Mensenrechten: juridisering en universele consensus

Mensenrechten zijn per definitie universeel. Het zijn de rechten van alle mensen, waar ook ter wereld. Niet toevallig is de moedertekst van de internationale mensenrechten de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM,1948).

Eva Brems

MO*academy
Hoogleraar Universiteit Gent
1 december 2000
1. MENSENRECHTEN EN UNIVERSALITEIT

Mensenrechten zijn per definitie universeel. Het zijn de rechten van alle mensen, waar ook ter wereld. Niet toevallig is de moedertekst van de internationale mensenrechten de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM,1948).

De universaliteit van de mensenrechten is tegelijkertijd een evidentie en een gecontesteerd begrip. Dat mensenrechten gelden voor alle mensen, daar is zo goed als iedereen het over eens. Maar vaak wil men onder universaliteit meer verstaan dan formele algemene geldingskracht. Men stelt bijvoorbeeld dat de universaliteit van de mensenrechten betekent dat ze hun oorsprong vinden in alle menselijke samenlevingen en culturen. Of dat de internationale mensenrechtenteksten het product zijn van vertegenwoordigers van alle culturen. Dat is schromelijk overdreven. Hoewel er in de meeste culturen aanknopingspunten te vinden zijn met centrale mensenrechten, is de universele verklaring vanuit historisch perspectief in sterke mate geïnspireerd op de achttiende-eeuwse Europese rechtenverklaringen, die op hun beurt een product zijn van het westerse Verlichtingsdenken. De enkele niet-westerlingen die mee rond de tafel zaten, waren qua opleiding of achtergrond vaak in diezelfde filosofische sfeer te situeren, of hadden slechts beperkte invloed. Ook nadien, bij het opstellen van de tientallen internationale mensenrechtenverdragen en -verklaringen die na de UVRM gevolgd zijn, had het Westen vrijwel steeds het meest in de pap te brokken – niet verwonderlijk in het licht van de internationale machtsverhoudingen.

De hoofdzakelijk westerse oorsprong van de mensenrechten is op zichzelf geen beletsel voor hun universele geldingskracht. Wanneer iemand een goed idee heeft, kan niemand er iets op tegen hebben dat het zich over de wereld verspreidt. Wat wel een probleem vormt, is de westerse inkleuring van de mensenrechten die het rechtstreekse gevolg is van hun oorsprong. In het natuurrechtelijk denken ging men ervan uit dat de mensenrechten de rechten waren van ‘de’ abstracte mens en de uitdrukking van een universele menselijke natuur. Met andere woorden, mensenrechten zouden neutraal zijn ten overstaan van culturen, ideologieën en andere contexten. In de 21ste eeuw gelooft zo goed als niemand nog in de mogelijkheid van neutraliteit of contextloosheid. Zonder te twijfelen aan de goede wil van de opstellers van de UVRM kunnen we er niet omheen dat zij in hun opzet om de rechten van ‘de mens’ te vatten, niet anders konden dan deze te modelleren naar het soort mensen die zij zelf waren en die zij kenden, de dominante groep van het moment: blanke, welgestelde westerse mannen.

Naarmate niet-dominante groepen emanciperen, durven ze dan ook vragen stellen bij de universaliteit van de mensenrechten. Hun redenering is dat mensenrechten pas echt universeel zijn als ze op gelijke wijze uitdrukking zijn van en rekening houden met de noden, waarden en ervaringen van alle mensen.

Dit type van kritiek is vooral het jongste decennium sterk op de voorgrond gekomen. Met name op de Wereldconferentie Mensenrechten die de Verenigde Naties in 1993 in Wenen organiseerden, was dit een opvallend feit.

In de eerste plaats was er daar de kritiek van een aantal (Zuid-) Oost-Aziatische landen, die stelden dat de internationale mensenrechten te weinig rekening houden met hun specifieke culturele, economische en politieke context. Hun assertieve houding alarmeerde westerse mensenrechtenactivisten. Ze vreesden dat deze opstelling vooral bedoeld was als een strategie van autoritaire regeringen om internationale bemoeienis met de mensenrechtensituatie in hun land af te weren. Voor een stuk is dit inderdaad zo. Maar anderzijds is de sterke westerse oriëntering van de internationale mensenrechten een feit, dat ook door velen zonder banden met de macht als problematisch wordt ervaren. Vergelijkbare opvattingen –zij het vaak in een minder strijdbare vorm- vindt men ook terug in andere regio’s, voornamelijk in sub-Saharaans Afrika en in de Islamwereld. De discussie over universaliteit en diversiteit blijft één van de moeilijkste debatten in de internationale mensenrechtenwereld.

De conferentie in Wenen was ook het toneel van de eerste grote georganiseerde feministische actie rond mensenrechten. De vrouwenbeweging gaat uit van een vergelijkbare vaststelling: mensenrechten zijn al te zeer gericht op een mannelijke leefwereld. Opdat ze werkelijk universeel zouden zijn, moeten ze rekening houden met de specifieke problemen en visies van vrouwen. In tegenstelling tot de Aziatische kritiek, werd die van de feministen vrij positief onthaald in de mensenrechtenwereld. Het ‘mainstreamen’ van een ‘genderperspectief’ is volop aan de orde.

2. MENSENRECHTEN EN JURIDISERING

2.1. Beperkt belang van juridische afdwinging van mensenrechten

Mensenrechten zijn niet in de eerste plaats juridisch. De bekendste internationale mensenrechtentekst –de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens- is slechts een ‘verklaring’, met de juridische waarde van een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het is geen verdrag, en daarom niet bindend. Toch is het een enorm gezaghebbende tekst. Het gezag van de mensenrechten is allereerst een moreel gezag. Door middel van de mensenrechten wordt uitdrukking gegeven aan fundamentele waarden. In dat opzicht zijn mensenrechten een ideologie. Soms worden ze zelfs een seculiere religie genoemd. Het is in elk geval een succesvolle ideologie: niet alleen zie je dat overal ter wereld achtergestelde en verdrukte individu’s en groepen zich erop beroepen, maar ook dat zo goed als alle machthebbers er op zijn minst lippendienst aan bewijzen. Een dictator die door een ngo wordt aangesproken op mensenrechtenschendingen in zijn land ontkent doorgaans de feiten, of voert uitzonderlijke omstandigheden aan, of klaagt dat alleen hij geviseerd wordt en een heleboel andere schenders niet. Zo goed als nooit echter trekt hij de geldigheid in twijfel van de mensenrechten als maatstaf om overheidshandelen te beoordelen.

Daarnaast is het gezag van de mensenrechten ook politiek van aard. Internationale organisaties (de Verenigde Naties, de Europese Unie) en individuele staten zijn steeds meer geneigd om gevolgen te verbinden aan zware mensenrechtenschendingen. Die gevolgen gaan van het bevriezen of terugschroeven van economische relaties of ontwikkelingshulp over zware sancties zoals uitvoerverboden tot zelfs militaire interventies.

De afdwinging van mensenrechten doet dan ook in grote mate een beroep op hun ethische en politieke kracht, eerder dan op juridische mechanismen. De efficiëntste campagnes klagen schendingen van mensenrechten aan door ze openbaar te maken, en zo de publieke opinie te mobiliseren, die op haar beurt voor druk op politici zorgt. In de regel zijn mensenrechtenschenders bang voor negatieve publiciteit. Zelfs waar gerechtelijke procedures worden ingespannen, lijden ze vaak meer schade door de publiciteit die daarmee gepaard gaat dan door een negatief vonnis. Negatieve publiciteit schaadt op intern vlak: de eigen onderdanen dreigen in opstand te komen, oppositiekrachten worden versterkt, enzovoort. Ze schaadt ook op extern vlak: zelfs als er geen formele sancties komen, wordt het land minder aantrekkelijk voor toeristen en investeerders, en worden zijn politici en vertegenwoordigers op internationale fora als paria’s behandeld.

2.2. Overzicht van de juridische afdwinging van mensenrechten

Hoewel mensenrechten dus niet in hoofdzaak juridisch zijn, kiest men er heel vaak voor om mensenrechten in juridisch bindende teksten op te nemen: internationale verdragen en nationale (grond-)wetten. Dit versterkt nog hun moreel en politiek gezag, en opent bovendien de mogelijkheid van afdwinging voor een rechter.

a) De gewone nationale rechter

Dat gebeurt in de eerste plaats in de gewone rechtszaal, bij de nationale rechters. Die passen natuurlijk de mensenrechten toe die in de grondwet en in de gewone wetten en besluiten staan. Maar vaak passen ze ook rechtstreeks de bepalingen toe van internationale mensenrechtenverdragen. Sommige landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, aanvaarden dit principieel niet: zij hebben een dualistisch stelsel, waarbij internationaal en nationaal recht gescheiden zijn. Andere landen, zoals België, zijn monistisch, wat wil zeggen dat rechtstreeks werkende bepalingen van internationale verdragen in het interne recht gewoon gelden alsof het interne regels waren, en dat ze zelfs voorrang hebben op de nationale wetten. Of een bepaling rechtstreeks werkend is, wordt meestal bepaald door de rechters, die daarbij vooral nagaan of de regel voldoende nauwkeurig is om te worden toegepast zonder verdere uitwerking in interne wetten of besluiten.

Een recent fenomeen is de zogenaamde extraterritoriale jurisdictie van nationale rechtscolleges in verband met mensenrechtenschendingen. In de wetgeving van een heleboel landen, waaronder ook België, is het mogelijk om een proces aan te spannen wegens mensenrechtenschendingen die in een ander land zijn gepleegd. Vaak is vereist dat de dader of het slachtoffer een band heeft met het land waarin het rechtscollege zetelt, maar zelfs dat is niet altijd het geval.

b) Internationale rechtscolleges

Toegang tot internationale rechtscolleges is er meestal pas nadat de procedure voor de interne rechtscolleges helemaal (dus inclusief hoger beroep) is doorlopen.

- regionale mensenrechtenrechters

De voornaamste internationale mensenrechtenrechters vind je in regionale verbanden. Naast universele mensenrechtenverdragen zijn er namelijk ook belangrijke regionale mensenrechtenverdragen afgesloten in Europa, Amerika en Afrika. Bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, 1950), dat in het kader van de Raad van Europa te situeren is, hoort het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dit is ongetwijfeld het best werkende internationale rechtscollege voor mensenrechten. Op het Inter-Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (1969) , afgesloten binnen de Organisatie voor Amerikaanse Staten, houden een Commissie en een Hof toezicht. Op het eerste gezicht is dat mechanisme gelijkaardig aan het Europese. Het werkt echter veel minder goed, omdat minder staten de jurisdictie van deze organen erkennen, omdat de aard van de schendingen vaak veel ernstiger is dan in Europa, en de houding van de betrokken staat ook vaak minder coöperatief. Tenslotte is er in Afrika binnen de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid het Afrikaans Handvest voor de Mensenrechten en de Rechten van Volkeren (1981). Hierop wordt toezicht gehouden door een Commissie en binnenkort ook door een Hof. Dit systeem is echter nog jong (het Handvest is in werking sinds 1986), en de Commissie heeft tot nu toe nog niet de kans gehad om een belangrijke rol te spelen.

- universele mensenrechtenrechters

Op universeel vlak bestaat er in feite geen internationaal rechtscollege voor de mensenrechten. Het dichtst in de buurt komen de internationale straftribunalen en de toezichthoudende comités onder specifieke verdragen.

straftribunalen

De reeds bestaande internationale straftribunalen hebben een bevoegdheid die beperkt is tot een bepaald internationaal conflict: Rwanda (Arusha) en voormalig Joegoslavië (Den Haag). In vergelijking daarmee krijgt het nog op te richten Permanent Internationaal Strafhof een algemene bevoegdheid, in de zin dat het zich uitstrekt over alle landen die zich aansluiten. Dergelijke tribunalen oordelen echter geenszins over alle soorten van mensenrechtenschendingen. Zij passen het internationaal strafrecht toe, evenals het internationaal humanitair recht, dat enkel van toepassing is bij conflicten. Slechts een beperkt aantal zeer grove mensenrechtenschendingen vallen hieronder.

quasi-juridische procedures

Daarnaast bestaat onder een aantal mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een toezichthoudend comité. Men noemt dit quasi-juridische procedures, omdat deze comités geen rechtscolleges zijn en hun uitspraken dus ook geen bindende vonnissen. Bovendien zijn staten die zich aansluiten bij een verdrag niet verplicht om tevens het individuele klachtrecht te erkennen, en vele doen dit niet. Dergelijke klachtenprocedures bestaan bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966), het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1966), het Verdrag tegen Foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (1984) en weldra ook bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (1979).

Het eerst genoemde comité, het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, benadert het dichtst een universele mensenrechtenrechtbank, omdat het bij een verdrag hoort dat een breed scala aan mensenrechten omvat, ongeveer dezelfde overigens als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Een klacht voor een rechtscollege is in feite niet de ideale manier om wantoestanden te verhelpen, zeker niet wanneer die structureel zijn. De rechter beoordeelt immers slechts een individueel geval, waarvan de concrete omstandigheden een belangrijke rol kunnen spelen. Bovendien beperken internationale rechtscolleges zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich tot het vaststellen van een schending en eventueel het opleggen van een schadevergoeding. Ze schrijven geen verdere remedie voor. De ervaring die is opgedaan met het Europees Hof toont echter aan dat individuele dossiers kunnen leiden tot structurele oplossingen, bijvoorbeeld door aanpassing van de wetgeving. Het klassieke voorbeeld is de veroordeling van België in de zaak Marckx (1979), waarna ons land haar wetgeving heeft aangepast om discriminaties tegen ‘onwettige kinderen’ te verwijderen.

3. JURIDISERING VAN AFDWINGINGSMECHANISMEN ZET UNIVERSALITEIT ONDER DRUK

3.1. Mensenrechten met tanden

De internationale mensenrechten zijn een halve eeuw jong en in voortdurende ontwikkeling. Lange tijd drukte de groei zich hoofdzakelijk uit in een stijging van het aantal verdragen en verklaringen. Er blijven er nog steeds bijkomen, maar tegenwoordig is men er zich scherp van bewust dat je de mensenrechtensituatie in de wereld niet zozeer verbetert door meer regels te maken, maar eerder door tanden te geven aan de bestaande regels. Daarom komt nu meer nadruk te liggen op de juridische afdwinging van mensenrechten, in de eerste plaats door de bestraffing van daders van mensenrechtenschendingen. De duidelijkste uitdrukkingen van die tendens zijn de internationale straftribunalen en de extraterritoriale jurisdictie van nationale rechtscolleges. De massale steun van de publieke opinie voor de berechting van de Chileense ex-dictator Pinochet in Spanje spreekt voor zich. Het werk van mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International, dat zich in hoofdzaak op individuele slachtoffers richtte, krijgt er een nieuwe focus bij, op de individuele daders. ‘Namen noemen’ is de nieuwe benadering en straffeloosheid van daders het te bestrijden kwaad.

Men kan bij deze tendens allerlei bedenkingen maken. Dat het tijd werd dat mensenrechten uit de ‘softe’ sfeer kwamen bijvoorbeeld. Maar anderzijds ook dat de nadruk op een repressieve benadering niet ten koste mag gaan van de inspanningen op het vlak van de preventie van mensenrechtenschendingen. In deze bijdrage wordt de vraag gesteld naar de invloed van de toenemende juridische afdwinging van mensenrechten op de consensus over hun universaliteit.

3.2. Een kwestie van vertrouwen in de rechter

Het is namelijk veel makkelijker om het eens te zijn over een algemeen geformuleerde norm (bijvoorbeeld ‘Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting, maar dit recht kan beperkt worden ter bescherming van de eer en goede naam van anderen’) dan over de concrete interpretatie en toepassing ervan. Mensenrechtenverdragen en –verklaringen zijn het werk van diplomaten. Vaak laten ze ruimte voor uiteenlopende interpretaties en is dat precies de reden waarom ze een ruime steun genieten. Een rechter die een specifiek geval te behandelen krijgt, moet echter de knoop doorhakken. De bestraffing van een journalist wegens laster is ofwel een schending van diens vrijheid van meningsuiting, ofwel niet. Hoe een rechter een concrete zaak gaat beoordelen is vaak moeilijk op voorhand te voorspellen. Als je dus wilt dat de internationale consensus, die bestaat over een mensenrechtennorm, zich vertaalt in steun voor de uitspraken van een rechtscollege dat die norm interpreteert en toepast, komt het erop aan bij regeringen en bij het brede publiek vertrouwen te creëren in dat rechtscollege.

Regeringen hebben het vaak al moeilijk om hun eigen rechterlijke macht te vertrouwen. In monistische systemen oordelen de rechters of een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft en interpreteren ze die dan ook nog eens. De scheiding der machten maakt dat de rechters hier autonoom in zijn. Angst voor de ongewenste gevolgen van verregaande interpretaties maakt dat sommige regeringen bepaalde verdragen niet ratificeren of dat ze belangrijk voorbehoud maken. Zo weigert België om de Kaderconventie over de bescherming van nationale minderheden (Raad van Europa, 1995) te ratificeren. Hoewel de bewoordingen van dit verdrag het zeer onwaarschijnlijk maken dat een rechter er rechtstreekse werking aan toekent, zijn onze regeerders bang dat dit toch zou gebeuren, en dat die rechter Vlamingen en/of Walen als ‘nationale minderheden’ zou kwalificeren. Indien dat gebeurt zouden bepaalde Belgische regels in strijd met het verdrag geoordeeld kunnen worden en zou de communautaire vrede in het gedrang kunnen komen.

Vertrouwen in de rechterlijke macht van een ander land is nog moeilijker. Pinochet voor een Spaanse rechter brengen mag dan al een schitterend idee lijken, de vraag rijst toch hoe consequent onze houding zou zijn als ons ‘eigen volk’ in een exotisch buitenland zou terechtstaan voor mensenrechtenschendingen. Zijn we even enthousiast als Belgische blauwhelmen in Somalië zouden worden berecht? Of zelfs in Spanje?

Als het om een internationaal rechtscollege gaat, houdt een groot deel van het wantrouwen rechtstreeks verband met de eerder geschetste kritiek op de universaliteitspretentie van mensenrechten. Aziaten en Afrikanen hebben reden om te vrezen dat de praktijk van een internationaal rechtscollege de machtsverhoudingen in de wereld zou weerspiegelen en dat hun via die weg westerse interpretaties van de mensenrechten zouden worden opgedrongen. westerlingen van hun kant kunnen juist vrezen dat hun interpretaties niet altijd de bovenhand zouden halen, omdat in internationale rechtscolleges rechters zetelen uit alle werelddelen en omdat de onafhankelijkheid van een rechtscollege het moeilijk maakt om er vat op te krijgen. In de internationale (quasi-) juridische rechtsbescherming die thans bestaat, wordt dit probleem op verschillende manieren vermeden.

Regionale rechtscolleges bestrijken een min of meer homogeen gebied en krijgen daardoor slechts in beperkte mate te maken met uiteenlopende interpretaties van mensenrechten. Met name het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beroept zich uitdrukkelijk op een gemeenschappelijk Europees democratisch erfgoed.

Internationale straftribunalen oordelen enkel over zeer grove schendingen. Hoe flagranter de feiten, hoe minder discussie er over bestaat. Iedereen is het erover eens dat burgers niet mogen worden uitgemoord en dat gevangenen niet mogen worden gefolterd. Meningsverschillen over de interpretatie van mensenrechten ontstaan pas waar de normen moeten worden geïnterpreteerd, wat nauwelijks het geval is bij zeer grove schendingen.

De quasi-juridische mechanismen tenslotte vermijden conflicten enerzijds doordat ze niet in een bindend vonnis resulteren en dus niet zo uitdrukkelijk knopen doorhakken, en anderzijds door erg vaag te blijven in de motivering van hun uitspraak.

Hoewel de bedreiging voor diversiteit die uitgaat van de bestaande internationale afdwingingsmechanismen dus erg beperkt blijft, stelt men niettemin vast dat veel staten weigeren zich er bij aan te sluiten.

4. JURIDISERING ALS HEFBOOM VOOR INCLUSIEVE UNIVERSALITEIT

Moeten niet-dominante groepen, zoals bijvoorbeeld vrouwen en niet-westerse culturen, de verdere juridisering van de mensenrechten schuwen, omdat sterkere afdwingingsmechanismen leiden tot sterkere opdringing van een dominante visie op mensenrechten, en dus tot minder ruimte voor diversiteit?

Ik zou het tegendeel willen argumenteren.

Er worden sowieso oordelen geveld over inbreuken op mensenrechten. Als het geen juridisch oordeel is van een rechter, is het wel een politiek of ethisch oordeel van bijvoorbeeld een ngo, een regering of een internationale organisatie.

Voor een niet-dominante groep die haar anders-zijn wil laten gelden binnen de mensenrechten, heeft een juridisch forum een aantal voordelen. Deze hebben enerzijds te maken met de typische juridische redeneerwijze en technieken en anderzijds met het gezag dat verbonden is aan een juridisch oordeel.

4.1. Juridische redeneerwijze en technieken

Mijn uitgangspunt is dat de universaliteit van de mensenrechten een inclusieve universaliteit moet zijn. Dit betekent dat het niet volstaat de mensenrechten die grotendeels in het Westen zijn ontwikkeld ook daarbuiten toe te passen. Inclusieve universaliteit vereist dat alle mensen evenveel inbreng hebben in de definitie van wat mensenrechten zijn en hoe ze moeten worden toegepast. Daarom moet men de kritiek van niet-dominante groepen op het dominante mensenrechtendiscours ernstig nemen en moet men trachten om mensenrechten meer rekening te laten houden met de specifieke levensomstandigheden, noden en ervaringen van deze mensen. Wat dat inhoudt brengen zij zelf aan. Zowel Aziaten als Afrikanen vragen bijvoorbeeld om minder nadruk op het individu en meer aandacht voor de groepsdimensie van het menselijk leven. Vanuit feministische hoek wordt er dan weer sterk op aangedrongen om geen onderscheid te maken tussen schendingen die begaan worden door overheidsagenten en schendingen door privépersonen.

In de mensenrechtenwereld is men nogal huiverig om in te gaan op dit soort vragen. Riskeert men niet de mensenrechten te ondermijnen als men toestaat dat een groepsbelang soms opweegt tegen een individueel recht? En een schending door een privé-persoon, is dat niet gewoon een zaak voor het strafrecht? Waar moet dat eindigen?

Het voordeel van een juridische benadering ligt erin dat je deze vrees kunt wegnemen. In juridische termen kan men namelijk de marge afbakenen waarbinnen diversiteit een rol kan spelen en kan men nieuwe types van schendingen zorgvuldig definiëren. Het recht maakt het dus mogelijk enerzijds de ruimte te creëren waarin niet-dominante perspectieven aan bod kunnen komen, en die anderzijds te beperken, zodat het in rekening brengen van diversiteit niet kan leiden tot een ondermijning van de universaliteit van de mensenrechten.

Een voorbeeldje. Hoewel de mensenrechten in hoofdzaak individuele rechten zijn, is de groepsdimensie zeker niet afwezig. In juridische termen is het zo dat een inperking van het genot van een individueel recht niet altijd een schending van dat recht uitmaakt. Inperkingen kunnen verantwoord zijn ter bescherming van de rechten van anderen of ter bescherming van een collectief belang, zoals de openbare orde, het economisch welzijn of de goede zeden. De rechter onderzoekt of er zo’n belang in het geding is en of de inperking evenredig is met het doel van de bescherming van dat belang. Welnu, het is perfect mogelijk dat naar gelang de culturele, economische of politieke context de invulling van dit groepsbelang verschilt, evenals het gewicht dat de rechter eraan toekent. Op die manier kunnen dezelfde feiten in het ene land een schending van de mensenrechten uitmaken en in het andere land niet. Dit brengt echter de universaliteit van de mensenrechtennorm niet in het gedrang. Dergelijke verschillen in interpretatie worden zelfs binnen de Europese context aanvaard. Het Europees Hof spreekt dan van een ‘appreciatiemarge van de lidstaten’. Zo kan het aanvaardbaar zijn dat een film, een boek of een kunstwerk dat elders vrij circuleert, in een bepaald land gecensureerd wordt, omdat de opvattingen over goede zeden in dat land nu eenmaal anders liggen. Deze marge voor diversiteit is echter niet onbeperkt. Het Europees Hof behoudt het laatste woord.

4.2. Het gezag van het recht

Een ander voordeel van de juridische afdwinging van mensenrechten is het gezag dat juridische oordelen genieten. Een politiek of moreel oordeel is nooit hét juiste oordeel, omdat er evenveel oordelen mogelijk zijn als er politieke of ideologische strekkingen zijn. Mensenrechtenjuristen weten dat vele zaken ook tot uiteenlopende juridisch correcte uitkomsten kunnen leiden. Dit is echter niet de algemene perceptie. Een arrest van een belangrijk rechtscollege geniet een aura van objectiviteit: het wordt gezien als dé juridisch juiste oplossing.

Voor niet-dominante groepen die hun stem willen laten horen binnen de mensenrechten is dit een tweesnijdend zwaard. Wanneer rechters weigeren rekening te houden met hun eigenheid, wordt het erg moeilijk om ertegen op te boksen. Maar anderzijds is het essentieel dat ze ook op dit forum hun strijd voeren. En wanneer ze daar een overwinning behalen, is dan ook een grote stap gezet. Dat ervoer de feministische mensenrechtenlobby in haar campagne tegen seksueel geweld. Dankzij haar gerichte inspanningen op juridische fora is sinds enkele jaren in juridische termen erkend dat verkrachting door overheidsagenten een vorm van foltering is, onder meer in uitspraken van de Inter-Amerikaanse mensenrechtencommissie en het Europees Hof. Ook de statuten en de praktijk van de internationale straftribunalen, vooral dat voor voormalig Joegoslavië, zijn baanbrekend op het vlak van de kwalificatie van vormen van seksueel geweld als oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen.

4.3. Extraterritoriale jurisdictie

Een knelpunt is echter de extraterritoriale jurisdictie van nationale rechtscolleges. De specifieke context van het land waarbinnen het rechtscollege werkt kan het moeilijk maken om rekening te houden met die van het land waar de schending is begaan. Vanuit het standpunt van inclusieve universaliteit lijkt het dan ook best om extraterritoriale jurisdictie te beperken tot zeer zware mensenrechtenschendingen, waarbij contextuele specificiteit geen rol speelt. Maar zelfs dan blijft het vaak problematisch. Niet alleen de interpretatie van internationale normen kan een probleem vormen, maar ook de beslissing zelf tot juridische actie. Neem bijvoorbeeld Zuid-Afrika. De politici en de bevolking van dat land hebben ervoor gekozen het apartheidsverleden aan te pakken door middel van een Waarheids- en Verzoeningscommissie, met de mogelijkheid tot het verlenen van amnestie. Met andere woorden, vele zware mensenrechtenschenders uit die periode blijven ongestraft. Hebben magistraten in andere landen dan het recht om die mensen toch te laten aanhouden en te vervolgen?

5. SAMENVATTING

Een toename van de internationale juridische afdwinging van mensenrechten zet de consensus over de universaliteit van de mensenrechten onder druk. Afdwinging vereist namelijk interpretatie en over concrete interpretaties bestaat er vaak geen consensus. Indien men streeft naar inclusieve universaliteit door het ernstig nemen van interpretaties van niet-dominante groepen, kan men het echter ook anders bekijken. Zowel de specifieke juridische redeneerwijze en technieken als het gezag van juridische oordelen kunnen een hefboom zijn voor het in rekening brengen van hun visies op mensenrechten.

Eva Brems is docent mensenrechten aan de Universiteit Gent. Haar proefschrift (KULeuven, 1999) handelt over ‘Human Rights: Universality and Diversity’.

LEES OOK

© Roof Food
Groenten en fruit telen op stadsdaken en ze als hapjes via cateringdiensten aanbieden?
US Army Africa (CC BY 2.0)
Nog steeds sterven elke dag zevenduizend baby’s, zegt een rapport van Unicef dat gisteren werd gelanceerd.
Nick Harris (CC BY-ND 2.0)
Miljoenen mensen in ontwikkelingslanden lijden onnodig pijn door gebrekkige (palliatieve) zorg.
© Luc Vankrunkelsven
Het Noord-Oosten van Brazilië beleeft weer een jarenlange droogte. Het weinige water dat er is, vloeit naar de exportgerichte landbouw en garnalenteelt. Sociale bewegingen komen in verzet.