Mijn/verleden

Rwandezen tillen niet zo zwaar aan de dood van een kind. Congolezen worden geboren met een hart dat ritmisch bloed door de swingende aderen pompt. Afrikanen zijn van nature gastvrij. Nigerianen gaan sjoemelend door het leven. Dagelijks worden we overspoeld met veralgemeningen en als feit vermomde vooroordelen.
Het is vermoeiend om daar steeds weer op te reageren, dus laat een mens de storm maar waaien in de hoop dat lezers of luisteraars zelf wel in staat zijn waarheid van cliché te onderscheiden. Daarom wou ik onderstaand stuk niet schrijven.

Onlangs las ik een recensie over de film Billy Elliot. Een mijnwerkerszoon die ballet wil dansen, dat was te veel voor de recensent met dienst. Hij schrijft met grote stelligheid: ‘…hoewel ik geen seconde geloof dat ruwe mijnwerkers met tranen in de ogen naar hun pirouetterende Billy zouden zitten te kijken.’ Voilà, zo zat dat met die mannen van een halve frank van vroeger: ruwe bolsters, maar geen blanke pitten. De jonge middenklasser van vandaag wil nog wel eens kijken naar een verhaaltje over die bonkige kerels van toen, maar ze moeten zich wel aan hun imago houden. Ze moeten primitief blijven, met een kleurrijk dialect praten, zuipen en boeren en als ze moegetergd en uitgeput thuiskomen hun wijf een klap voor haar kop geven. Want als mijnwerkers al konden wenen, dan kunnen de klerken van vandaag helemaal geen aanspraak meer maken op het predikaat Nieuwe Man. Ik wou niet reageren op zo’n dom zinnetje. Maar wekenlang bleef het in mijn hoofd vechten met de realiteit waarin ik opgegroeid ben.

Eén keer ben ik afgedaald in de schachten van mijn verleden. Het was er donker, benepen en warm. Voor de rest moet ik mijn persoonlijke sociale geschiedenis samenstellen aan de hand van de verhalen die thuis verteld werden over de koolmijn waar mijn vader werkte tot hij niet meer kon. In zijn mijn was het werk zwaar, maar goed betaald. Onder mijnwerkers ging het er kameraadschappelijk aan toe en onder de grond was iedereen zwart. Turken, Italianen, Kempenaars: één front. Dat soort verhalen dus, waarin de vaak bikkelharde realiteit het moest afleggen tegen ervaringen van vrolijkheid, samenhorigheid en sociale vooruitgang. Elk jaar op open monumentendag fietst mijn vader opnieuw naar Beringen, dan gaat hij kijken naar zijn wonderjaren en hoe afgelopen die wel zijn. Ik schrik er telkens van hoe emotioneel ook ik reageer als de ‘put’ opduikt in mijn witteboordenleven. De monumentale lege ruimtes van Waterschei, La chanson des mineurs, Britse mijnwerkersfilms: het is gegarandeerd een brok in de keel of erger. Zowat mijn hele familie heeft in de mijn gewerkt en voor alle duidelijkheid: het zijn allesbehalve watjes en ze zullen niet voor elke passerende camera in huilen uitbarsten. Maar ik heb de tranen gezien, de angsten gevoeld, de vreugde gedeeld. Ik ben niet opgegroeid ben in een romantisch of ideaal milieu, maar wel in een fatsoenlijke omgeving die er trots op was eerlijk en betrouwbaar te zijn. Er zit véél eelt op de handen van een mijnwerker die twintig jaar kolen gemaakt heeft, maar daarom niet op zijn ziel.

Elk cliché is een aanslag op de uniciteit het individu en op de diversiteit van de groep waartoe hij of zij behoort. Het is een vorm van verkrachting waarbij de dader roept dat het slachtoffer er zelf om gevraagd heeft. Het is een vorm van intellectuele luiheid die evenveel schade kan aanrichten als een VTM-programma waarin Gerolf Annemans voor open doel mag komen scoren. Ik ken Afrikanen die niet kunnen dansen. Ik heb een mijnwerker van ontroering zien wenen. Mag dat? Dat mag!

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur