Media ten dienste van het volk en van gemeenschapsopbouw in West-Afrika

In 1993 had in Bamako een conferentie plaats die beslissend was voor de toekomst van de communicatie en de radio in West-Afrika. Ze heette ‘Freedom for African Radios’ en bracht een honderdtal vertegenwoordigers samen van privé- en publieke radio-omroepen en van ontwikkelingsorganisaties die geïnteresseerd waren in het gebruik van radio.
Bij de opening deed Alpha Oumar Konare, de jonge president van Mali, een oproep voor een nieuw type radio dat hij omschreef als ‘een radio die nabij is, onder hetzelfde dak woont, die een deel van de familie wordt, een bondgenoot waarmee mensen zich kunnen vereenzelvigen; een radio die een anker is voor de lokale democratie’ (Freedom for African Radios, Panos Institute with the West African Journalists Association,1994). De vergadering van Bamako versnelde de oprichting van privé-radio’s, gericht op, of zelfs eigendom van de gemeenschap. In de slotverklaring erkenden de deelnemers dat een van de belangrijke taken van die nieuwe zenders was, ‘een voorkeursinstrument tot sociale communicatie te zijn’. Ze erkenden ook de sterke band tussen radio en politieke participatie, en verklaarden: ‘Het pluralisme van de radio is een essentiële factor voor het verdiepen van het democratische proces.’ Het veranderingsproces dat in de regio was gestart in 1991 werd erdoor versneld.

Volgens een repertorium dat door het Panos-instituut werd gepubliceerd (Répertoire des Radios Privées et Locales en Afrique de l’Ouest, Août 1995, Panos et Agence de Coopération Culturelle et Technique, Paris) zijn er meer dan 72 privé, lokale of commerciële radiozenders in West-Afrika. In 1990 waren er in Mali, Burkina Faso en Gambia slechts een handvol zenders. De meeste van de 72 zenders vindt men op het platteland. Commerciële zenders zitten vooral in de steden, het rurale gebied wordt meer door gemeenschappen en verenigingen beheerst. De commerciële radio kan ook sterk op de gemeenschap gericht zijn in stedelijke gebieden zoals Bamako, waar Radio Bamakan in maart 1991 opgericht werd, rond de tijd dat de dictator Moussa Traore afgezet werd.

We geven achtereenvolgens een overzicht van de meer recente ontwikkeling van de radio in drie West-Afrikaanse landen: Mauritanië, Mali en Burkina Faso en trekken daaruit enkele besluiten.

Mauritanië: gemeenschapsgerichte radio als publieke dienst

Mauritanië is een groot land dat de verbinding maakt tussen zwart Afrika en de Arabische wereld. De bevolking van 2,2 miljoen woont in een klein deel van de totale oppervlakte van meer dan een miljoen km2. De Mauritaniërs zeggen daarover ‘Mauritanië dat nuttig benut kan worden’. Het land heeft een proces van politiek pluralisme doorgemaakt met de goedkeuring van een nieuwe grondwet in 1991, gevolgd door meerpartijenverkiezingen in 1992. Wegens de steun van het land aan Irak tijdens de Golfoorlog liep de buitenlandse hulp aan het land drastisch terug (sinds kort heeft het land zijn voormalige vrienden teruggewonnen). In 1994 kwam 25% van het Bruto Nationaal Product ( BNP) van buitenlandse hulp – wat neerkomt op 125 US dollar per hoofd – en dat ligt ver boven het gemiddelde van de ontwikkelingslanden. De indicatoren van menselijke ontwikkeling zijn zeer laag, zoals in het overgrote deel van de regio. Het land staat op de 149ste plaats op 178 in de Index voor Menselijke Ontwikkeling en het zou beter kunnen als men de hoogte van zijn BNP bekijkt.

Orale traditie

Mauritanië is een bedoeïenenmaatschappij waar mondelinge communicatie zeer belangrijk is en waar radio een voorname rol speelt. In zijn rapport van 1995 aan het Congres over de mensenrechten in Mauritanië noemt het VS Department of State de radio ‘het belangrijkste communicatiemiddel om het publiek te bereiken’. Volgens het Human Development Report 1996 is er een groot aantal radio-ontvangers (gemiddeld 144 per 1000) en wordt er overal veel geluisterd. Een studie in 1994 gemaakt met steun van UNFPA zegt dat slechts 60% van de gezinnen over een radio beschikt en dat oudere mannen gemakkelijker toegang hebben tot de radio dan jongere vrouwen. Van deze laatsten luistert minstens de helft elke dag, zowel in de stad als op het platteland.

Rurale radio

De radio-uitzendingen van Mauritanië waren altijd sterk op het platteland gericht. Een van de eerste rurale radiostations is in Mauritanië opgezet met de steun van FAO en van de Coopération Française in 1985. Voortbouwend op mislukte experimenten van de jaren zeventig werkte dit model van rurale radio met een type programmering dat in dialoog ging met de bevolking (interactief) en dat de actieve participatie van de bevolking aanmoedigde in de productie van programma’s (door te werken met mobiele productieteams die de rurale gebieden bezochten). Dit concept was aangepast aan de periode van de late jaren tachtig die de liberalisering voorafging. Het maakte dat de gecentraliseerde en bureaucratische regeringsdiensten ten minste enkele programma’s voorzagen voor het platteland. De budgetten van de donors zorgden ervoor dat de rurale radio een aparte, en zo mogelijk een onafhankelijke dienst was. De rurale radio produceerde in de eerste drie werkingsjaren meer dan 700 programma’s. Daarna ging het bergaf, wegens een gebrekkige externe financiering. Niettemin worden de rurale radioprogramma’s (ongeveer 16% van de totale programma’s) beluisterd door één op twee radioluisteraars in Mauritanië (Etat des Lieux de la Radio Rurale en Mauritanie, Abdallahi Bazeid, 1996).

De behoefte aan een dergelijke dienst blijft bestaan, maar de mogelijkheden van goedkope FM radiozenders en de vrijmaking van de ether maken een gecentraliseerd team dat zeer mobiel is (en dus zeer duur) overbodig en vragen eerder naar betere training en naar het ondersteunen van nieuwe, gedecentraliseerde radiostations.

Sedert de democratisering en om het proces van sociale ontwikkeling te versnellen is Mauritanië in 1994 gestart met een ambitieus programma van steun aan lokale radiozenders. Een eerste realisatie was de oprichting van Radio Barkeol (Aftout FM) in een streek waar de Guinee-worm enorme schade aan de gezondheid toebracht. De Guinee-worm of ‘Bourourtou’, zoals hij in de lokale taal heet, wordt verspreid door het drinken van niet-gefilterd vuil water. De voortplanting van de worm kan gemakkelijk stopgezet worden door educatie en door het water te filteren. Er bestaat een directe band tussen de verspreiding van de ziekte en het gebrek aan energie van de boeren om hun oogst binnen te halen. Dat heeft natuurlijk een grote weerslag op het familiale inkomen en zo op de gemeenschapsopbouw. Het radiostation was opgestart in de Provincie Assaba en in het departement van Barkeol, op ongeveer 600 km ten oosten van de hoofdstad Nouakchott, midden een uitgestrekt landbouwgebied waar twee etnieën, de Peul en de Arabieren, samenleven.

Het radiostation, gesteund door UNICEF, bestrijkt met zijn 100-watt zender een gebied van 3.000 vierkante kilometer en heeft een doelgroep van 70.000 mensen, meest vrouwen (49%) en jongeren (30%). Het zendt dagelijks uit gedurende vier uren. Bijna de helft van de programma’s (46%) is gewijd aan gemeenschapsthema’s, gaande van gezondheid en alfabetisering, over training en opvoeding, tot milieuproblemen. De rest van de programmering bestaat uit lokale muziek, nieuws, radiospelletjes en godsdienstige uitzendingen.

Een eerste evaluatie van de impact van het project toonde aan dat na acht maanden werking er een gevoelige daling was van het aantal slachtoffers van Guinee-worm en een stijging van het aantal kinderen dat volledig wormvrij was. De radioprogramma’s werden druk gevolgd en de evaluatie suggereerde dat een verandering van de uitzendtijd (van namiddag naar avond) het aantal luisteraars nog zou verhogen. Het was duidelijk dat de radio erin slaagde de gemeenschap te helpen om haar eigen problemen beter te verstaan en te verhelpen. De programma’s over de Guinee-worm en over vaccinatie hielpen 80% van de vrouwen de ziekte beter te begrijpen en hun gedrag aan te passen. UNICEF meldde bovendien dat het aantal immune kinderen vervijfvoudigd was (UNICEF Nouackchott, Internal Report, 1996).

Het radiostation heeft een staf van vijf producers, twee van Radio Mauritanië en drie van de gemeenschap. Het maakt gebruik van zonnepanelen om stroom op te wekken en van instrumenten aanbevolen door UNESCO. De kostprijs van een dergelijk station ligt bij de 38 miljoen ouguiya’s (272.000 dollar) en de werkingskosten belopen ongeveer 10 miljoen ouguiya’s (72.000 dollar). Ook al is het radiostation eerder gericht op de gemeenschap dan beheerd door de gemeenschap, toch is het een van de eerste die in West-Afrika opgericht werden uitsluitend om de sociale ontwikkeling te ondersteunen. Het heeft zijn luisteraars meer gezondheid gebracht en een grotere bekwaamheid om een inkomen te verwerven. Hoewel de gemeenschap meewerkt aan de uitzendingen en ze ook medefinanciert door het plaatsen van publiciteit, toch blijft Radio Mauritanië de belangrijkste actor.

Er is verder onderzoek nodig om de mate van betrokkenheid van de gemeenschap in het opmaken van het programma te bepalen en om de band met andere overheidsdiensten te verzekeren. Toch is het bewezen dat men met een betrekkelijk kleine investering een radiostation kan installeren dat de ontwikkeling (en niet de propaganda) ten goede komt.

Mali: stedelijke commerciële radio’s versterken de actie van de gemeenschap

Mali is een pionier van het radiopluralisme in West-Afrika en zelfs in heel Afrika. Het democratiseringsproces begon met de open rebellie van 26 maart 1991, toen jongeren de straat bezetten en het repressieve regime van Moussa Traore omverwierpen. De bloedige gebeurtenissen van die dagen leidden tot een nationale conferentie (naar het model van Benin enkele jaren vroeger) die de oprichting van privé-radiostations aanbeval. Twee doelstellingen werden nagestreefd: 1) de ethergolven vrijmaken zodat de burgers van Mali zich konden uitdrukken en 2) mediapluralisme te verzekeren als iets dat noodzakelijk

samengaat met democratisering. Dit proces leidde tot de oprichting van meer dan 30 stations (veruit het grootste aantal in de West-Afrikaanse landen) zowel in de steden als op het platteland. Ironisch genoeg is het aantal radio-ontvangers slechts 43 per duizend inwoners, veel minder dan het gemiddelde voor Sub-Sahara Afrika. (UNDP Human Development Report 1996)

Mali is een land waar de orale traditie sterk is (slechts 27% van de bevolking kan lezen en schrijven), waar de geschreven pers een eliteverschijnsel is en waar de televisie niet erg verspreid is en door de staat gemonopoliseerd (een studie van UNDP toonde aan dat er slechts één tv-toestel per duizend inwoners was – ten dele wegens gebrek aan elektriciteit). Radio is dus het aangewezen instrument om mediapluralisme voor de gemeenschappen te

verzekeren. In de Malinese hoofdstad kende de beweging een brede verspreiding: maar liefst veertien radiostations zenden vandaag uit. Enkele daarvan zijn louter commercieel, andere werden opgericht door gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties. Niettegenstaande het kleine aantal radiotoestellen, wees een studie van SOFRES/RFI in 1993 toch uit dat 96% van de gezinnen in Bamako naar de radio luisterde. We bekijken van naderbij het fenomeen van deze stadszenders die zichzelf graag ‘vrije radio’s’ noemen, verwijzend naar hun revolutionaire oorsprong.

Er is veel geschreven over radiostations op het platteland die werden opgericht met specifieke ontwikkelingsdoeleinden. Maar er is weinig geweten over de stadsradio’s. Meestal zijn zij zelfbedruipend aangezien ze niet zoveel belangstelling van donors genieten. Daarbij komt nog dat hun rol vaak verkeerd wordt ingeschat. Zij richten zich meestal tot de jeugd en kunnen zowel commerciële als gemeenschapsopbouwende zenders worden genoemd.

De adverteermarkt in Bamako is erg beperkt en daarom zijn de bezitters van radiostations verplicht om zelf voor hun budget in te staan. Spelen deze radiostations een openbare rol of zijn het eenvoudigweg handelsondernemingen die - om van de nood een deugd te maken - hun ziel verkopen aan bijvoorbeeld tabaksmerken of politieke partijen? Het antwoord op deze vraag blijft onzeker. Reken daarbij nog de gebrekkige opleiding van het radiopersoneel waardoor je problemen krijgt zoals het volkse taaltje dat gebruikt wordt. Ondanks deze problemen is er in Mali niet één radiostation ermee opgehouden sedert 1991 wegens financiële moeilijkheden. Er waren slechts enkele incidenten rond het gebruik van agressieve taal.

De stadsradiostations van Bamako bieden, net als hun collega’s op het platteland, een forum aan de stemlozen en verspreiden informatie (over vervoer, klinieken en de watervoorzieningen) die de luisteraars helpen in hun dagelijkse leven en nieuws brengen rond de belangrijkste sociale problemen, zoals AIDS en werkloosheid. Zij dragen ook bij tot de versterking van de culturele identiteit van de luisteraars door uit te zenden in de plaatselijke talen. Zij gebruiken traditie en cultuur als wegen naar het vinden van oplossingen voor sociale problemen. Dat verklaart dan ook waarom deze stations een breed en loyaal luisterpubliek hebben. Alhoewel hiervan geen harde cijfers bestaan (er zijn nauwelijks luisterenquêtes) is hun blijvende aanwezigheid een teken van hun populariteit.

Deze stadsradio’s doen het onderscheid tussen commerciële en communautaire radio’s vervagen. Meestal voelen de commerciële radiostations zich gedwongen om hun programma socialer te kleuren om beluisterd te worden en reclame-inkomsten te garanderen. De sporadische luisteronderzoeken in Bamako wezen uit dat sociale thema’s en ontwikkelingsprogramma’s boven aan de voorkeurlijst staan, gevolgd door amusement en muziek. Mensen die al lange tijd geen informatie meer gehad hebben, tenzij deze die door de staat wordt verspreid, zien uit naar programma’s die hun gemeenschapsleven stimuleren, eerder dan naar eenvoudige opvoedkundige of ontspannende programma’s.

Commerciële radio’s werden gedwongen om zich aan deze trend aan te passen. Ironisch genoeg voelen de radiostations die door NGO’s werden opgericht zich genoodzaakt om zich een commerciëler imago aan te meten om te overleven. Dat komt omdat donors minder belangstelling tonen voor stadsradio’s dan voor plattelandsradio’s. Anderzijds hebben de commerciële radio’s ingezien hoe zij hun klanten kunnen tevreden houden. Daarom hebben hun programma’s het over gemeenschapskwesties en dragen zij zo bij tot de versterking van de stadsbevolking.

Staan de Malinese radio moeilijkheden te wachten?

De radio zal een belangrijke rol blijven spelen in het versterken van het democratiseringsproces van de armere stadswijken. De rurale exodus en de werkloosheid zullen waarschijnlijk verder toenemen. Maar aangezien de stadsradio’s niet verbonden zijn met specifieke ontwikkelingsprojecten - zoals zo vaak wel het geval is bij plattelandsradio’s - zullen zij geconfronteerd worden met ernstige financiële problemen. Zij zijn nogal geïsoleerd op het internationale front (ondanks het bestaan van URTEL, een Malinees consortium van vrije radio en televisie). Daarbij komt nog dat hun personeel dringend aan training toe is.

Internationale organisaties zouden sterkere banden met de radiostations moeten uitbouwen, eerder dan die stations alleen maar te gebruiken voor informatiecampagnes. Die banden zouden vooreerst opgebouwd worden rond opleidingen en later uitgebreid worden tot institutionele overeenkomsten. Organisaties als UNICEF hebben al dergelijke overeenkomsten afgesloten met Mali en Benin. Die overeenkomsten vragen meer uitzendingen over kindgebonden onderwerpen, in ruil voor uitrusting en hulp bij opleidingen. Dit alles zou nog toegankelijker moeten worden.

De ervaring in Bamako leert dat commerciële radio’s in Mali enerzijds het democratiseringsproces versterken en anderzijds hun eigen statuut verbeteren. Deze radio’s genereren niet enkel inkomsten door het uitzenden van nieuws en muziek. Zij ondersteunen de behoeften van de gemeenschappen door kleinschalige uitzendingen. Deze inspanningen moeten worden ondersteund om te leiden tot een nog efficiëntere bijdrage. De steun kan gaan van technologische transfers of trainingssessies vanuit het Noorden tot uitwisselingsprogramma’s.

Zo startte in 1992 Radio Fréquence 3 in Bamako dankzij een plaatselijke handelaar met een beginkapitaal van 400.000 Franse Frank. In Bambara luidde de naam van het radiostation ‘Ladiklan’, wat ‘goede raad’ betekent. Een doorsnee dagrooster hield een programma in als ‘Werken met Muziek’, ter aanmoediging van jonge burgers die tijdelijk zijn aangeworven in een campagne tegen de werkloosheid. Er is ook het programma ‘Diagokela’ dat kleinhandelaars helpt om hun productiviteit op te drijven en ‘Gwa Dumam’ dat het heeft over de gezondheid van moeders en kinderen. Zestig procent van de uitzendingen van Ladiklan zijn in het Bambara. Het radiostation voorzag om in 1995, in samenwerking met de plaatselijke mensenrechtengroepen, iets te brengen over mensenrechten. De jaarlijkse werkingskosten bedragen ruw geschat 6.790.000 CFA. In 1993 waren de inkomsten niet meer dan 1.265.000 CFA.

Burkina: meer reikwijdte voor de ‘Naam’

Burkina Faso is één van de armste landen van West-Afrika. Al zijn sociale indicatoren zijn erg laag. Zo gaat 75% van de meisjes tussen 6 en 12 niet naar school. In 1993 bereikten slechts 23% van alle kinderen het einde van de lagere school. Op politiek vlak zijn er meer dan 60 partijen maar deze bieden weinig weerstand aan het regime van Blaise Compaore. In 1990 werd er persvrijheid toegestaan. Daardoor ontstond er een robuuste pers waaronder In 1993 waren de inkomsten niet een aantal sterke radiostations. Daarbij vormt Burkina Faso een goede humus voor de oprichting van doelgerichte organisaties. Zo bestaan er alleen al 15.000 boerenorganisaties.

Het democratiseringsproces in Burkina Faso startte in 1990. Het werd bevorderd door een institutionele decentralisatie. De Burkinabese overheid introduceerde de vrijheid van meningsuiting bij wet in 1990 waardoor een meer pluralistisch medialandschap ontstond. Verschillende dag- en weekbladen verschijnen regelmatig. Nieuwe privé-radiostations van allerlei soorten vullen de openbare radiostations aan.

Twee radio’s hebben een nationaal bereik: de Nationale Radio van Burkina en de Plattelandsradio die in 1986 werd opgericht. De eerste zendt vooral uit in het Frans, de tweede in 18 lokale talen waaronder Moore en Fulfulde (van de Mossi en de Peul) en Djula (de taal van de handelaars). In sommige streken, zoals in Yatenga, kan je nochtans deze post niet ontvangen. Er bestaan ook twee regionale, openbare radiostations (in Bobo en Gaoua) en een FM-station, de Regenboog, vooral bestemd voor het jongere publiek in Ouagadougou en Bobo Dialassou. Bovendien zenden ook nog zes plaatselijke, publieke FM-radiostations uit, verspreid over heel het land. Deze stations worden beheerd door een comité, ze verwerven inkomsten door publiciteit.

Enkele van de openbare omroepen (zoals de Stem van het Meer in Koungassi) hebben een merkwaardige geschiedenis achter de rug aangezien de betrokkenheid op de gemeenschap beperkt was. Volgens een PANOS-studie in 1994 had de gemeenschap niets te zeggen in de besluitvorming over de programma’s die dan ook eerder eenrichtingsverkeer dan een dialoog weerspiegelden. Deze benadering bleek op de lange duur niet zo efficiënt te zijn. Op Radio Trottoir, een programma met een ‘open microfoon’, wordt door bijna 90% van de luisteraars afgestemd. Maar sociale programma’s komen anders tot stand. Ook al draagt de gemeenschap bij door lidgelden en aankondigingen, toch worden de fondsen soms aangewend voor andere ontwikkelingsprojecten. De burgers zitten in een bestuurscomité, maar feitelijk wordt het radiostation bestuurd door een kleinere groep met als voorzitter een oudere ambtenaar met weinig betrokkenheid op de gemeenschap. In termen van economische haalbaarheid leerde de studie dat onder ideale omstandigheden het radiostation 3.000.000 CFA kon opbrengen door lidgelden en nog eens 240.000 CFA vanuit de gemeenschap door een georganiseerde club van luisteraars.

In 1991 startte Moustapha Thombiano een uitzonderlijk initiatief voor private commerciële radiostations met de hulp van de Voice of America. Hij organiseerde Horizon FM, een netwerk van kleine plaatselijke radio’s. Tegen 1994 groepeerde dit netwerk negen radiostations in randstedelijke en stedelijke gebieden. Er bestaan ook enkele niet-commerciële, plaatselijke radiostations zoals Radio Palabre en L’Arbre à Palabre. Deze worden door nationale en internationale NGO’s ondersteund.

La Voix du Paysan is een niet-commercieel radiostation dat werd opgericht voor de Naam-groepen. Doorgaans wordt het een associatief radiostation genoemd. Het is gevestigd in het hoofdkwartier van de federatie van Naam-groepen, een plaatselijke NGO in Ouahigouya. De Naam-groepen vormen een inheemse beweging die zich geleidelijk verspreidde in de Mossi-gemeenschappen en erkend werd als een federatie in 1978. Na dertig jaar ontwikkelt de vereniging zich nog steeds verder. Vandaag telt ze ongeveer 4700 groeperingen met 50.000 leden in meer dan 1180 dorpen. Deze groepen leven niet alleen verspreid over Burkina Faso (18 van de 30 provincies) maar ook in zeven buurlanden (Senegal, Gambia, Guinee Bissau, Mauritanië, Mali, Niger en Togo).

Het doel van de leider van de beweging, Bernard Ledea Ouedraogo, en van zijn team is weerstand te bieden aan de barre omgeving en de arme levensomstandigheden die typisch zijn voor het Yatengagebied in het Noorden van Burkina Faso. Droogte, hongersnood, ondervoeding en analfabetisme bedreigen daar het leven en veroorzaakten een massale exodus uit het platteland van de jonge boeren. De belangrijkste intuïtie van de oprichters van de groepen was dat duurzame ontwikkeling moet wortelen in de bestaande gemeenschapsstructuren en in de plaatselijke cultuur. Meer in het bijzonder moet het gaan om samenwerking via een sociale mobilisatie zonder het dorpsevenwicht te verstoren. Het afkondigen van richtlijnen van bovenuit, van vreemde ideeën over technische ontwikkeling en van externe hulp moest hoe dan ook worden vermeden.

De Kombi-Naam leek de best geplaatste om de gemeenschappen te mobiliseren. In vergelijking met andere groepen van wederzijds dienstbetoon boden zij aan alle leden van de gemeenschap dezelfde kansen zonder onderscheid van socio-economische, culturele en religieuze aard, zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen. Armen en rijken, notabelen en gewone dorpsbewoners of moslims en christenen die tot dezelfde leeftijdscategorie behoren, kunnen lid worden van de Kombi-Naam en bijdragen tot de gedeelde doelstellingen. Elk lid is verkiesbaar om een rol te spelen binnen de groep, al naargelang van het eigen karakter, temperament en mededeelzaamheid, al naargelang van de praktische vaardigheden en de technische bekwaamheid. Socio-economische solidariteit, loyauteit tegenover de gemeenschap en het respecteren van de regels en afspraken zijn de grondprincipes van deze basisvereniging. De sterkte en de zwakheden van de organisatorische en bestuurlijke structuren van de Kombi-Naam werden aangesproken toen de moderne Naam-groepen werden opgericht. Hun statuten werden aan de hedendaagse vereisten aangepast. Hun prioriteiten inzake inzet, training en vrijetijdsbesteding weerspiegelen de moderne ontwikkelingsbehoeften. De belangrijkste initiatieven van de Naam-groepen die meer en meer leden aantrokken, behelzen vormingsactiviteiten inzake milieu- en grondbeheer, de ontwikkeling van voedselzekerheid in het gezin, het organiseren van systemen die kleine inkomens genereren, sociale en culturele activiteiten en het stimuleren van integratie en groepssamenhang.

Hun succes trok wereldwijd belangstelling en overtuigde sommige donors (Danida, UNICEF en Oxfam) om de Naam te helpen bij het oprichten van hun eigen radiostations. Het doel was het vermeerderen van de kennis van de dorpsbewoners en de uitwisseling tussen de leden te intensifiëren. Het belangrijkste objectief van UNICEF was het kanaliseren van relevante boodschappen inzake het beïnvloeden van gedragspatronen en het intensifiëren van de vraag naar medische diensten. Het betrof een complementaire strategie, enerzijds voor de revitalisering van het gezondheidssysteem in het kader van het Bamako Initiatief en anderzijds voor alle inspanningen tot het voltooien en onderhouden van haalbare en betaalbare gezondheidsdoelen die bekend staan als de Mid Decade Goals voor kinderen.

De uitzendingen moesten verband houden met animatie en interpersoonlijke communicatie-activiteiten. Momenteel gebeurt dit door veertien technische teams die zijn aangesteld door de federatie van de Naam-groepen die verantwoordelijk zijn voor tussenkomsten inzake communicatie, water en sanitaire voorzieningen, woudbeheer, kredieten, marketing en vrouwenontwikkeling. De teams bestaan uit enkele technici en woordvoerders uit de dorpen. Het communicatieteam gebruikt sedert 1983 audiovisueel materiaal om discussies tijdens de dorpsontmoetingen te vereenvoudigen.

De zender van La Voix du Paysan bereikt een gebied van zeventig kilometer. Alles wordt geleid door een comité van gemeenschapsvertegenwoordigers, verenigingen en NGO’s en plaatselijke ambtenaren. Dit comité wijst de directeur en het programmatiecomité aan. De zendkosten worden betaald via commerciële activiteiten van de NGO-wereld en schenkingen van ontwikkelingsprojecten en individuen. Aangezien La Voix du Paysan een niet-commerciële zender is, kan de staat evengoed een bijdrage leveren. Het productieteam telt negen personen, vier vrouwen en vijf mannen en tien vrijwillige medewerkers.

Leden van de Naam-groepen nemen deel aan zowel dorpsactiviteiten als aan radiowerk en de dorpsbewoners worden uitgenodigd om hun meningen te laten horen of aankondigingen te doen over onderwerpen die lopen van landbouw over gezondheid tot voeding. Zij kunnen de mensen achter de microfoon contacteren of naar het radiogebouw komen.

Besluiten

Door de voorbeelden van deze drie landen krijgen wij zicht op de onderlinge verbanden tussen politiek pluralisme, de media en de versterking van de bevolking. Zonder democratisering zou een monolithische regering wellicht nog steeds de media controleren zonder ‘last’ te hebben van enige oppositie. Vandaag kan de gemiddelde West-Afrikaan een duidelijke keuze maken in wat hij of zij wil beluisteren en waarom. We mogen zeggen dat er een aanzienlijke vooruitgang is geboekt in termen van bereikbaarheid en reikwijdte. De grootste uitdaging bestaat erin dat de gemeenschap controle krijgt over de inhoud en dat de gemeenschappen hun eigen informatieproces efficiënter kunnen sturen.

Het Malinese voorbeeld leert ons dat een commerciële radio iets totaal anders betekent in de context van een verarmde samenleving. Commerciële radio’s overleven door zowel hun publiek als hun adverteerders tegemoet te komen. Zelfs als privé-radio’s aandacht schenken aan de gemeenschap, zal hun bijdrage voor het versterken van het democratiseringsproces eerder beperkt zijn. Burkina en Mali leren dat indien programma’s aantrekkelijk en interessant zijn voor gemeenschappen, mensen wel zullen luisteren. Met het laagste aantal radiotoestellen hebben deze twee landen toch het hoogste aantal privé-radiostations.

Het is te vroeg om te oordelen over de totale impact van de nieuwe radiostations op de sociale ontwikkeling en de gezondheid. Maar indien het voorbeeld van Mauritanië klopt dan weten wij dat het mogelijk is om de vooruitgang te bespoedigen door het gebruik van goedkopere radio. Of deze vooruitgang ook duurzaam is, hangt grotendeels af van de aard van de betrokkenheid van de gemeenschap. Het lot van sommige kleine stations in Burkina Faso leert ons dat de duurzaamheid een belangrijk thema is.

Wat kan de internationale gemeenschap doen in dit proces?

Radiostations hebben behoefte aan beleidssteun, training en uitrusting. Ontwikkelingsbanken kunnen de beleidshervormingen ondersteunen die nodig zijn om te verzekeren dat gemeenschapsradio’s gesubsidieerd worden door de regeringen en om ervoor te zorgen dat de budgetten voor de nationale radio voldoende aandacht besteden aan de kwetsbaarste groepen. Donors steunen dit proces reeds in Mali waar zowel USAID als UNICEF lokale radiostations helpen om te berichten over het democratiseringsproces en over de mensenrechtenconventies die het land ondertekende. Deze hulp betreft zowel de inhoud van de conventies als het verslaggevingsproces.

Internationale radiostations en NGO’s kunnen bijscholing mogelijk maken door het schenken van gebruikte en tweedehandse uitrusting van kleine FM-stations waarbij ontwikkelingsgroeperingen de vervoerskosten voor hun rekening zouden kunnen nemen. Deze uitrusting kan NGO’s in West-Afrika helpen om hun eigen radiostations voor de gemeenschappen op te richten.

Mediapluralisme leidt niet vanzelf tot het versterken van de gemeenschap. Het leidde niet in alle landen tot dezelfde resultaten. Mediapluralisme biedt echter nieuwe mogelijkheden om gemeenschappen te versterken met kennis over gezondheid, voeding en mensenrechten. Het kan door interactie ook bijdragen tot het overhevelen van bekwaamheden om die kennis te gebruiken. Het toepassingsgebied van dit potentieel is direct afhankelijk van de mate waarin de gemeenschap deelneemt aan het beheer en zodoende ook aan de inhoud van wat er wordt uitgezonden.

Bibliografische verwijzingen:

1. La viabilité des radios locales, Institut Panos, Paris 1994.

2. Etat des lieux de la radio rurale en Mauritanie, Abdallahi Bazeid, 1996

3. Etude de l’auditoire des radios régionales de Tahoua et de Zinder, février 1996, Office de Radiodiffusion du Niger avec GTZ.

4. Etude et dossier de projet, Danicom, Copenhague, novembre 1994

5. Final Evaluation Report Vitamin A Promotion Project, Republic of Niger with Academy for Educational Development (AED) and Helen Keller International, August 1995

6. Freedom for African Radios, Panos Institute with the West African Journalists Association, 1994.

7. Global Program on Aids, Document GPA/Dir/93.2, 1993 Geneva, Switzerland.

8. Human Ressources Development in Africa: To get Results on the Ground. 1995. Africa Region, The World Bank, Washington DC.

9. Issues arising from the Cotonou Trilogy, June 1993. M. Bouhafa, R. Knippenberg and Kiari Liman Tinguiri, UNICEF.

10. Les habitudes d’exposition aux médias audiovisuels en Mauritanie, octobre 1994, Ministère de la Communication, Projet MAU/90/PO1.

11. Media Assessment and Listnership Survey, Radio Gambia 1994.

12. Répertoire des radios privées et locales en Afrique de l’Ouest, août 1995.

13. Social Mobilisation at the Grassroots: Experiences from West Africa, UNICEF, 1996.

14. United Nations Development Program, Human Development Report 1996.

De auteur is medewerker van het ‘Center for Development Communication’. De artikel werd verrijkt met bijdragen van Savina Ammassari (Development Officer for Africa) en van Frédéric Bernard van Radio Suisse Internationale. Vertaald uit het Engels en ingekort door Marc Van Laere.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift