankelijk van de markt. Het grootste gedeelte van vooral de entertainmentprogramma’s komt uit Frankrijk. Het zijn merendeels lowbudgetprogramma’s die voor een extreem lage prijs worden aangeboden op de wereldmarkt. Senegalezen moeten kijken naar slechte reportages over verwende Franse kinderen en hun besteding van zakgeld, over hoe Franse bakkers hun brood maken, en over geldgebrek in de Franse bejaardenzorg. In Afrika zelf worden weinig programma’s gemaakt. Een van de meest gehoorde argumenten tegen eigengemaakte producties luidt, dat adverteerders niet geïnteresseerd zouden zijn (Ronning, 1994: 18). De ‘pièces de théâtre’ vormen een uitzondering: deze puur Senegalese ‘soaps’ over educatieve onderwerpen zijn zeer populair. Elke week komt de hele buurt en familie bij een trotse televisiebezitter op bezoek om te smullen van familieperikelen. De verhalen hebben altijd een moraal als ‘neem niet meer kinderen dan je kan onderhouden’, ‘sla je vrouw niet’, ‘laat je dochters naar school gaan’.

Maar over het algemeen hebben adverteerders geen interesse en hebben de media moeite om hun hoofd boven water te houden. De radio verwerft inkomsten door het uitzenden van boodschappen over geboorten, huwelijken en sterfgevallen. Bij de oprichting van een nieuwe krant hebben de initiatiefnemers moeite met het verkrijgen van kapitaal: zowel particulieren als banken (vaak genationaliseerd) weigeren investeringen of leningen. Vaak worden de redacteuren verrast door tegenvallende opbrengsten. Kranten beschikken niet over een eigen drukkerij en zijn automatisch aangewezen op de staatsdrukkerij, die als enige voldoende uitgerust is voor het drukken van kranten. De staatsdrukkerijen hanteren echter, naast langdurige administratieve procedures, een bepaalde vorm van censuur ten opzichte van de pers.

De werkomstandigheden zijn verre van ideaal. Zo beschikt Radio Tambacounda over slechts één oude radiostudio, over één technische cabine en over zeer verouderde technische middelen. Sinds kort is een deel van de apparatuur vervangen, maar het (overigens ongeschoolde) personeel weet niet hoe die werkt en gebruikt dus nog de oude. Alle geluidsopnamen worden bewaard in een ‘archief’: bij gebrek aan ruimte is alles in kasten gepropt en op de grond gestapeld. De airconditioning werkt alleen in de kamer van de directeur, er is geen fax, geen kopieerapparaat, geen computer, en zelfs geen typemachine. Door financiële moeilijkheden kunnen er weinig reportages op het platteland worden gemaakt: om de ‘brousse’ te bereiken zijn goede auto’s nodig, vaak is er geen telefoon en het is te duur om correspondenten te sturen.

3. media en democratie: de belemmeringen op een rijtje

Kunnen de media in Senegal een rol spelen in het democratiseringsproces?

Een positieve ontwikkeling is dat er steeds meer kranten en radiozenders komen; het monopolie is verdwenen. Toch blijven er vele beperkingen die ervoor zorgen dat de rol van de media (voorlopig) niet groot is, zoals:

veel staatscontrole;

journalistiek is weinig kritisch en vaak slecht van kwaliteit;

media zijn sterk verbonden met de staat en de PS en vervullen overwegend ‘advocacy role’ in plaats van functie als ‘watchdog’;

de markt is zeer klein, aangezien een groot deel van de bevolking arm is, niet kan lezen en schrijven en er vele verschillende talen zijn;

Franse producties overheersen en de inhoud van de programma’s wordt bepaalddoor adverteerders;

moeilijke werkomstandigheden: gebrek aan beginkapitaal en materiële middelen.

De geschiedenis van Senegal laat zien dat het houden van verkiezingen relatief gemakkelijk realiseerbaar en vol te houden is. Voor een democratie met een vrije pers die ware competitie tussen de verschillende partijen bevordert, is veel meer nodig. Voordat de media vrij en onafhankelijk kunnen zijn, moeten er heel wat belemmeringen worden weggenomen.

Noten:

1. Er komen steeds meer landen waar verkiezingen worden gehouden, maar die niet democratisch kunnen worden genoemd omdat de gekozen leiders nauwelijks in het uitoefenen van hun macht worden beperkt en ze hun burgers fundamentele vrijheden ontzeggen (Zakaria 1997).

2. Om precies te zijn: de Parti Africain de l’Indépendance (PAI), het Bloc des Masses Sénégalaises (BMS), en het Front National Sénégalais (FNS) werden verboden. Een gedeelte van het BMS en de gehele Parti du Regroupement Africain (PRA) werden ‘opgekocht’ (Hesseling 1982: 211).

3. Deze paragraaf is gebaseerd op veldonderzoek dat de auteur in 1996 in het oosten van Senegal heeft verricht (vgl. Doorenspleet en de Vries 1998).

4. Karikari (1993) pleit er desondanks voor dat de economische kosten van het opzetten van een pers in de lokale taal moeten worden afgewogen tegen de politieke, sociale en culturele kosten op de lange termijn als de lokale taal genegeerd wordt. Hij stelt dan ook voor dat Afrikaanse overheden daar hun prioriteit moeten leggen.

Literatuur:

COULON, C., (1988), Senegal: the Development and Fragility of Semi-Democracy, in Diamond (ed), Democracy in Developing Countries, vol. 2, Africa, p. 141-178, Colorado: Lynne Rienner Publishers.

DAHL, R.A., (1971), Polyarchy, New Haven/London: Yale University Press.

DIAMOND et al., (1990), Politics in Developing Countries: Comparing Experiences with Democracy, Boudler, Colorado: Lynne Riener.

DIAMOND, L., (1996), Is the Third Wave over? in Journal of Democracy, 7, pp. 20-37.

DOORNESPLEET, R. en R. DE VRIES, (1998), Onvrije Media en een Electorale Democratie in Facta, jaargang 6, no. 1, pp. 10-12.

GASIOROWSKI, Mark J., (1996), An Overview of the Political Regime Change Dataset in Comparative Political Studies, vol. 29, pp. 469-483.

HESSELING, G., (1982), Senegal: staatsrechtelijke en politieke ontwikkelingen, Amsterdam: KIT.esheH

HESSELING, G. en HENS KRAEMER, Senegal/Gambia, Nijmegen: KIT/NOVIB

KARIKARI, K., (1993), Africa: the Press and Democracy, in Race and Class, 34, pp. 55-66.

OGBONDAH, C.W. (1994), Press Freedom in West-Africa: an Analysis of one of the Ramifications of Human Rights, in: Issue, vol. 22, no. 2, p. 21-26.

RANDALL, V., (1993), The Media and Democratisation in the Third World, in Third World Quarterly, 14, pp. 625-646.

RONNING, H., (1994), Media and Democracy: Theories and Principles with Respect to an African Context, Seminar Paper Series, no. 8 Harare: SAPES books.

VILLALON, L.A., (1994), Democratizing a (quasi)Democracy: the Senegalese Elections of 1993, in African Affairs, vol. 93, pp. 163-193

ZAKARIA, F., (1997), The Rise of Liberal Democracy, in Foreign Affairs, pp. 22-43.

Renske Doorenspleet doet promotieonderzoek naar democratiseringsprocessen bij de vakgroep politieke wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Leiden, Nederland.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift