Migranten in Marokko: Verschoppelingen in niemandsland

Marokko is een transitland voor vluchtelingen uit sub-Saharaans Afrika op weg naar Europa. Maar omdat de oversteek naar het Europese vasteland moeilijker en duurder is geworden, blijven meer en meer clandestiene migranten jarenlang in Marokko hangen. Aan de hand van acht portretten schetst Stefaan Anrys het alledaagse leven van de sans-papiers.
  • Pedro Sara RAZZIA: Wie in het dennenbos wordt opgepakt, belandt in de cel en wordt gedeporteerd naar de woestijnstrook tussen Algerije en Marokko. Pedro Sara
Abdullah, de bedelaar
Sinds hij in Tanger woont, is Abdullah al enkele keren aangehouden door de politie. ‘Ze hebben me altijd vrijgelaten omdat ik gewond ben’, zegt de Sierra Leonees en hij stroopt prompt zijn broekspijpen op. ‘Hier is een kogel doorgegaan,’ wijst hij op zijn rechterknie, ‘en daar nog één’, terwijl hij zijn andere been vol littekens toont. Abdullah (24) is één van de clandestiene sub-Saharaanse Afrikanen die een verdoken leven leiden in de Marokkaanse havenstad Tanger.
Voor zijn reis door Ghana, Mali en Algerije heeft Abdullah zowat duizend euro moeten ophoesten. Om de plas richting Europa over te steken, moet hij nog eens 2500 euro zien bijeen te sprokkelen. Zoveel heeft zijn jongere broer althans betaald, toen die vorige week met zestig andere vluchtelingen in een zodiak inscheepte richting Spaanse kust.
In de buitenwijk Haouma Chouk heeft Abdullah een kamertje met een toilet, een stopcontact om te koken, een bed, en een deur die op slot kan. Voor een slordige duizend dirham (ongeveer negentig euro) per maand niet echt een koopje, weet een makelaar uit Tanger. ‘De gangbare huurprijzen voor zo’n kamertje schommelen tussen de vijftig en zeventig euro. Maar wie verhuurt aan mensen zonder papieren, riskeert een boete. Met de meerprijs kan dan eventueel het smeergeld betaald worden als de flikken erop uit komen.’
Abdullah hoopt dat zijn broer hem af en toe geld zal toesturen nu die in Europa is. Anders zal hij verder van de bedelstaf moeten leven. Abdullah heeft een vast bedelplekje, niet ver van de Avenue Mohammed VI, ruim een uur lopen van zijn appartementje. ‘Bedelen is een schande’, geeft hij als reden waarom hij zover van huis staat te bedelen. ‘Hier kennen de mensen mij niet, snap je?’
In het centrum krijgt hij wel eens een duw of schop, of wordt hij uitgemaakt in een voor hem onverstaanbaar Arabisch. Verwijten als azay (zwarte) of zeitun (olijf) zijn niet van de lucht. Sommige voorbijgangers vragen Abdullah zelfs met opzet hoe laat het is, zodat hij zijn linkermouw moet opstropen. Zo drukken ze hem nog eens met zijn neus op de feiten: Abdullah is zwart.
Charif, de geheim agent
‘Ik bewonder het geduld waarmee ze elke dag weer gaan werken,’ zegt geheim agent Charif, ‘want zo zien zij het. Zij beschouwen bedelen als hun werk. Veel meer dan wat water en een sandwich met wat vis hebben ze niet nodig. De rest sparen ze voor de mensensmokkelaar. Natuurlijk hebben ze ook andere manieren om aan geld te komen: oplichting, valsmunterij en  handel in goud, diamanten en drugs. Heel wat Afrikanen zitten op een of andere manier in een netwerk, als is het maar omdat ze drinkgeld krijgen toegestopt als ze een kandidaat-vluchteling aanbrengen bij een smokkelaar of een huisjesmelker. Een behoorlijke job, in ‘t wit, zit er voorlopig niet in. De wet laat dat de facto niet toe.’
Hoewel aanvankelijk op zijn hoede, praat Charif erg open over zijn activiteiten bij de immigratiepolitie. ‘De massale droppings van Zwart-Afrikanen in de woestijn tussen Algerije en Marokko, die in 2005 de wereldpers haalden, zijn voorbij. Maar de arrestaties en uitzettingen gaan door. Nog elke dag.’ Toch gaat Marokko daarbij volgens Charif met omzichtigheid en begrip tewerk. ‘Zwangere vrouwen of vrouwen met kinderen mogen meestal blijven. Mannen echter belanden meestal op een trein of bus richting Oujda.’ Een Marokkaan die onderdak verschaft aan een clandestien, krijgt eerst een waarschuwing. ‘De Koran zegt dat je passanten eten en onderdak moet geven.’ Dat bloedeigen Marokkanen dezelfde strijd voor papieren in Europa voeren, maakt Charif milder. ‘Want zitten we niet in hetzelfde schuitje?’
Hakim, de huisjesmelker
Sinds de Marokkaanse ordediensten op vraag van Europa de noordelijke grens hebben beveiligd, zijn de Zwart-Afrikanen vrijwel uit het straatbeeld van Tanger verdwenen. Je ziet ze nog wel aan de moskee, zeker na het vrijdaggebed. Anderen verstoppen zich in volkswijken, op bouwwerven of tonen zich alleen bij het krieken van de dag, om etenswaren te lossen en laden.
‘Tien jaar geleden zag Tanger er helemaal anders uit’, zegt Hakim. ‘Toen zaten de pensions van de medina vol met zwarten. Afrikanen dreven handel met de winkeliers, verkochten goud aan juweliers of stalen van toeristen en Marokkanen.’  Truckchauffeur Hakim gaf tijdens de hoogdagen van illegale immigratie onderdak aan illegalen, in een huis aan de kust. ‘Meestal woonden er een twaalftal Afrikanen in mijn huis. Veel langer dan een maand moesten ze niet wachten op de volgende boot naar Europa.’ Voor zijn huurders was Hakim naar eigen zeggen mild: ‘Als ik zag dat ze echt niets hadden, hoefden ze niet te betalen. Maar toen ik merkte dat ze aan de eigenaar van de bootjes altijd wél konden betalen, ben ik mij harder gaan opstellen. Nu nog heb ik de indruk dat sub-Saharaans Afrikanen proberen te profiteren van hun huidskleur: om medelijden op te wekken en zich in een slachtofferrol te wentelen.’
Voor talloze inwoners van Tanger en omstreken waren de migranten een aardige bijverdienste. Niet meer, niet minder. In de wijk Val Fleuri woonden tot voor kort een tiental sans-papiers in een garage. Navraag in de biljartzaal om de hoek leert dat de huisbaas zijn eigen huurders twee weken geleden heeft laten oppakken. ‘Ze hadden op een avond teveel gedronken en het nogal bont gemaakt’, zegt de uitbater van de biljart. ‘De huisbaas heeft de flikken gebeld.’
Hicham, de mensenrechtenactivist
Wie in Marokko zonder papieren betrapt wordt en niet linea recta naar zijn land van oorsprong wordt gestuurd, belandt steevast op een bus of trein richting Oujda, een stad aan de Marokkaans-Algerijnse grens. Hicham Baraka vecht er met zijn Association Beni Znassen pour la Culture, le Développement et la Solidarité (ABCDS) voor de rechten van zwarte migranten. Volgens ramingen van de mensenrechtenorganisatie leven in en rond Oujda 1400 tot 2000 zwarte illegalen.
‘Zodra de cellen in Oujda gevuld zijn, rijdt een konvooi de onfortuinlijke migranten naar het niemandsland tussen Algerije en Marokko. In de woestijnstrook tussen Maghnia en Oujda worden ze ‘s nachts aan hun lot overgelaten. Maar Algerije wil ze natuurlijk niet terug en de militairen schieten zelfs met scherp op de dolende nachtwandelaars.’ Te voet trachten de gedropte gevangenen dan om een boog rond de Marokkaanse grenswachten heen terug te lopen, om uren later te stranden in de tranquilo’s of schuiloorden van Oujda: in de woestijn, in het bos, op de universiteitscampus of langs de grote baan die van de grens weg leidt. Van daaruit zullen de pechvogels met alle middelen andere steden in Marokko trachten te bereiken, hetzij om alweer het ruime sop te kiezen, hetzij om de nodige centen bijeen te schrapen in afwachting van.
Zes uur ’s avonds. In het dennenbos hangt een penetrante geur van afval. Wie zich een deken kan permitteren, opgehangen aan wat touwen tussen de bomen, heeft geluk. Het zijn vooral de Nigerianen die dat geluk mogen smaken. Zij, en in het bijzonder leden van de Ibo-stam, zijn tegenwoordig in de meerderheid. Zij maken volgens ABCDS zelfs veertig procent uit van alle clandestiene immigranten in Oujda. ‘Hun groepsleider of chairman bestiert dan ook de boel’, weet Hicham.
De activist kreeg net een telefoontje: zes sans-papiers –vier vrouwen, twee kinderen– willen uit het bos vertrekken naar het veiligere Rabat. Door de aanwezigheid van diplomaten, ngo’s en persagentschappen biedt de hoofdstad iets meer dekking voor mensen zonder papieren. Geen wonder dat migranten er graag naar toe willen. Sommigen springen op een goederentrein die vanuit een nabijgelegen cementfabriek vertrekt, met alle risico’s vandien. Anderen proberen het via de legale weg. Hicham zal zes sans-papiers vergezellen naar het treinstation en stouwt alvast een een zak vol met tweedehandskleren. ‘Wanneer de politie een razzia doet in ons bos,’ vertelt Catherine, één van de bosbewoners, ‘dan verbranden ze de plastic waarop we slapen en alle kleren die we hebben. Gewoon om ons weg te pesten.’
Catherine, de moeder
Catherine (36) is afkomstig uit Congo. Ze woont samen met haar Kameroense man en hun zoontje van vijftien in het dennenbos. Catherine heeft alleen een blauwe plastic om op te slapen en wat dekens en kleren om zich te verwarmen als het kwik onder nul zakt. Papieren heeft ze niet. Tijdens de zes lange maanden in het bos werd ze geregeld opgepakt tijdens razzia’s van het Marokkaanse leger. Dat dropte haar vervolgens in de woestijnstrook tussen Algerije en Marokko.
Zeven op tien illegalen beschouwt Marokko als een tussenstop op weg naar Europa. Een op tien wil terugkeren en slechts een op veertig wil in Marokko blijven. Gemiddeld blijven sans-papiers tussen de drie en twaalf jaar in Marokko (enquête 2007).
De moeder staat voor een verscheurende keuze. Ofwel ze blijft met haar zoon en man in het bos. Dan wordt ze wellicht bij de eerstvolgende razzia opgepakt en nog maar eens gedeporteerd naar de grens tussen Algerije en Marokko. Hicham: ‘Op de weg naar Oujda riskeert ze aangepakt te worden door politie en soldaten. Misschien wordt ze wel verkracht door andere subsahariens die haar in een schuiloord dwingen en uitlenen als prostituee.’ Ofwel neemt ze de trein naar Rabat, waar ze niemand kent en dus ook een vogel is voor de kat. ‘Ik kan mijn zoontje hier in het bos al niet bijhouden. Wat gaat dat geven in Rabat, waar ik mijn weg niet ken?’
Haar stevig uit de kluiten gewassen echtgenoot staat er verslagen bij. Hij zou graag meereizen, straks met de avondtrein naar Rabat. Maar dan zou wellicht het hele gezin in de boeien worden geslagen nog voor het op de trein stapt, om een poos later terug in de woestijn te staan. ‘Alleen erkende vluchtelingen en vrouwen met jonge kinderen laten ze de trein op’, verduidelijkt Hicham. Maar ook niet zonder slag of stoot, zo bleek de dag daarvoor. Toen kreeg Jérôme, een Ivooriaan door de VN erkend als politiek vluchteling, zelfs geen ticket in het treinstation van Oujda. ‘Dit is de “problemenkaart”’, zegt hij boos, zwaaiend met zijn VN-vluchtelingenkaart, ter grootte van een kredietkaart. ‘Normaliter mag ik hiermee vrij het land rondreizen, maar hier in Oujda krijgt een black geen ticket. De loketbediende heeft zelfs niet eens naar mijn kaart gevraagd.’
Mohamed, de bakkersjongen
Oujda is vandaag de slechtst denkbare plek voor een zwarte illegaal in Marokko. De grens met Algerije is al sinds 1994 gesloten en omdat beide landen op voet van oorlog leven, stikt het er van de grenspolitie en de militairen. Door het sluiten van de grens is er echter ook grote werkloosheid ontstaan bij de autochtone bevolking.
Mohamed was ooit bakker, tot zijn oom de bakkerij moest verkopen nadat een nieuwe vennoot hem had opgelicht. Ook zijn broers hebben wel een diploma maar geen job. ‘Kan je geen school voor me zoeken waar ik mijn studies van schrijnwerker kan voortzetten?’, vraagt Mohamed. Het is al de tweede Marokkaan die achter een school en bijhorende kans op papieren vraagt. Ook Marokkanen blijven dromen van Europa.
Mohameds familie geeft de zwarte bedelaars die dagelijks aan de deur staan enkele dirhams of iets te eten. Toch leeft ook hier schrik en wantrouwen. Een buurvrouw van een familielid zou verkracht en bestolen zijn nadat ze een tiental Afrikanen te eten had gegeven. Met een volle maag zouden ze de deur hebben ingestampt en zich vergrepen hebben aan de vrouw. Het is moeilijk zulke verhalen te checken. Hicham: ‘Er gaan verhalen dat zwarten stelen, verkrachten en kinderen eten. Volgens mij stuurt de politie zulke geruchten met opzet de wereld in om de migranten in opspraak te brengen’. Toch is ook Hicham niet onverdeeld negatief over de ordediensten. ‘Als zij een bus migranten van Rabat naar Oujda brengen, twee aan twee geboeid en tien uur lang zonder eten of drinken, gehoorzamen ze ook maar orders van bovenaf. Zo gaan razzia’s nu eenmaal.’ Maar evengoed kent hij politieagenten die het hemd van hun gat zouden geven. ‘Een gendarme die op een nacht een razzia moest houden trof in een tranquilo eens een zwangere vrouw aan. In plaats van haar op te pakken, ging hij weg om even later terug te keren met eten en kleren.’
Ook op de universiteitcampus van Oujda, waar heel wat zwarten zich verschuilen, is de solidariteit van de studenten groot. Hicham: ‘Soms laat een Marokkaanse zelfs een zwart meisje op de kamer slapen, als ze ziek is of met kleine kinderen zit.’ In ruil voor hand- en spandiensten of hulp bij hun taken, durven sommige studenten zelfs al eens een valse studentenkaart aanmaken voor een zwarte.
Paul-Jean, de schrijver
Onder het laagje vernis van solidariteit in Oujda schuilt de jungle. Paul-Jean, een illegaal uit Kameroen, heeft dat met zijn eigen ogen kunnen vaststellen. Ondergedoken in Rabat werkt hij aan een boek over zijn ervaringen. ‘Tussen 1999 tot 2005 werkte ik in Kameroen voor de overheid, tot ik het niet meer aan kon zien. Mijn personeelsdirecteur liet mij zijn bouwwerf inspecteren en zijn landbouwactiviteiten opvolgen. Wanneer hij een feest organiseerde, deed hij een beroep op mij. En dat allemaal met overheidsgeld. Bovendien werden wij geregeld te laat uitbetaald en heb ik nooit een vast contract gekregen.’
Paul-Jean nam de wijk naar Marokko, in de hoop zo Europa te bereiken. ‘In Marokko heb ik echter moeten vaststellen dat de mistoestanden uit onze herkomstlanden zich gewoon herhalen. Een clandestien die in Oujda nog maar een klein beetje macht weet te veroveren, domineert en misbruikt de anderen, al is het maar om zijn weg te kunnen voortzetten. Zwarte groepsleiders passen in de schuiladressen het droit de cuissage toe: een alleenstaande vrouw die onderdak vindt in een tranquilo, wordt gedwongen met de chairman naar bed te gaan’.
Paul-Jean heeft er vier pogingen op zitten om het Europese vasteland te bereiken: al zwemmend naar de Spaanse enclave Ceuta. Vergeefse moeite. ‘Eind juni ben ik opgepakt en hebben ze mij in Tetouan vijftien dagen in de cel gestopt. Dat was een marteling. De eerste dag hebben ze één van ons in elkaar geslagen omdat hij brood had gevraagd. We zijn hem bijgesprongen. “Als Europa jullie betaalt om ons op te pakken, krijgen jullie dan ook geen geld om ons eten te geven?”, vroegen we unisono. Toen hebben ze iemand uit de groep geplukt en hem met handboeien aan een stalen deur gehangen. Zijn benen wapperden in de lucht. Ze zijn op hem beginnen slaan en schoppen, mét matrak. Daarna hebben ze een van zijn handen losgemaakt en trokken ze aan de handboei tot zijn pols begon te bloeden. Ik vermoed dat ze een voorbeeld wilden stellen.’
Mehdi, de professor
‘Zeker geen alleenstaand geval’, reageert professor Mehdi Lahlou uit Rabat op het verhaal over de afranseling. Lahlou is een expert inzake illegale migratie. ‘Ik heb ook al zo’n verhalen gehoord. Tegelijk moet ik zeggen dat er op foltering in Marokko geen kleur staat. Dit had evengoed een Marokkaan kunnen overkomen. Want wat men ook beweert, wij leven niet in een rechtsstaat. Europa mag dan al die schijn willen wekken door in Rabat een zetel van het VN-Vluchtelingencommissariaat te laten openen, maar dat is louter windowdressing. De internationale conventies worden hier niet gerespecteerd.’
Dat van de rechten van vluchtelingen niet veel in huis komt, is een teken aan de wand. In Marokko kunnen de zwarte sans-papiers niet naar school, zelfs niet als ze erkend zijn als VN-vluchteling. In Oujda haalt geen black het in zijn hoofd om zonder begeleiding van Artsen Zonder Grenzen of ABCDS in te checken in een ziekenhuis, uit schrik in boeien gesloten te worden.
Lahlou ziet de toekomst somber in, zeker voor de migranten van de tweede generatie. ‘Deze kinderen hebben geen nationaliteit meer en ze kunnen niet naar school. Onze lagere school is immers in het Arabisch, terwijl heel wat sub-Saharaans Afrikanen alleen Frans spreken. We kunnen ze toch niet allemaal naar privéscholen of naar de Ecole française sturen? Wie zal dat betalen?’
De Marokkaanse belastingbetaler staat er alvast niet voor te springen, zegt een oogheelkundige uit Marrakech. Behalve de taalbarrière, de vastgeroeste clichés over zwarten en moslims en verschillende zeden en gewoonten, staat vooral de economie hun integratie in de weg. Marokko heeft zelf een jonge en grotendeels werkloze bevolking en zit dus niet te wachten op (nog) goedkopere handenarbeid uit zwart Afrika. ‘Wat zou jij doen als er in België duizenden Marokkanen komen rondhangen, zonder werk en bedelend aan elk rood licht? Niemand houdt van migranten die niets bijbrengen. Want zeg nu eerlijk: wat draagt een sub-Saharaans Afrikaan bij aan Marokko? Als hij klusjes doet of staat te bedelen, is dat enkel om de mensensmokkelaar te betalen die hem naar Europa moet brengen.’ 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift