Mijnbouw in Peru betaalt vrijwillige bijdragen in plaats van belastingen

De grote mijnbouwondernemingen in Peru zullen de komende vijf jaar voor 757,5 miljoen dollar (bijna 600 miljoen euro) aan “vrijwillige bijdragen” storten voor de armoedebestrijding in Peru. Ze moeten wel geen royalty’s betalen, of belastingen op de extra winst die de hoge metaalprijzen opleveren. Die bijkomende belasting had de nieuwe president Alan García nochtans in het vooruitzicht gesteld tijdens zijn verkiezingscampagne.
De regeling, die de Peruaanse premier Jorge del Castillo donderdag (24 augustus) bekend maakte, kwam tot stand na onderhandelingen met de grote mijnbouwmaatschappijen in het land. Slechts twee van de grootste 27 maatschappijen betalen nu royalty’s. Alle andere mijnbouwgiganten tekenden in de jaren 90 “stabiliteitsovereenkomsten” met de regering van de toenmalige president Alberto Fujimori. Die stellen hen voor lange tijd vrij van royalty’s en bevriezen hun belastingsituatie. Op die manier trok Peru massale buitenlandse investeringen aan.

De regering-García besloot de regeling te handhaven, maar eiste van de mijnbouwmaatschappijen wel een inspanning om de armoede in het land te milderen. Peru is een bedelaar op een troon van goud, gaat een Peruaans gezegde. Het land is de op één na grootste zilverproducent ter wereld en komt op de derde plaats voor koper en op de vijfde plaats voor goud. Toch behoort Peru tot de armste landen van Zuid-Amerika: meer dan de helft van de Peruanen leeft in armoede.

De vrijwillige bijdragen van de mijnbouwmaatschappijen gaan in een “Gelijkheidsfonds” dat acties zal ondernemen tegen armoede, honger en sociale uitsluiting in arme mijnbouwregio’s. Er komen ook compensatiebetalingen voor de slachtoffers van het politieke geweld van de voorbije decennia in die gebieden. Critici vinden dat de andere arme regio’s daardoor misdeeld worden, en dat de regering er verkeerd aan doet de ondernemingen inspraak te geven in de besteding van het geld.

Minister van Energie en Mijnen Juan Valdivia benadrukt dat de mijnbouwmaatschappijen evenveel zullen betalen dan wanneer Peru van iedereen royalty’s zou innen. Het verschil is dat Peru op deze manier vermijdt dat de bedrijven naar de rechter stappen om de voortzetting van hun belastingvrijstelling af te dwingen. Het geld dat de mijnbouwondernemingen in het gelijkheidsfonds storten, komt volgens Valdivia bovenop de 150 miljoen dollar (117 miljoen euro) die de bedrijven nu al investeren in wegen en openbare diensten in de dorpen rond hun mijnen.

De vrijwillige bijdrage is gebaseerd op de forse stijging van de metaalprijzen van de laatste jaren. “Als de metaalprijzen verder stijgen, zullen de bijdragen waarschijnlijk ook verder toenemen”, zegt de minister. Hij gaf wel toe dat daarover nog geen overeenkomst is bereikt. Wat er gebeurt als de prijzen zakken, is ook nog niet vastgelegd.

In de huidige omstandigheden doen de bijdragen de mijnbouwmaatschappijen in Peru in elk geval geen pijn. Volgens de Peruaanse overheid steeg de netto winst van de goudmijn van Yanacocha tussen 2002 en 2006 met 225 procent. De grootste goudmijn van Latijns-Amerika is in handen van het Amerikaanse Newmont Mining Corp. en het Peruaanse Buenaventura. Dit jaar zou het bedrijf een miljard dollar (784 miljoen euro) kunnen binnenrijven.

De grootste vijf buitenlandse mijnbouwondernemingen hebben in de eerste acht maanden van dit jaar al 2,76 miljard dollar (2,16 miljard euro) verdiend.

En die bedragen kunnen de volgende jaren nog stijgen. De mijnbouwmaatschappijen in Peru hebben ook beloofde dat ze de komende vijf jaar 10 miljard dollar (7,8 miljard euro) zullen investeren in het onderzoek van nieuwe aders.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3148   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift