Migratiequotum of gedoogbeleid

Steeds meer wordt duidelijk dat de migratieproblematiek de grote uitdaging wordt voor onze maatschappij in de komende jaren. De opkomst van extreem-rechts in Vlaanderen heeft migratie als een probleem op de agenda van alle politieke partijen gezet. Historici en sociale wetenschappers proberen wel het fenomeen te dedramatiseren door erop te wijzen dat het iets van alle tijden is, en dat het op termijn zelfs een zegen is, maar ondertussen dreigen ministers en regeringen voortdurend over dit struikelblok te vallen.
Kerkasiel, repatriëring van illegalen, de dood van verstekelingen op vrachtwagens: het mobiliseert evenzeer de emoties van mensen als overvallen door Oost-Europese bendes, vreemdelingenrellen in de steden en drugvondsten in migrantenmilieus. De recente discussies hierover in de pers en op het publieke forum kwamen echter zelden toe aan een fundamentele bezinning over de graad van openheid die men van ons land en van Europa kan verwachten. Ik zet eerst enkele basisgegevens van het migrantendebat op een rijtje, en presenteer van daaruit een aantal argumenten voor het toelaten van een jaarlijks quotum aan arbeidsmigranten in België en in de Europese Unie. Ik denk evenwel niet dat dit voorstel alle problemen oplost. Naar het einde van dit artikel vergelijk ik het met alternatieve vormen van migratiebeleid ,en toon ik voor welke pijnlijke dilemma’s we in deze materie geplaatst worden.

REDENEN VOOR EEN MEER GENEREUS MIGRATIEBELEID

1. Een eerste vaststelling is dat het beleid niet meer aangepast is aan de realiteit. Er is al vele jaren in België en de meeste landen van Europa een immigratiestop van kracht. Wettelijk zijn er slechts twee manieren om zich legaal in ons land te vestigen, namelijk gezinshereniging en de asielprocedure. Daarnaast bestaat er ook een heel beperkende en bijzonder omslachtige procedure voor arbeidsmigratie. Het gevolg is dat iedereen die wil immigreren, zich door deze nauwe deuren probeert te wurmen. Berichten over schijnhuwelijken en misbruik van de asielprocedure zijn dan ook niet uit de lucht. Het gevaar bestaat dat huwelijken met mensen uit de Derde Wereld steeds wantrouwender worden bekeken en op steeds meer bureaucratische obstakels stuiten. Bovendien komt de asielprocedure steeds ernstiger onder druk te staan. Enerzijds worden de criteria opgerekt om allerlei nieuwe categorieën van mensen toe te laten, soms op basis van dreigend geweld of een louter statistische kans op mishandeling, anderzijds raakt de procedure verstopt door de grote aantallen postulanten. Als deze procedure niet was verankerd in internationale verdragen, dan was ze allicht in vele landen al lang afgeschaft. Voor mensen die echt vervolgd en verdrukt worden om hun overtuigingen, godsdienst, politiek of syndicaal engagement wordt het op die manier steeds moeilijker om nog aan asiel te raken. Getuige de geringe aantallen vluchtelingen die na de genocide in Rwanda of tijdens de Kongolese burgeroorlog in ons land opgevangen werden. Door een quotum voor arbeidsmigratie in te stellen, kan men hopen de druk op de asielprocedure ietwat te verminderen. Belangrijk is evenwel dat het hier om een extra-poort(je) moet gaan. Er kan geen sprake van zijn een quotum in te stellen voor alle categorieën migranten tezamen. Het asielrecht moet ondubbelzinnig voorrang blijven genieten op migratie om economische redenen. Het voorstel van een quotum heeft precies de bedoeling om de verdere uitholling van de asielprocedure te beletten.

2. Vanuit ethisch standpunt stoot het tegen de borst dat mensen die geen misdaad hebben gepleegd, opgesloten worden, alleen maar omdat ze niet over de juiste papieren beschikken. Dit zijn meestal mensen die gewoon vooruit willen in het leven, die een betere toekomst willen voor zichzelf, hun gezin en hun familie. Daar is niets fout mee. De deur gesloten houden voor al deze mensen is verschrikkelijk hardvochtig, even verwerpelijk als de apartheid in Zuid-Afrika vroeger. We kunnen evenwel niet iedereen binnenlaten. Dan vernietigen we onze welvaartsstaat. Bovendien is het lang niet zeker dat de aanwezigheid van de Derde Wereld in onze straat op maatschappelijk vlak zal inspireren tot meer solidariteit. Een tussenweg bestaat erin om de deur op een kier te zetten of een bijkomend deurtje te openen. Dan haal je een aantal van de kandidaat-migranten binnen.

3. Een derde argument voor quota voor arbeidsmigratie stelt dat het uitwijzingsbeleid slechts ethisch legitiem kan zijn, als niet alle deuren gebarricadeerd zijn, als er met andere woorden legale manieren zijn om binnen te raken. Dit was mijn objectie tegen de deelname van E. Vermeersch aan de commissie die na de dood van S. Adamu precieze regels moest vastleggen voor de repatriëring van illegalen. De legitimiteit van het uitwijzingsbeleid hangt meer af van de graad van openheid van een maatschappij dan van de gebruikte technieken. Wellicht kan ons voorstel het verzet tegen uitwijzing ook wat milderen. Een illegaal die wordt weggestuurd, kan zijn kans wagen via een wettelijke weg.

4. We hebben in Vlaanderen een situatie van bijna volledige tewerkstelling. Er is nog wat onvermijdelijke frictiewerkloosheid, en er zijn een aantal heel moeilijk bemiddelbare mensen. Voor hen moet een specifiek beleid uitgetekend worden. In steeds meer sectoren van het maatschappelijk leven zijn evenwel mensen te weinig. Er is dus een vraag naar arbeid en er is een potentieel aanbod. In die omstandigheden kan men een welvaartsverbetering voor iedereen bereiken, als men toelaat dat vraag en aanbod elkaar ontmoeten.

EEN MIGRATIEQUOTUM

De voorgaande overwegingen motiveren ons voorstel een jaarlijks quotum van legale migranten in ons land toe te laten. Dit zouden er voor ons land enkele duizenden per jaar kunnen zijn. Dat is niet erg veel, maar als ook andere rijkere Europese landen meededen, zou dat al veel meer worden. Eventueel kan men het precieze aantal laten afhangen van de economische conjunctuur. Wie voor legale immigratie in aanmerking wil komen, moet een aanvraag indienen bij het Belgisch consulaat of de ambassade in zijn of haar land van oorsprong. Wellicht wordt die mogelijkheid niet overal geopend maar uitsluitend in die landen waarmee ons land een akkoord heeft afgesloten. Het kan hier gaan om landen met veel kandidaat-migranten en een hoge werkloosheid, die zich coöperatief opstellen bij het terugnemen van illegalen, met wie een regeling getroffen werd voor het terugsturen van gelden door de migranten en waarvoor België ook een inspanning wil doen op het vlak van ontwikkelingshulp. Minimumvoorwaarde kan ook zijn dat men geen strafblad heeft of niet voor misdaden veroordeeld is. Het is ook niet de bedoeling dat werklozen ingevoerdworden. Wie uitgeloot wordt, kan enkel binnenkomen indien hem of haar een arbeidsovereenkomst kan aangeboden worden.

Ongetwijfeld zullen er meer aanvragen zijn dan plaatsen. De selectie van wie uiteindelijk toegelaten wordt, gebeurt best op basis van eenvoudige en objectiveerbare criteria. De reden hiervoor is heel eenvoudig: hoe ingewikkelder de criteria, hoe meer fraudemogelijkheden. De regels die de migratie organiseren, vormen immers tegelijk een structuur van ‘incentives’. Mensen zullen steeds proberen hun eigen geval in te passen in de bestaande criteria. Over dit soort problemen bestaat sinds Elster’s Local Justice (1) een groeiende literatuur. Hieruit komt de idee naar voor van een gewogen loterij. Iedere kandidaat krijgt één lotje maar sommige kandidaten krijgen er meer dan één. In Nederland bijvoorbeeld is de toegang tot bepaalde studierichtingen aan de universiteit zo georganiseerd. Iedereen met een middelbare schooldiploma kan aan de loterij deelnemen, maar wie goede studieresultaten behaalde, krijgt extra kansen toebedeeld. Zo zou men sommige kandidaat-migranten kunnen bevoordelen op basis van hun scholing, talenkennis, reeds bestaande banden met ons land of leeftijd. Zo kan de inburgering eventueel reeds voor de migratie begonnen worden via cursussen Nederlands, Frans, recht of burgerlijke opvoeding, door de Belgische ambassade georganiseerd in het land van herkomst. De precieze gewichten van de loterij dienen politiek bepaald te worden. Men kan bijvoorbeeld mensen uit vluchtelingenkampen meer kansen geven. De bedoeling van het organiseren van de loterij is evenwel vooral dat ook ongeschoolden een kans krijgen, en niet alleen mensen met een kwalificatie die we onmiddellijk nodig hebben. Precies dat is het ethisch surplus op een schema dat voor de rest gebaseerd is op wederzijds voordeel. De invoer van hooggeschoolde informatici zal toch plaatsvinden en ook voor andere knelpuntberoepen zal de procedure voor transnationale aanwerving ongetwijfeld versoepeld worden.

OBJECTIES

1. De opheffing van het immigratieverbod wordt tegenwoordig vooral door de werkgevers gevraagd. Begrijpelijkerwijs, want zij ondervinden steeds meer moeilijkheden om aan bekwame werkkrachten te raken. Dit maakt meteen dat het voorstel om arbeidsmigratie toe te laten niet zonder meer als een idealistisch maar onpraktisch idee van kosmopolitische intellectuelen kan afgedaan worden. Sommigen zullen echter opwerpen dat de huidige krapte op de arbeidsmarkt maar tijdelijk is. Straks is er weer laagconjunctuur en dan zijn er weer Belgische werklozen. Dit is geen terechte objectie. De demografische evolutie bij ons en in de meeste welvarende landen is zodanig, dat er ook in de toekomst voor vele beroepen oningevulde vacatures zullen blijven bestaan. Men zal trouwens niet alleen hooggeschoolde informatici en ingenieurs nodig hebben maar ook verpleegkundigen, vrachtwagenchauffeurs, bouwvakkers en bejaardenhelpers. Immigratiequota zullen dus aan een maatschappelijke nood blijven beantwoorden. Het idee om immigranten alleen maar tijdelijke contracten aan te bieden, is ook om andere redenen niet evident. Mensen zijn geen wegwerpproducten, en je kunt hen ook niet louter instrumenteel gebruiken zolang je hen nodig hebt. Je kunt hen niet verbieden om te huwen, een huis te kopen en zich te integreren in onze maatschappij. Je kunt hen ook niet binnenlaten onder slechtere arbeidsstatuten dan de burgers van het eigen land. Dat heet discriminatie en is verboden door de Europese Gemeenschap. Voor een Portugese of Griekse arbeider die in België werkt, geldt het Belgische arbeidsrecht. De creatie van een groep van tweerangsburgers gaat volstrekt in tegen de tradities van onze welvaartsstaat.

2. Een tweede objectie luidt dat door buitenlandse werknemers binnen te halen de binnenlandse werklozen en werknemers beconcurreerd worden. Binnenlandse werkloosheid is vandaag evenwel vooral een probleem van onaangepaste scholing en onvoldoende arbeidsdiscipline. Jonge migranten kampen wellicht ook met een discriminatieprobleem. Dit zijn problemen die om een oplossing sui generis vragen: bijscholing, de ontwikkeling van de sector van de sociale economie en antidiscriminerende maatregelen bijvoorbeeld. Immigratie zal inderdaad in zekere mate te snelle loonstijgingen bij hoogconjunctuur afremmen. Macro-economisch gezien is dat niet slecht. Het belet oververhitting van de economie. Bemerk dat de concurrentie van migranten ook nu al bestaat, zij het dan vooral vanwege illegalen in de onderste segmenten van de arbeidsmarkt. Vooral ongecontroleerde immigratie is problematisch, omdat ze de positie van de zwaksten nog verder verzwakt. Het hier voorgestelde quotasysteem zal de spanningen over de hele breedte van de arbeidsmarkt in zekere mate verlichten.

3. Is dit voorstel geen koren op de molen van het Vlaams Blok? Niet noodzakelijk. Deze arbeidsmigranten zullen al bij voorbaat een cursus inburgering gevolgd hebben. Zij zullen werken, belastingen en sociale zekerheidsbijdragen betalen. Het zijn niet deze mensen die zullen bijdragen tot onveiligheid en criminaliteit. Deze fenomenen hangen veel meer samen met illegale migratie en de hele maffia die daarrond hangt: mensenhandel, prostitutie en illegale tewerkstelling. Ik wil hiermee niet zeggen dat alle illegalen criminelen zijn. Dit is lang niet het geval, maar men moet ook zijn kop niet in het zand steken: de creatie of het gedogen van een grote groep arme, kwetsbare en rechteloze mensen in de marge van onze maatschappij heeft zekere onaangename neveneffecten voor de geprivilegieerden in onze maatschappij. Om het Vlaams Blok te bestrijden, moet men evenwel niet zoveel mogelijk migranten buiten houden, maar veeleer een combinatie van de drie volgende politieke actiepunten aanhouden: 1. de onveiligheid en de verloedering van de grootsteden bestrijden door stadsvernieuwing; 2. investeren in kwaliteitsvol onderwijs voor migranten, en 3. een duidelijk beleid van repressie van crimineel gedrag: uitzetting voor wie zich geen goede gast toont en nog niet de Belgische nationaliteit bezit.

4. Het quotavoorstel lost niet alle problemen op? Inderdaad niet. Dat doet trouwens geen enkel ander voorstel. Met een beleid van zware repressie bijvoorbeeld krijg je nog tientallen Semira Adamu’s. Het quotavoorstel zal de toestroom van illegalen niet als bij toverslag doen opdroge, maar een uitwijzingsbeleid verkrijgt er wel een ethische legitimiteit door die het nu ontbeert. Het voorstel doet echter niet veel aan de oorzaken van migratie. Die zijn op de eerste plaats te zoeken in politieke instabiliteit, rechtsonzekerheid en (burger)oorlogen in de emigratielanden. Migratie heeft op de tweede plaats te maken met culturele evoluties - de ontworteling van agrarische samenlevingen en paternalistische modellen van autoriteit in familie en dorp. Armoede - vaak extreme armoede - komt wellicht pas op de derde plaats in orde van belangrijkheid, al is dat moeilijk te onderscheiden, omdat de diverse factoren vaak nauw samenhangen. Het is evenwel een fabel te denken dat ontwikkeling automatisch de migratie doet teruglopen. Beginnende ontwikkeling doet de aspiraties van de mensen vaak veel meer stijgen dan de mogelijkheden die onmiddellijk beschikbaar zijn, en dat wekt frustraties op. Wie het nodig vindt om migratie te bestrijden, kan beter aan peace-keeping en conflictpreventie doen dan aan de klassieke vormen van ontwikkelingshulp.

5. Arbeidsmigratie is geen erg efficiënte politiek om de vergrijzing van onze bevolking tegen te gaan. Inderdaad niet: demografische studies wijzen uit, dat men daarvoor reusachtige aantallen jonge mensen in de rijkere en minder kinderrijke landen zou moeten importeren. In een wereld met zes miljard mensen moet men zich echter realiseren dat een verdere bevolkingsstijging aan het tempo dat we nu kennen onhoudbaar is, en moet men zich stilaan afstemmen op een stagnerende tot dalende bevolking met steeds meer ouderen en bejaarden. Gezien de productiviteit van onze economie zou dat niet echt een groot probleem mogen zijn. Het beste antwoord op de vergrijzing heeft niets met migratie te maken. Het bestaat erin om het verschil tussen pensioen en loon voor ouderen voldoende groot te houden. Wie vervroegd op rust wil gaan, kan dat doen, maar tegen een geringer pensioen en wie langer wil werken, moet daar iets aan kunnen overhouden.

6. Een belangrijke objectie tegen arbeidsmigratie is het argument van de ‘braindrain’. Is massale emigratie, vooral van hooggeschoolde en actieve mensen, niet slecht voor ontwikkelingslanden? Dit argument gaat op voor sommige landen en beroepen, maar niet voor andere. Het gaat bijvoorbeeld wel op voor artsen uit zwart Afrika maar niet voor landen als Marokko, Egypte of Turkije, waar heel veel werkloze academici zijn. Dit kan heel eenvoudig opgevangen worden door in de landen waar hersenroof een ernstig probleem dreigt te worden geen toegang tot het quotum te organiseren. Braindrain kan ook vermeden worden door geen langdurige studieverblijven voor studenten uit die landen in ons land meer aan te bieden. Docentenmobiliteit en hulp aan universiteiten ginds helpt deze landen meer vooruit. Overigens gaat er van de teruggestuurde gelden van migranten ook een aanzienlijk ontwikkelingseffect uit, zowel micro-economisch voor de betrokken families als macro-economisch voor landen als Marokko en Turkije.

7. De belangrijkste objectie tegen ons voorstel ligt op het vlak van de globale beoordeling ervan. Is dit vanuit ethisch standpunt het beste en meest haalbare voorstel? Daartoe moeten we vergelijken met alternatieven.

WIE HELPEN WE VOORUIT?

Eén alternatief hebben we al besproken: arbeidsmigratie op vraag van de werkgevers. Die vinden een quotum allicht overbodige bureaucratie. Een louter economische aanpak, eventueel met contracten en verblijfsvergunningen van beperkte duur, is echter verwerpelijk, omdat hij mensen al te zeer instrumentaliseert.

Vanuit ethisch standpunt lijkt het meest ernstige alternatief voor het voorstel van een arbeidsquotum evenwel de situatie zoals zij vandaag - of toch tot voor kort - feitelijk in ons land bestond. Het is een situatie waarin de beleidsvoerders harde woorden spreken en een streng imago proberen op te bouwen, maar feitelijk relatief menselijk zijn. Er worden tot nu toe geen grootse razzia’s in onze steden gehouden om illegalen op te sporen. Uitwijzing gebeurt meestal niet manu militari. Uitgeprocedeerden krijgen gewoon een briefje met het bevel het land te verlaten. Slechts een kleine minderheid wordt opgesloten en op een vliegtuig retour gezet. Behalve de grootscheepse regularisatiecampagnes die recent in ons land opgestart werd, zijn er de voorbije jaren voortdurend individuele regularisaties op humanitaire gronden geweest. Men voert dus een relatief tolerant beleid maar men zet een hard masker op om potentiële migranten af te schrikken. Dit is een wat tersluikse wijze om een gedoogbeleid te voeren. We bedoelen hiermee het in stand houden van een informele rechtsorde, het “quasi-beleidsmatig onderbekrachtigen van de wet”, hetzij omdat “de belangen die de wet beoogt te beschermen op die manier feitelijk beter worden beschermd”(2), hetzij omdat men eenvoudig niet anders kan.

De quotaregeling die we hier voorstellen, laat in principe een strenger uitwijzingsbeleid toe. Het is een regeling van het migratievraagstuk die teruggaat op abstracte rechtvaardigheidsregels. Het is geen oplossing voor handige jongens of meisjes die zich op één of andere wijze in ons land hebben binnengewurmd. Die moeten terug naar hun land van oorsprong om na een formele aanvraag en loting kans te maken op een legale arbeidsvergunning. Filosofen herkennen hier het conflict tussen particularisme en universalisme. Wie helpen we? Degenen die hier al in levenden lijve zijn, die hier illegaal leven en werken, kinderen opvoeden, zich in onze wijken integreren, mensen met een gezicht, die aan onze deur kloppen en om mededogen vragen. Of relatief anonieme buitenlanders, die een aanvraag tot immigratie indienen? Helpen we de mensen vooruit die er al zijn, omdat ze er toevallig al zijn, of helpen we dossiers vooruit van mensen die beter aan ideale criteria voldoen? Eens te meer bepaalt de keuze de structuur van de ‘incentives’ voor potentiële migranten. Hoe groter de kans op regularisatie, hoe groter ook de aanzuigkracht voor illegalen wordt. Er zijn trouwens aanwijzingen dat stoerdoenerij hier niet veel helpt. De informatieverspreiding onder potentiële migranten over de reële kansen op toegang tot en verblijf in een land lijkt behoorlijk efficiënt te zijn. Een combinatie van beide alternatieven - bv. door illegalen toe te laten om vanhieruit aan de loterij deel te nemen - is helemaal geen oplossing, want dan wordt het quotasysteem een nieuwe regularisatieprocedure die het aanzuigeffect van illegalen verhoogt in plaats van het te doen afnemen.

Een andere manier om tegen deze keuze aan te kijken is vanuit de tegenstelling tussen de logica van het medelijden en de logica van de rechtvaardigheid. Medelijden heeft men met slachtoffers. Of die zelf soms ook schuldig zijn, doet niet ter zake. Men kan medelijden hebben met criminelen die afschuwelijke misdaden hebben begaan en die daarom in een dodencel zitten te wachten op hun executie. Rechtvaardigheid daarentegen gaat uit van min of meer abstracte criteria. Hier wordt gekeken naar de verdiensten van de slachtoffers. Wie aan de regel beantwoordt, krijgt niet alleen hulp maar ook rechten. Conflicten en misverstanden onder mensen die zich door rechtvaardigheidsoverwegingen laten inspireren en degenen die meer geneigd zijn tot hulp, doen zich overal voor waar om hulp gevraagd wordt. Telkens opnieuw gaat het om de vraag of aan het geven van hulp of rechten voorwaarden mogen verbonden worden. Helpt men wie in nood is en aanklopt, of wie het best aan de regels beantwoordt?

Hoe kunnen we een keuze maken tussen beide alternatieven die we hier bespreken, het quotasysteem of een gedoogbeleid? Vanuit ethisch standpunt kan men gaan berekenen hoe men het meeste mensen helpt. Dit is een min of meer utilitaristisch criterium maar het helpt ons niet uit de verlegenheid. We kunnen ervan uitgaan dat met beide types van politiek evenveel mensen kunnen geholpen worden. Zoals we al zegden, heeft de aanwezigheid van grote aantallen illegalen echter zeer negatieve gevolgen voor de burgers van ons land. Dit stimuleert maffieuze bendes, mensensmokkelaars en huisjesmelkers. Dit perverteert ook de hele migrantengemeenschap. Als een significant deel van hen buiten de bescherming van de rechtsstaat leeft, krijg je daar een groot aantal mensen van wie het enige levensperspectief erin bestaat uitgebuit te worden en vervolgens anderen uit te buiten. Nieuwkomers moeten wroeten om hun schuld af te betalen, zien dan geen andere mogelijkheid om vooruit te komen in het leven dan zelf iemand hierheen te halen en deze voor hen te laten werken. Illegaliteit ondermijnt ook ons systeem van sociale zekerheid en is koren op de molen van het Vlaams Blok. Verdedigers van de welvaartsstaat, sociaal-democraten bijvoorbeeld die altijd al opkomen voor de regulering van het vrijemarktsysteem, zouden dus moeten kiezen voor een relatief genereus quotasysteem, gekoppeld aan de effectieve uitwijzing van illegalen.

Het quotasysteem is een propere, ordelijke oplossing voor ons migratieprobleem. Het ligt in de beste traditie van onze Noord-Europese sociaal-democratie. Jammer genoeg is de realiteit niet zo netjes en geordend. Het quotasysteem geeft een ethische vrijbrief om illegaliteit te bestrijden -althans vanuit de logica van de rechtvaardigheid - maar het zal de illegaliteit niet doen verdwijnen. Zelfs een streng repressieve politiek kan dat niet, voor zover men zich tenminste in zekere mate gehouden weet door mensenrechten. Het systeem voor arbeidsmigratie zal bijvoorbeeld de vraag om regularisaties om humanitaire redenen nauwelijks doen verminderen. Ook een gedoogbeleid zal onvermijdelijk blijven.

De wereld is niet in orde en zal dat wel nooit zijn. Hij zit vol paradoxen en tragische keuzes. Ik ben geneigd om het quotasysteem te verdedigen, maar tegelijk moet men de luciditeit opbrengen om te erkennen dat er iets futiels steekt in de begeerte van orde die dit voorstel inspireert. Het migratiebeleid confronteert ons heel concreet met ons onvermogen om goed te doen en de wereld in orde te krijgen. Wat we ook doen, we blijven schuldig. Dat wil evenwel niet zeggen dat we helemaal niets moeten doen. Politiek werkt haast per definitie in de algemeenheid, met algemene regels, wetten en principes. Wie aan bepaalde criteria voldoet, wordt rechthebbend. Politiek staat in die zin van nature uit haaks op medelijden. Dit kan hoogstens slechts marginaal in de toepassing van regels ingebouwd worden. Politiek staat daarmee ook haaks op de wanordelijke wereld waarin wij leven. Weten dat je die wereld nooit in orde krijgt, maar toch proberen wat meer solidariteit in te bouwen in structuren en de meest stuitende onrechtvaardigheden uit te bannen en dat ook eerlijk aan de mensen uitleggen, dat is wat een ethisch geïnspireerd politicus mijns inziens moet doen. Of anders gezegd: het is al te gemakkelijk om simpele oplossingen te geven voor moeilijke problemen. De filosoof of ethicus herinnert aan de complexiteit van maatschappelijke problemen. Hij biedt geen kant-en-klare oplossingen aan. Hij volstaat ook niet met het opponeren van ideaal en werkelijkheid, maar hij nestelt zich daarom al evenmin in comfortabel nietsdoen.

De auteur is hoogleraar aan het Centrum voor Economie en Ethiek en aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Leuven. Deze tekst verscheen eerder al in ‘God Ondergronds - Opstellen voor een theologisch vrijdenken’, een huldeboek aan Georges De Schrijver dat in 2000 uitgegeven werd door Altiora in Averbode.

NOTEN

1. ELSTER J., Local Justice - How institutions allocate scarce goods and necassary burdens, Cambridge University Press, 1992

2. De aangehaalde passages komen uit het uitstekende artikel van VAN OENEN G., Gedegen gedogen. Over de waarde van een gedoogbeleid voor de rechtsstaat, in Filosofie en praktijk, jaargang 21, nummer 4, 3-17

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift