Mohamed Sabi: 'Racisme bestrijd je niet met cursussen'

Mohamed Sabi is een BM: een Bekende Migrant, althans in de migrantenwereld zelf. Meer dan twintig jaar al zet Sabi zich in om allochtonen hier in Vlaanderen, meer bepaald in Antwerpen, een ‘thuis’ te geven. Hij lag mee aan de basis van talrijke initiatieven voor migrantenopvang en migrantenorganisaties. Sinds 1988 is hij stafmedewerker van het CBW, het Centrum voor Buitenlandse Werknemers.
De evolutie binnen de migrantenwereld volgde hij de afgelopen twintig jaar van binnenuit: het toekomen van grote stromen migranten, de eerste conflicten met de tweede generatie, de eerste successen van extreem rechts. Hij is niet pessisistisch gestemd. Hier en daar ziet hij kleine tekenen van hoop en vooruitgang, met name daar waar gelijkwaardigheid veruiterlijkt wordt en aanzet tot een echte mentaliteitsverandering, het enige tegengif tegen racisme.

U was al aan de slag in de migrantenwereld op een ogenblik dat in Vlaanderen het begrip ‘multiculturele samenleving’ nog uitgevonden moest worden.

Ik was achttien jaar toen ik, in 1973, naar België kwam, mijn vader achterna die sinds 1963 in de metallurgie in Hoboken werkte. Aanvankelijk had ik het plan hier verder te studeren maar uiteindelijk vond ik dat een ongeoorloofde luxe. De studies zouden zoveel geld opslorpen terwijl we in Marokko zo’n grote familie te onderhouden hadden. Ik ging dus werk zoeken. Ik kende Antwerpen een beetje via mijn vader, maar begon zelf in Brussel rond te kijken, omdat ik dacht dat ik me er, omwille van het Frans, makkelijker zou thuisvoelen. Maar Brussel lag me niet. Te druk, te geagiteerd. Ik hield meer van Antwerpen en keerde terug naar hier. Uiteindelijk vond ik toch werk in Brussel, maar bleef in Antwerpen wonen. Die eerste periode was voor mij bijzonder leerrijk. Ik volgde na mijn werk drie jaar lang avondlessen op een technische school, om mijn werk beter te kunnen doen, maar al mijn vrije tijd ging naar de migrantengemeenschap. Op dat ogenblik, in de jaren zeventig, waren weinig mensen in Antwerpen met de migrantenthematiek bezig. Een gestructureerd netwerk bestond niet. Nochtans kwamen er, in het kader van de gezinshereniging, op korte tijd stromen mensen toe die opgevangen moesten worden. Velen konden niet lezen of schrijven en wisten niet hoe hun weg te vinden in de nieuwe wereld waarin ze terechtgekomen waren. Begeleiding en vorming van gezinnen, opvang van de jongeren, ontspanning: er waren zoveel noden en we sloegen de hand aan de ploeg. Gaandeweg merkte ik ook dat dit werk me echt lag. De migrantenproblematiek liet me niet meer los. De manier waarop de migratie van Marokkanen verlopen is in die jaren, de stroom van mensen die op zo’n korte tijd naar hier kwamen zonder te kunnen rekenen op de nodige structuren voor opvang en oriëntatie, is een gebeuren geweest dat zich hier nooit eerder op die schaal had voorgedaan.

U lag aan de basis van diverse initiatieven in de migrantenwereld. Waar haalde u de inspiratie om vanuit het niets en zonder middelen aan de slag te gaan?

Ik heb niet alles alleen moeten doen. Ook Belgische vrienden zetten zich in. Voor mezelf denk ik dat mijn ervaring in de jeugdbeweging in Marokko doorslaggevend was. Tot mijn achttiende was ik in mijn geboorteland zeer actief bij de scouts. Toen ik hier met die specifieke problematiek van mijn volk geconfronteerd werd, putte ik uit die jarenlange ervaring. Maar ik heb hier ook kansen gekregen. In de jaren 1976 - 1978 hadden we een sterke werking uitgebouwd in de wijk ‘het Zuid’ in Antwerpen. We hadden goede contacten met het buurthuis op het Zuid, dat met Vlaamse kinderen en jongeren werkte. Tot we in de vroege jaren tachtig in een crisis kwamen.We hadden geen geld en moesten onze lokalen ontruimen. Dat had ongetwijfeld zijn weerslag op de werking en we verloren vele jongeren. Die zochten echter aansluiting bij het buurthuis zelf en op een bepaald moment, dat was in 1982, vroeg het buurthuis me voltijds in dienst te komen voor de migrantenwerking. Ik was net werkloos geworden en heb geen ogenblik getwijfeld. Ik wist, uit ervaring, dat ik op deze weg wilde verder gaan en plots kreeg ik de kans om op een meer professionele basis en met meer middelen op dit spoor verder te gaan en nieuwe experimenten op te zetten.

Welke waren de moeilijkheden die toen bovendreven?

In die periode stapelden de problemen zich op. Zowel migranten als Vlamingen reageerden op de uitdagingen door zich af te sluiten tegenover het vreemde, het onbekende. Marokkanen waren bang om openlijk uit te komen voor hun religieuze beleving en schermden zich af. Vlamingen hadden het moeilijk met het vreemde dat in hun straat of stad opdook. Er waren Marokkanen die gastvrij bleven en Vlamingen die hun deuren sloten. Maar het gebeurde ook andersom. Jongeren vonden hun plaats niet in deze samenleving, omdat ze uit een totaal verschillende plattelandscultuur kwamen. Je zag in die periode ook het conflict groeien tussen de eerste en de tweede generatie. Ik werd geconfronteerd met de generatiekloof tussen ouders, gemigreerd uit Marokko, en hun kinderen die hier opgroeiden. De ouders waren naar hier gekomen om te werken en zien de toekomst van hun kinderen in het verlengde daarvan. Ze vinden dat hun kinderen best ook een vak leren en dan hier werk zoeken ofwel in Marokko aan de slag gaan in een eigen atelier. De jongeren echter plannen op een heel andere basis. Zij zijn blootgesteld aan al de invloeden van de samenleving hier en beperken zich niet tot het project dat hun ouders vooropstellen. Op dat ogenblik zie je de generaties uit elkaar groeien en moet er gepraat worden. Daar begint het generatieconflict. Vele ouders zagen, machteloos en bezorgd om de toekomst, die botsing gebeuren maar begrepen niet echt wat er aan de hand was. Die problematiek heb ik zien groeien en die heeft me telkens weer gemotiveerd om er wat aan te doen. Om aan de ouders en aan de mensen in het onderwijs duidelijk te maken waarover het gaat.

U bent een overtuigd moslim. Is het ook vanuit uw geloof dat u zich met deze gedrevenheid inzet?

Geloof zie ik eerder als iets strikt persoonlijks. Mijn inzet heeft wellicht meer te maken met een bepaalde visie of overtuiging. Je droomt van een andere samenleving en je zegt wel eens: ‘Insh’allah - als Allah het goed vindt- zal dit of dat gebeuren.’ Maar dat wil niet zeggen dat je met de handen gekruist moet zitten wachten. Veranderingen in de samenleving moet je zelf bewerkstelligen. Daar is de inzet van mensen voor nodig. Allah geeft je de opdracht je geloof in daden om te zetten. Als je je bewust wordt van een bepaald probleem, moet je je inzetten voor de verandering. Ik geloof in de mogelijkheid van verandering en dat geloof geeft me de kracht om moeilijke momenten door te komen. Tegelijk ben ik realistisch: als in Antwerpen dertig procent van de mensen voor het Vlaams Blok stemt, dan is dat beangstigend. Tegelijk betekent een dergelijke verkiezingsuitslag dat zeventig procent van de Antwerpenaren anders denkt. Ik kan dus ook niet zeggen dat iedereen racistisch is. Een klein deel van de mensen staat inderdaad niet open voor verandering, maar een ander deel is wel open en ontvankelijk. Met hen moet je een tegenkracht opbouwen. Je mag het nooit opgeven. Misschien zoek ik ooit ander werk, omdat ik vind dat ik lang genoeg op het CBW werk. Maar mijn inzet, mijn visie en mijn gedrevenheid zal ik nooit opgeven. Ik kan toch mijn principes niet afleggen omdat ik zie dat extreem rechts groeit. Als je van iets echt overtuigd bent, kan je niet anders dan je blijven inzetten, ook al roei je tegen de stroom in of sta je alleen.

De islam wordt, wanneer het op integratie en samenleven aankomt, wel eens gezien als struikelblok.

Dat is een volkomen vals probleem. Religieuze verschillen worden gepolitiseerd en gepolariseerd en dat is gevaarlijk. Ik begrijp niet waarom iemand bang moet zijn voor de islam. Als het probleem het extremisme is, dan gaat het misschien over vijf, maximum tien procent van de hele islamitische wereld. Je mag dat niet veralgemenen. De media en andere maatschappelijke krachten doen dat wel maar dat is een smerige analyse. De islamitische geloofsgemeenschap wordt in België eindelijk officieel erkend, waardoor we op gelijke voet komen te staan met de joodse geloofsgemeenschap. Die erkenning had echter tien, vijftien jaar vroeger moeten komen. Dat had extremistische uitwassen kunnen voorkomen.

Integratie heeft niets met geloof te maken. Integratie is een term die niet van de migrantengemeenschap maar van de overheid komt en elke politieke partij geeft daaraan een andere invulling. Voor mij betekent integratie dat de allochtonen zich moeten voegen naar de gedragsregels die gelden in dit land. In verband met criminaliteit, in verband met onderwijs, in verband met verkeer. Maar dat heeft helemaal niets te maken met het dragen van een hoofddoek of het eten van bepaalde gerechten. Dat zijn culturele verschillen die bijdragen tot de rijkdom van een gemengde samenleving. Als we al die diversiteit stroomlijnen, komen we tot een saaie en steriele maatschappij. Voor mij gaat het erom elkaar te leren kennen, te erkennen en te respecteren.

Waar ligt dan volgens u wel de grond van het probleem?

De kiemen zijn al in het prille begin gelegd, door het gebrek aan kaders om mensen op te vangen, te oriënteren en te begeleiden. Mensen die hier toekomen, willen zich wel integreren, zich voegen naar de regels van dit land, maar dan moet iemand hen wel duidelijk maken welke die regels zijn. In de beginfase was er op dat vlak een ernstig tekort. Daaruit is een hele problematiek gegroeid waarop extreem rechts handig heeft ingespeeld. Pas met de migrantenrellen in Brussel, begin de jaren negentig, en de groei van extreem rechts is de overheid wakkergeschud. Het werk dat door het Koninklijk Commissariaat van Paula d’Hondt werd geleverd, vind ik prachtig. Maar soms vraag ik me wel af of er voldoende opvolging wordt gegeven aan al die dossiers. Er moet nog een hele weg afgelegd worden op vlak van gelijke kansen en gelijkwaardige behandeling van migranten. We worden nog steeds als tweederangsburgers beschouwd. Het racisme in het gewone dagelijkse leven neemt toe en dat maakt me echt bang. Wanneer een buschauffeur de halte rakelings voorbijscheert en een migrantenvrouw net niet laat opstappen, wat bereikt die daarmee? Dat is pure discriminatie. Zulke pesterijen zijn de jongste jaren veelvuldiger geworden en creëren een grimmige sfeer.

De verhouding polariseert eerder. De recente rellen in Anderlecht maakten ook duidelijk dat het moeilijk wordt om nog genuanceerd over migrantenjongeren en integratie te spreken.

Dat is zeker zo. De situatie in Brussel is wel enigszins verschillend van die in Antwerpen, maar je ziet een tendens naar polarisering. Wie zijn echter die jongeren die nu op straat komen voor hun rechten, die revolteren tegen een aantal dingen? Dat zijn jongeren van de derde generatie. Dat zijn Belgen. De overheid moet eens nadenken over de toekomt van al die jonge Belgen. Dat is geen migratieprobleem meer, maar een probleem van de jongeren hier. Daar gaat inderdaad een hele geschiedenis aan vooraf, maar het zijn Belgen voor wie Marokko een mooie vakantiebestemming is maar niet hun vaderland. En de problemen waar deze jongeren van migrantenafkomst mee zitten, zijn problemen die vergelijkbaar zijn met die waarmee de andere Belgische jongeren geconfronteerd worden: criminaliteit, drugs en gebrek aan toekomstperspectief. Maar bij opstootjes zijn het wel telkens ‘die met hun zwart haar’ die de zondebok zijn. En de media versterken dat beeld.

U hebt zelf drie tieners. Hoe kijken zij aan tegen het groeiend racisme?

Jongeren van nu pikken die discriminatie niet meer. Ze zijn daarvoor te geëmancipeerd geworden en voelen zich gekwetst en vernederd. Zo groeit er een wig tussen verschillende groepen in de samenleving, een communicatiebreuk. Gewoon de deur dicht. Ik zou bijna durven zeggen dat ze niet meer geloven in bemiddeling en in gemakkelijke oplossingen.

Wij proberen onze kinderen op te voeden tot bewuste jongeren en hen de nodige bagage mee te geven opdat ze op sociaal en cultureel vlak sterk zouden staan, maar zij moeten zelf hun weg zoeken in deze samenleving en dat loopt niet altijd probleemloos, omdat ze tiener zijn én omdat ze migrant zijn.

Wilt u daarmee ook zeggen dat u nog moeilijk jongeren vindt die zich willen inzetten voor een betere verstandhouding?

Neen, er zijn nog voldoende jongeren te vinden die geloven in verandering. Al merk ik wel een verschil tegenover vroeger. Marokkaanse jongeren die hier geboren zijn en hier gestudeerd hebben, leggen, net als de Vlaamse jongeren, niet meer die vanzelfsprekende gedrevenheid voor een gratuite inzet aan de dag. Als ze een goeie job vinden als ingenieur, laten ze die niet staan om in de migrantensector te werken. Maar er zijn Marokkaanse jongeren, evenals Belgische, die zich willen engageren. Er is ook al een hele weg afgelegd: er is opvang, er wordt gewerkt in het onderwijs. Allochtonen zetten hun eerste stappen in de politieke arena en zorgen daar voor permanente aandacht voor de thematiek. Er zijn allochtone advocaten in de stad. Wanneer mensen uit de wijk naar een allochtone dokter gaan en ze kunnen tevreden zijn over hun behandeling en over het contact met die arts, dan verandert het beeld dat mensen hebben van Turken of Marokkanen. Als zieken in de kliniek verpleegd worden door allochtone stagairs of verpleegkundigen, groeit er een ander soort contact. Dan kan er een mentaliteitsverandering groeien. Het is een noodzakelijke inhaalbeweging die we nu maken en die nog verdergezet moet worden. Het is tegelijk de beste remedie tegen het groeiend racisme. Racisme bestrijd je niet met cursussen maar door het veruiterlijken van de gelijkwaardigheid in het maatschappelijke leven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.