Na Kopenhagen, de zondvloed?

Op de klimaattop in Kopenhagen (7-18 december) moet een akkoord gesloten worden om de klimaatverandering te beheersen. Maar de vooruitzichten zijn somber. De kans is groot dat een echt akkoord pas in 2010 vorm krijgt. Dat betekent meteen een heel belangrijke verantwoordelijkheid voor ons land, want België heeft in de tweede helft van 2010 het EU-voorzitterschap.

  • Creative Commons-licentie by Tumanc De kans is groot dat een echt akkoord pas in 2010 vorm krijgt. Creative Commons-licentie by Tumanc

Op de klimaatconferentie in Bali (2007) werd afgesproken dat er in Kopenhagen een nieuw mondiaal klimaatakkoord moest komen om het Kyoto-akkoord, dat afloopt in 2012, op te volgen. Dat akkoord moet meetbare, rapporteerbare en verifieerbare verbintenissen bevatten, stelde men in 2007.

Een nieuw akkoord betekent strengere reductiedoelstellingen voor de rijke landen én duidelijke acties van de groeilanden om hun uitstoot in te perken. Het betekent ook concrete en betrouwbare financiering door de rijke landen van inspanningen om de impact van de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden op te vangen. Maar in tijden van financiële crisis zijn die extra middelen heel moeilijk te vinden, zoals nog eens bleek op de EU-top van 30 oktober.

De EU heeft er zich al in 1996 toe verbonden om alles in het werk te stellen om “gevaarlijke klimaatopwarming” te vermijden. Concreet betekent dat de opwarming onder de 2°C houden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Dat zal een gigantische inspanning vergen. We zitten nu al aan een opwarming van 0,76°C. Als we nog greep willen krijgen op het probleem, stellen de wetenschappers, moet de wereldwijde uitstoot in 2015 pieken, en nadien drastisch krimpen.

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) stelt dat industrielanden daarvoor hun broeikasgasuitstoot moeten verminderen met 25 tot 40 procent tegen 2020 en dat de opkomende landen hun uitstoot minder snel mogen laten toenemen. Tegen 2050 moet de wereldwijde uitstoot met de helft verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Voor de rijke landen houdt dat een uitstootdaling met 80 tot 95 procent in. Over vier decennia moeten wij dus een koolstofneutrale samenleving hebben.

Duidelijke cijfers

‘We zijn niet eens begonnen met het oplossen van het probleem’, stelt Kirk Hamilton bij de presentatie van het Wereldbankrapport 2010 Ontwikkeling en Klimaatwijziging. Hij staaft zijn bewering met een belangrijk cijfer: wereldwijd gaat er vandaag nog steeds 150 miljard dollar per jaar aan subsidies naar fossiele brandstoffen. En dat terwijl we weten dat we af moeten van die fossiele brandstoffen. Elke dag uitstel is een eeuw verloren, omdat de CO2 die we vandaag uitstoten een eeuw in de atmosfeer blijft.

Het wegennet dat we vandaag ontwerpen, bepaalt de mobiliteit van de komende decennia. De keuzes die we vandaag maken, doen er dus wel degelijk toe. We moeten nú handelen, het moet anders en het moet gezamenlijk gebeuren. Dat is de boodschap van het Wereldbankrapport. Jos Delbeke, Europees topambtenaar van het directoraat-generaal Milieu, bekrachtigt die uitspraak: ‘Een beleid maken kost jaren, en vervolgens is het nog eens vijf of tien jaar wachten om de impact van dat beleid te kunnen meten. Uitstel is dus geen optie.’

Een van de voorwaarden voor een akkoord is een duidelijke en betrouwbare klimaatfinanciering voor de ontwikkelingslanden. Over de bedragen lopen de studies uiteen, maar de EU gaat momenteel uit van een bedrag van jaarlijks 100 miljard euro tegen 2020. Dat is evenveel als de subsidies voor fossiele brandstoffen. Een deel van die 100 miljard euro moet door de ontwikkelingslanden zelf betaald worden, een deel moet uit de uitstoothandel komen en een bedrag tussen de 22 en de 50 miljard dollar moet uit publieke fondsen komen. Hoeveel daarvan door de EU opgebracht wordt, blijft onduidelijk.

Zowel de ministers van Leefmilieu, hun collega’s van Economie en Financiën (Ecofin) als de staats- en regeringsleiders werden het eind oktober niet eens over een concreet bedrag. Het uitgangspunt zou wel zijn dat de EU een derde van die 22 tot 50 miljard dollar voor haar rekening neemt, in de hoop dat de VS hetzelfde doen. De milieu-ngo’s vinden dat de EU 35 tot 45 miljard voor haar rekening moet nemen vanaf 2020, terwijl de EU bedragen tussen 2 en 15 miljard euro naar voren schuift. Duitsland ligt voorlopig dwars, omdat het land twintig procent van de EU-bijdrage zou moeten betalen.

Ook de lastenverdeling tussen de Europese landen onderling is een heikel punt. Het voorstel van de Europese Commissie is dat de bijdrage van elk land bepaald wordt door enerzijds de financiële draagkracht en anderzijds de uitstoot. De Oost-Europese landen willen echter dat hun uitstootniveau niet meetelt omdat hun economie nog erg vervuilend is en zij toch tot de armere landen behoren. Ze willen ook niet betalen “voor Brazilië en India”.
Het enige wat als EU-engagement overeind blijft, is te werken aan een wettelijk bindend akkoord waarvoor in Kopenhagen het politieke raamwerk wordt opgezet.

De Oost-Europese positie van Vlaanderen

België is vanaf het begin voorstander van een duidelijk cijfer voor de klimaatfinanciering van ontwikkelingslanden. In zijn antwoord op de parlementaire vragen die Tinne Van der Straeten van Groen! hierover stelde in voorbereiding van de Ecofin-vergadering, bevestigt minister van Financiën Reynders dat België zich achter de cijfers van de Europese Commissie schaart. Reynders geeft zelfs toe dat de schatting van 100 miljard euro aan de lage kant is en beschouwd moet worden als een minimumdrempel.

In een verslag van Ecofin en de Europese Milieuraad in het blad Europolitics lezen we echter: ‘(…) alhoewel België zich de voorbije tien jaar in dit debat op de achtergrond gehouden heeft, blijkt Vlaanderen –dat gedurende een jaar Europese klimaatfinanciering gesteund heeft– in toenemende mate terughoudend voor de cheque die het misschien zal moeten uitschrijven.’

Diverse bronnen bevestigen ons dat Vlaanderen in de discussies ter voorbereiding van de onderhandelingen erop stond dat de teksten expliciet zouden vermelden dat ‘er rekening gehouden moet worden met de specifieke situatie van energie-intensieve lidstaten’. Hiermee stelt Vlaanderen zich op het standpunt van Polen. Ook vorig jaar nam Vlaanderen die houding aan, toen er onderhandeld werd over het Europese klimaat- en energiepakket, waar men verkregen heeft dat België meer inkomsten zal krijgen uit de veiling van de uitstootrechten, net als de Oostbloklanden. En dat terwijl Vlaanderen tot de welvarendste regio’s van de wereld behoort.

De bedragen die genoemd worden voor de klimaatfinanciering van de ontwikkelingslanden ogen gigantisch, maar zijn tegelijk erg relatief. Het Federaal Planbureau schat dat de jaarlijkse bijdrage voor België in 2020 tussen 200 miljoen en bijna 1 miljard euro zou bedragen. Dat komt neer op 0,1 procent van het bbp of zo’n 10 tot 28 procent van de te verwachten opbrengsten van de veiling van uitstootrechten. De orkanen die de voorbije maanden de Filippijnen troffen, kosten het land zo’n 13,5 procent van het bbp. In Bolivia kostte El Niño tien jaar geleden 7 procent van het bbp. De prijs van de klimaatontregeling is in het Zuiden veel hoger.

Ontwikkelingsgeld & klimaatgeld

We kunnen hier wel veel doen, maar daar zit een limiet op, anders mogen we niets meer, zelfs niet meer ademen.
Omdat de opwarming nu al schade aanricht in het Zuiden en men niet kan wachten met die steun tot 2020, wordt er ook onderhandeld over kortetermijnfinanciering: 5 tot 7 miljard euro per jaar tussen 2010 en 2013. Op de Europese Raad is ook beslist dat de lidstaten daarvoor geen verplichte bijdragen krijgen opgelegd. Bernarditas Muller, die de klimaatonderhandelingen voor de G77 & China-groep leidt, wees er in een hoorzitting in het Europees parlement op dat China nu al financiële steun geeft aan kleine eilandstaten in Zuidoost-Azië en aan Afrikaanse landen die kampen met de gevolgen van de opwarming. De ontwikkelingslanden willen daarom ook niet dat China in de onderhandelingen losgeweekt wordt van het blok van de G77, want dat is volgens hen een verdeel- en heerspolitiek.

De ontwikkelingslanden willen dat de klimaatfinanciering boven op de al bestaande regelingen komt en niet uit de bestaande ontwikkelingshulp gehaald wordt. Op dit ogenblik staat er in de onderhandelingstekst de vage zin: ‘Het Kopenhagenakkoord mag het bereiken van de millenniumdoelen niet in het gedrang brengen.’ Met de kanttekening ‘dat het zo goed als onvermijdelijk is dat klimaatfinanciering en ontwikkelingshulp op een of andere manier zullen overlappen en complementair zijn’.

Ook de Vlaamse Noord-Zuidbeweging wil dat er extra geld komt boven op de 0,7 procent en een ontwikkelingsbeleid dat afgestemd is op de nieuwe noden die de klimaatverandering schept. Jean-Pierre De Leener van 11.11.11: ‘De 0,7 procent van het bbp voor ontwikkelingssamenwerking zou federaal kunnen blijven . En de gewesten zouden daar 0,7 procent voor klimaathulp kunnen bijdoen. Klimaatbeleid is immers gewestmaterie in België.’

Een effectief klimaatbeleid

De EU wil 20 procent uitstootvermindering ten opzichte van 1990 realiseren tegen 2020 – en 30 procent ‘indien andere grote vervuilers vergelijkbare inspanningen leveren en indien de snelst groeiende ontwikkelingslanden inspanningen leveren in verhouding tot hun verantwoordelijkheden en mogelijkheden’. Maar als we in de buurt van de 2°C opwarming willen blijven, moeten er reducties tussen de 25 en de 40 procent gerealiseerd worden en moet de uitstoot pieken in 2015 en niet in 2020.

Bij een bespreking om de onderhandelingstekst voor de Europese Milieuraad van oktober in die zin aan te passen, steunden vertegenwoordigers van het Brusselse en het Waalse gewest dat voorstel, maar ‘andere deelnemers vonden dat het politiek niet verstandig zou zijn om deze agreed language nu plots te gaan veranderen’. Vlaanderen staat dus op de rem en lijkt de urgentie van de klimaatuitdaging onvoldoende te beseffen.

Het Vlaamse noch het federale beleid is echt bezig met het ontwikkelen van een koolstofarme economie – de overkoepelende doelstelling van het klimaatbeleid. Vlaams minister Schauvliege wil eerder uitstootkredieten aankopen in het buitenland –‘We kunnen hier wel veel doen, maar daar zit een limiet op, anders mogen we niets meer, zelfs niet meer ademen’, zei ze in De Standaard op 5 oktober– dan zelf nog iets te doen.

En het Rekenhof was in juni vernietigend over het federale beleid ter zake. Het Federaal klimaatbeleid. Uitvoering van het Kyotoprotocol stelt onomwonden dat er geen federaal klimaatplan is en dat het federale klimaatbeleid niet wordt geëvalueerd. Bij elf van de vijftien maatregelen voor uitstootvermindering zijn er tekortkomingen vastgesteld. Minister Magnette, bevoegd voor Klimaat en Energie, antwoordde ‘dat het rapport van het Rekenhof overeenstemt met de actuele toestand’.

In MO* 67 had Magnette het al over het BHV-gehalte van het Belgische klimaatbeleid: de al te grote verbrokkeling, de onmogelijkheid iets aan bestaande afspraken te wijzigen en het gebrek aan controlemechanismen. Op die manier wordt er onnodig geld uitgegeven voor de aankoop van uitstootrechten die we in deze conjunctuur van economische crisis helemaal niet dienden aan te kopen omdat we ver onder onze Kyotonorm zitten. Magnette werkt aan een nieuwe klimaatwet, maar bij Vlaanderen heet het al dat dit “materie is voor de staatshervorming”. De goedkeuring van zo’n nieuwe wet kan dus nog wel even op zich laten wachten.

Ambities bijstellen

Naarmate Kopenhagen nadert, neemt de druk toe. Misschien was het daarom dat minister Schauvliege iets krachtiger klonk op de Commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement, eind oktober. Daar stelde ze: ‘Het totaal van de reductiepercentages van broeikasgassen die door de Annex I landen naar voren zijn geschoven, is op dit moment niet voldoende om de 2°C doelstelling binnen bereik te brengen. Ik steun dan ook ten volle de oproep van de Europese leefmilieuraad aan de ontwikkelde landen om met meer ambitieuze voorstellen voor emissiereducties naar voren te komen en ook de oproep aan de verder gevorderde ontwikkelingslanden om ambitieuze reductiemaatregelen te nemen.’ En nog: ‘Er mogen geen mogelijkheden gecreëerd worden waardoor de reductiedoelstellingen de facto uitgehold worden.’ De minister heeft gelijk, en hopelijk wordt ook het Belgische beleid aan die criteria aangepast.

Een ambitieuze houding van België en Vlaanderen in de klimaatonderhandelingen is absoluut noodzakelijk en kan een verschil maken voor het uiteindelijke nieuwe akkoord. Het volgen van het Europese milieubeleid in het federale België wisselt om de zes maanden. Op dit moment heeft de Brusselse minister van Milieu Evelyne Huytebroeck van Ecolo het woordvoerderschap. Vanaf begin 2010 wordt dat Joke Schauvliege. Zij zal die functie achttien maanden vervullen, omdat België in de tweede helft van 2010 het EU-voorzitterschap heeft en de bevoegde minister zowel in de zes maanden ervoor als de zes maanden erna de agenda mee in de gaten houdt. Vlaams minister Schauvliege zal dan ook het huiswerk dat de EU na Kopenhagen moet maken coördineren en hopelijk trekken.

Dat is niet de eerste keer. Op de klimaatconferentie in Den Haag in 2000 werd er ook geen akkoord bereikt over het ratificeren van het Kyotoprotocol. Er kwamen toen een extra top in Bonn (juli 2001) en een in Marrakech (november 2001), beide tijdens het Belgische voorzitterschap. De Belgische delegatie heeft toen, met EU-commissaris voor Milieu Margot Wallström, een wereldreis ondernomen, om ervoor te zorgen dat voldoende landen het Kyotoprotocol zouden ratificeren, toen duidelijk was geworden dat de VS het niet zouden doen. En dat is gelukt. Ook ditmaal wacht ons land een uitdaging van wereldformaat. Erin falen zal België en Vlaanderen zwaar aangerekend worden.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.