Myanmarese junta laat honger woekeren

Het Wereldvoedselprogramma (WFP) wil drie jaar lang voedsel leveren aan 1,6 miljoen mensen in Myanmar (Birma). De organisatie wil daarvoor in Myanmar zelf rijst aankopen. Dat illustreert het wanbeheer van de militaire junta die het vruchtbare land regeert.
Tot hiertoe hielp het Wereldvoedselprogramma een half miljoen Myanmarezen. De nieuwe groepen die voedselleveringen nodig hebben om te verhelpen aan de “chronische ondervoeding” waaronder ze volgens het WFP lijden, behoren tot de etnische minderheden in het land. Etnische rebellenorganisaties vochten jarenlang tegen de overheersing vanuit Rangoon, maar in de jaren 90 maakten vredesverdragen een einde aan die oorlogjes. Regio’s als Kachin, in het noordoosten van het land, zijn nog altijd niet hersteld van die moeilijke tijden.  

Het WFP gaat de noodlijdende Myanmarezen linzen, plantaardige olie, zout en proteïneaanvullers leveren, maar vooral rijst. Die rijst koopt het WFP in Myanmar zelf aan. “Myanmar produceert veel rijst, vooral in de centrale delta”, zegt Paul Risley, de woordvoerder van het kantoor voor Azië van het WFP in Bangkok.

Moeilijk transport

De rijst raakt echter niet tot bij de behoeftige Myanmarezen in de afgelegen streken. De alomtegenwoordige controleposten van het leger en in sommige gebieden ook van etnische milities maken dat handelaars nauwelijks nog voedsel over langere afstanden kunnen vervoeren. Om voedsel van één regio naar een andere te vervoeren, is de goedkeuring van plaatselijke bevelhebbers nodig, en die komt er maar als er genoeg smeergeld wordt betaald.

Niet alleen de etnische minderheden lijden daaronder. Het WFP schat dat bijna vijf miljoen Myanmarezen, bijna tien procent van de bevolking, niet altijd genoeg te eten heeft. Meer dan een derde van de kinderen jonger dan vijf weegt volgens sommige studies te weinig.

De beperkingen op het transport van levensmiddelen hebben weinig te maken met de veiligheidssituatie in het land. “De militairen begonnen er jaren geleden mee om de rijstprijs onder controle te houden”, zegt Win Min, een Myanmarese veiligheidsexpert die doceert aan de Payap-Universiteit in het Thaise Chiang Mai. “De junta begrijpt weinig van economie. Er komen almaar meer controleposten. Daardoor gelden nu zelfs in aangrenzende regio’s verschillende prijzen.” 

De ineenstorting van de binnenlandse rijsthandel is maar één van de gevolgen van het wanbeleid dat de ooit veelbelovende Myanmarese economie kreupel maakte. Bij het einde van de Britse overheersing, nu 60 jaar geleden, was het land een grote rijstexporteur. De neergang begon toen de militairen in 1962 de macht grepen. Generaal Ne Win, de toenmalige sterke man, nationaliseerde alle grote bedrijven, de banken en de internationale handel. Zijn opvolgers lieten weer meer privé-initiatief toe, maar dat maakte weinig verschil.

Robijnen maar geen rijst

De VN schatten dat een gemiddeld Myanmarees gezin 70 procent van zijn inkomen moet uitgeven aan levensmiddelen. Negen op de tien Myanmarezen moeten rondkomen met minder dan een dollar per dag. Dat is verbijsterend voor een land waar grote olie-en gasvoorraden in de ondergrond schuilgaan en waar bijvoorbeeld ook veel robijnen worden bovengehaald. Slechts een kleine minderheid profiteert van die rijkdommen.

De barre levensomstandigheden in Myanmar leidden tot de grootschalige protesten die in september hardhandig werden neergeslagen. Steeds meer Myanmarezen emigreren omdat ze in Thailand of andere buurlanden meer kansen zien. Onder de migranten bevinden zich boeren, maar ook verpleegsters, ambtenaren en fabrieksarbeiders.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift