Muildieren op de Kilimanjaro

De toeristische industrie op en rond de Kilimanjaro explodeert. Voor veel Tanzanianen uit de streek is het de enige bron van inkomsten geworden. Helemaal onderaan de ladder staan de dragers. Slecht betaald en in onaangepaste kledij vechten ze om te overleven. Vaak letterlijk: elk jaar sterven er dragers aan onderkoeling, hoogteziekte of door ongevallen. Al is er een voorzichtige kentering. Sommige reisorganisatoren maken er een verkoopsargument van dat ze hun dragers wél goed behandelen. Schrijver Tom Naegels en fotograaf Nick Hannes trokken op uitnodiging van Karavaan naar het dak van Afrika en zagen er schrijnend onrecht, maar ook zingende dragers.
Gefrustreerd kijkt de jongen ons aan. Hij kàn niet opgeven, zegt hij. Na het faillissement van zijn vader is hij van Mwanza, aan het Victoriameer in het noorden van Tanzania, naar Arusha gereisd, meer dan 800 kilometer zuidelijker, om te kunnen werken in het toerisme. In Mwanza is er enkel de visvangst, en die brengt niets op. Twee maanden lang is hij elke ochtend op eigen kosten van Arusha naar Lemosho gereden, een dorp aan de voet van de berg, in de hoop een groep te vinden die een extra drager kon gebruiken. Eindelijk was hem dat gelukt… En nu kon hij het gewicht niet aan.
Vijfentwintig kilogram, hebben wij dat al eens geprobeerd? Ik hijs de zak op mijn hoofd, blijf enkele seconden wankelen maar moet hem dan laten vallen. Dàt acht dagen lang een berg op dragen?… Ik kijk ongelovig naar onze gids, Joseph.
‘De eerste keer horen ze je niet zoveel te geven’, zegt die. ‘Normaal geven ze beginnelingen 15 kilo. En de tweede dag minder. Als je het tot hier hebt uitgehouden met zo’n zware zak, dan ben je wél geschikt voor de job.’
Joseph denkt na. Dan zegt hij: ‘Ik ga met jouw gids praten. Als je je werk in normale omstandigheden kunt doen, dan doe jij deze klim wél uit.’

Een ongeval komt nooit alleen


Elk jaar doen er meer dan tienduizend toeristen een poging om de 5896 meter hoge top van de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, te bereiken. Daarbij worden ze begeleid door minstens één gids en een leger van dragers. Zij sleuren de bagage, maar ook de tenten, slaapzakken, tafels, stoelen, borden, bestek en eten voor de hele groep. ‘Meestal zijn het straatarme jonge mannen zonder opleiding, werklozen uit de stad of arme koffieboeren uit de dorpen rond de berg’, vertelt Joseph. ‘De toeristische industrie boomt, maar zij profiteren er niet van. Het zou prima werk kunnen zijn, maar nu worden ze als muilezels behandeld.’Itembe (18) zit puffend aan de kant van de weg. Zijn 25 kilogram zware zak ligt naast hem. Zo had hij zich zijn eerste klim als drager op de Kilimanjaro niet voorgesteld. Het is nog maar zijn tweede dag en hij kan al niet meer. Zijn collega’s lopen ver voor hem, zelfs zijn toeristen zitten hoger. Moet hij zo zes dagen verder?
Joseph Nyabasi (35) is niet alleen onze gids. Hij is de directeur van de Kilimanjaro Guides and Porters Union, een twee jaar geleden (op Belgisch initiatief) opgerichte vakbond die probeert de dragers te verenigen, op te leiden en betere werkomstandigheden voor hen af te dwingen. Joseph is zelf drager geweest, zoals de meeste gidsen trouwens. ‘In mijn tijd was het harder dan nu’, zegt hij. ‘Ik ging de berg op met vijftig kilo op mijn rug. Ik kreeg één dollar per dag betaald. Soms sliepen we in grotten. Dragers klommen op sandalen of zelfs teenslippers, in een dun t-shirtje. Ze hadden vaak geen slaapzak en ze sliepen in een onverwarmde tent, of soms buiten. Er stierven er dan ook veel.’
Vandaag is de situatie iets beter. Er is nu een maximumgewicht van 25 kilo, al wordt daar nog veel mee gesjoemeld, en dragers zijn verplicht om een slaapzak te hebben, en min of meer degelijk schoeisel. Joseph: ‘De problemen situeren zich nu vooral rond het loon en de rechtszekerheid. Dragers klimmen bijna allemaal zonder verzekering. Als ze een ongeval krijgen, dan betaalt de werkgever niets. Vaak worden ze niet eens per helikopter van de berg gehaald. Ze slapen nog steeds vaak in de eettent, wat betekent dat ze buiten moeten wachten tot de toeristen klaar zijn. Lonen van minder dan drie dollar per dag zijn zeer gewoon. Wij eisen een minimumloon van zes dollar per dag, inclusief maaltijden en transport.’
En een beperking op het aantal dragers. Zo’n zesduizend man probeert als drager aan de bak te komen. Dat maakt de concurrentie zo groot dat de werkgevers zich alles kunnen permitteren. Dragers klimmen onder om het even welke voorwaarden: beter iets dan niets.

No English spoken


Er zijn verschillende organisaties die zich het lot van de dragers aantrekken, maar ze zijn niets zonder de steun van toeristen. De toeristen hebben het geld, dus de macht. Alleen als zij bij het boeken van hun reis duidelijk maken dat ze belang hechten aan het welzijn van de dragers kan er verbetering komen.
is dat niet. Neem de Duitse Nora (19) en haar Amerikaanse vriend Damon (23). ‘Wij wisten niet eens dat we dragers zouden hebben!’ zeggen ze. ‘En wat is het probleem? Dat ze een te laag loon krijgen? Worden ze dan betaald? Fantastisch! Wij dachten dat ze alleen fooien kregen. Drie dollar per dag? Ja, dat lijkt weinig voor ons, maar onze gids heeft verteld dat je hier voor vijftig dollar een halfjaar naar school kan.’
De dragers lachen bitter. ‘Onze maatschappij huurt speciaal dragers in die geen Engels kunnen’, vertellen ze met hulp van een tolk. ‘Anders zouden we de klanten kunnen vertellen hoe wij leven.’ Eigen tenten hebben ze niet en van hun karige loon moeten ze zes dollar afstaan voor het transport van en naar de vertrekplaats, en twee dollar voor hun eten. ‘Als je het eten kan noemen. ‘s Ochtends eten we pap, en ‘s avonds een kom soep.’
Ze dragen elk veertig kilo. ‘De bewakers van de kampen, die moeten toezien dat niemand meer dan 25 kg draagt, worden omgekocht.’

De pyramide van de macht


De volgende dag zien we Itembe weer. Joseph is er dan toch in geslaagd om hem aan boord te houden. Zijn gids had geprotesteerd - ‘Ik kan geen slappelingen gebruiken!’ - maar na enig aandringen had hij toegegeven. Goed, goed, hij zou hem twintig kilo geven. Maar alleen omdat het de eerste keer was! Hij was geen liefdadigheidsinstelling.
De gidsen hebben absolute macht op de berg. Ze zijn de vertrouwenspersoon van de klanten en van de reisorganisator. De berg gonst dan ook van verhalen over machtsmisbruik. Over hoe een gids vijftien teamleden aangeeft bij het reisbureau, daar geld voor krijgt, vervolgens met slechts tien dragers vertrekt en de bespaarde lonen in eigen zak steekt. Over hoe tien dragers nu het gewicht van vijftien moeten dragen, en dus overladen worden. Over hoe de gids aan de toeristen voorstelt om alle fooien aan hem te geven, waarna hij ze zogenaamd zal ‘verdelen’ - maar er slechts een klein deel van aan de dragers geeft. Over hoe dragers geen arbeidscontract hebben, waardoor een gids soms na afloop van de klim zegt: ‘Jij hebt nooit met mij geklommen.’ En over hoe dragers de gids steekpenningen moeten geven om te mogen uitgebuit worden.
Het tragische is: bijna alle gidsen zijn ooit drager geweest. Ze spuwen op hun eigen verleden. ‘Al moet je hen ook niet als de grote boosdoeners voorstellen’, zegt Joseph. ‘Het is heel duur om gids te worden. Een opleiding kost 500 dollar. Engelse les volgen kost nog eens zoveel. Voor een verplichte gidsenlicentie betaal je 20 dollar, plus een bedrag voor het omkopen van diverse autoriteiten. Ik heb mijn bed verkocht om mijn licentie te betalen. Na al die kosten blijven veel gidsen werkloos en moeten ze opnieuw drager worden. Als ze dan eindelijk zo ver zijn dat ze werk hebben, is het min of meer begrijpelijk dat ze nog weinig solidair zijn.’

Koud, moe en ziek


Een andere uitweg is een opleiding aan de prestigieuze universiteit Mweka College of Wildlife Management. Daar word je toerisme-manager en kun je aan de slag in het kader van het natuurpark. Voor de meeste dragers is het een onbereikbare droom: de opleiding kost 3000 dollar. Maar het is niet onmogelijk. Het gebeurt dat westerse toeristen sympathie krijgen voor één drager, die ze dan sponsoren. In Arusha ontmoetten we zo Charles Sonyo. Hij raakte bevriend met Belgische toeristen, die thuis een benefiet voor hem organiseerden. Een van onze dragers, Deo, heeft Amerikaanse mecenassen.
Sommige dragers doen dan ook hun best om ons te laten beseffen wat voor een verschil wij kunnen maken. Valentin bijvoorbeeld. Op een avond komt hij vertellen dat zijn ouders dood zijn. Hij moet zorgen voor al zijn broers en zusjes. Hij kan nooit wat sparen, want zodra hij geld heeft, staat het hele dorp voor zijn deur. Hij wil studeren. Kunnen wij helpen?
We zullen hem een goede fooi geven, zeggen we.
Dat is niet genoeg, zegt hij. Hij wil naar Mweka.
Wij kijken naar de grond.
‘Ik heb elke keer hoofdpijn’, zucht Valentin. ‘Ik heb het ijskoud, ik ben doodmoe, ik word ziek. Ik haat dit werk!’
Wij kijken nu zo aandachtig naar de grond dat we de onderkant van de berg kunnen zien.
‘Ik moet naar het toilet’, zeg ik uiteindelijk.
‘Ja, ik ook’, merken alle anderen plots.
Als ik opsta, grijpt Valentin me bij de pols: ‘Zeg dit niet tegen Joseph. Hij ontslaat me als hij hoort dat ik toeristen om geld vraag.’

Fluitend bergop


We zitten op 4900 meter. Alle planten zijn verdwenen; er is nog enkel rots en stof. De dagen zijn mistig en koud. Onze dragers sjokken moedeloos verder. En dan…
‘Jambo! Jambo bwana! Habari gani! Nzuri sana!’
Na alle verhalen over armoede en ellende, komen er ons plots zingende en dansende dragers tegemoet. Hebben ze dan geen last van de hoogte? Moeten ze niet somber zijn omdat ze weinig verdienen, omdat ze slecht verzekerd zijn, omdat hun gidsen hen oplichten?
‘Aha!’ jubelt Faraga, een van de dragers. ‘Wij verdienen niet te weinig! Wij zijn wél verzekerd! Want wij zijn de Kili Warriors! Joehoe!’
De Kili Warriors is een van de reisbureaus waar alle dragers voor willen werken. Ze betalen tien dollar per dag, en raden een hoge fooi aan. Het is hun verkoopsargument: ze trekken toeristen aan die op een verantwoorde manier willen reizen.
Het nadeel is hun prijs. De Kili Warriors kosten 2800 dollar voor een trip van 8 dagen. Bij andere bureaus betaal je 650. Joseph: ‘Maar is dat geen onrealistisch lage prijs? Is het niet raar dat zelfs budgetreizigers vandaag de Kilimanjaro kunnen beklimmen? Als de dragers goed betaald worden dan zal een klim een pak duurder zijn, ja. Maar wat is het belangrijkste? Dat jullie goedkoop een exclusieve vakantie kunnen meemaken, of dat wij in ons eigen land een normaal leven opbouwen?’

De witte weldoeners


Weer beneden rest ons nog één belangrijk moment: het overhandigen van de fooien. Organisaties die het voor de dragers opnemen, hameren erop dat die rechtstreeks aan de dragers zelf gegeven moet worden. Al te vaak steken de gidsen een deel op zak. Dat is wel vervelend voor de toerist. Voor onze groep komt het totaal aan fooien neer op één miljoen Tanzaniaanse shilling (ongeveer 1000 dollar). Met dat enorme bedrag voor onze neus zitten we in een eenvoudig restaurantje in Moshi. We verdelen de biljetten in stapeltjes, terwijl de ober fronsend onze borden tussen het geld zet en 25 sjofel geklede dragers verlekkerd naar onze tafel staren. Opnieuw voelen we ons onaangenaam rijk, opschepperig, paternalistisch en neokoloniaal: de witte weldoeners, die de boys hun pré in handen stoppen.
Na die laatste betaling is de sfeer op de bus uitgelaten. Onze dragers kijken uit naar hun gezinnen. Deo vertelt over Mweka, waar hij dankzij sponsoring volgend jaar heen kan. De rest zingt het lied van de Kili Warriors. Alleen Valentin staart bitter uit het raam. Af en toe kijkt hij ons beschuldigend aan. We sussen ons schuldgevoel door te denken: wij hebben structureel geholpen, door met de vakbond te klimmen. Maar daar heeft Valentin, die straks het hele dorp aan zijn deur zal vinden, geen boodschap aan.
Deze reportage kwam tot stand met steun van Karavaan, Joker reizen en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.
Reageer op dit artikel

Karavaan vzw staat al 35 jaar op de barricaden voor een duurzaam toerisme. In 2006 maken ze dit zeer concreet met de reizende fototentoonstelling en bijhorend fotoboek: “Muilezels op de bergflank - Arbeidsomstandigheden in het toerisme”. Het fotoboek bestaat net als de tentoonstelling uit drie luiken en het brengt foto’s en verhalen uit de toeristische industrie in Kenia, Thailand en Tanzania.

48 pagina’s, kostprijs: 12,50 euro (exclusief 2,50 euro verzendingskosten). Te bestellen bij Karavaan (T. 015 40 75 80 of info@karavaan.be). Schrijf 12,50 euro + 2,50 euro verzendingskosten over op rekening 068-0734340-77. Vermeld je adres en de mededeling ‘Fotoboek Muilezels op de bergflank’. Als het bedrag op onze rekening staat, sturen we het fotoboek meteen op.


Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift