Nagorno-Karabach, het land dat niet bestaat

MO*journalist Kristof Clerix reisde eind september 2010 twee weken door Armenië en Nagorno-Karabach. Een eindeloze reeks schietincidenten aan de “grens” met Azerbeidzjan doet de spanningen rond de betwiste regio opnieuw oplopen. Hieronder de reisblog in woord en beeld.

Dinsdag 21 september

Vandaag vertrekt mijn vliegtuig naar de Azerische hoofdstad Bakoe. Ik zit er niet op. Vijf weken na mijn visumaanvraag heeft de ambassade van Azerbeidzjan me nog altijd geen visum afgeleverd. Doorgaans duurt dat vijf tot zeven dagen. Maar al vanaf het moment dat ik het consulaat in Brussel binnenstapte, was duidelijk dat dit niet van een leien dakje zou lopen. Aangezien eerlijkheid al vaak mijn beste levensverzekering is gebleken in de journalistiek, vertelde ik de consul dat ik van plan was Armenië, Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach te bezoeken voor een MO*reportage. ‘Als je een visum voor België aanvraagt, zeg je toch ook niet dat je naar België en Luik wil reizen?’ Meteen is duidelijk dat het conflict rond Nagorno-Karabach anno 2010 nog altijd bijzonder gevoelig ligt.

Drie bezoeken aan de ambassade, een persoonlijk onderhoud van twee uur met de ambassadeur en talloze telefoontjes naar het consulaat ten spijt, wordt er geen visum afgeleverd. Doorgaans belanden personen die in Nagorno-Karabach zijn geweest op een zwarte lijst en mogen ze Azerbeidzjan nooit meer binnen. Elk bezoek van een buitenlander aan de betwiste regio wordt immers gezien als een legitimatie van de bestaande situatie. Maar omdat de ambassade sympathie heeft voor mijn openheid en naar eigen zeggen niet graag visa weigert aan journalisten (mijn argument dat het toch jammer zou zijn om niet de kijk van Azeri’s te kunnen brengen in mijn reportage speelt daarin mogelijk mee), probeert ze een tussenoplossing uit te werken: ik mag naar Nagorno-Karabach én Azerbeidzjan als ik bereid ben een verklaring te ondertekenen dat ik geen propaganda zal maken voor Nagorno-Karabach. Geen probleem. En de Azerische minister van Buitenlandse Zaken himself moet mijn visumaanvraag goedkeuren. ‘I am nobody in this case’, zegt de consul herhaaldelijk. Maar op een antwoord uit Bakoe blijft het tevergeefs wachten.

Woensdag 22 september

jonge militairen in Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach

Na intern overleg besluit ik alsnog naar Armenië en Nagorno-Karabach af te reizen. De aanleiding voor een MO*reportage over het Nagorno-Karabach-conflict, dat begin jaren negentig 30.000 mensenlevens eiste en sindsdien onopgelost bleef, is veelvoudig. De oorlog tussen Georgië en Rusland over Abachazië en Zuid-Ossetië in 2008 heeft aangetoond dat de zogenaamde bevroren conflicten uit het postsovjettijdperk nog steeds in alle hevigheid kunnen losbarsten. Ten tweede is er de uitspraak van het Internationaal Hof van Justitie, dat in juli 2010 de onafhankelijkheid van Kosovo legitimeerde –mogelijk een precedent voor Nagorno-Karabach. En ten slotte zijn er talrijke recente ontwikkelingen in de Zuid-Kaukasus zelf. Nog nooit hadden de presidenten van Armenië en Azerbeidzjan elkaar zo vaak ontmoet tijdens vredesgesprekken als het afgelopen jaar. Nog elk jaar vinden tientallen dodelijke schermutselingen plaats rond de contactlijn tussen Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach (op de foto: jonge militairen in Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach). Aartsvijanden Turkije en Armenië zochten recent wat meer toenadering. Azerbeidzjan investeert zijn olie- en gasinkomsten massaal in defensie. En Rusland verlengde in de zomer van 2010 zijn militaire aanwezigheid in Armenië. Een explosieve cocktail of de beste garantie voor een bemiddelde oplossing?

 In het holst van de nacht land ik in Jerevan. Zodra je het luchthavengebouw buitenstapt, overvalt je de grauwheid die zo typisch is voor ex-Sojetrepublieken. Mijn taxi is een Volga, de chauffeur spreekt Russsich.

Donderdag 23 september (1)

In een loungy koffiebar, inclusief seventies-lusters en designmagazines, aan de voet van het cascade-cultuurpaleis in de Armeense hoofdstad Jerevan schuilen twee jonge Armeense linguïstiekstudentes voor de regen. Eigenlijk moesten ze in de Italiaanse les zitten op de universiteit, maar het academiejaar is nog maar pas begonnen en ze moesten nog heel wat bijkletsen. De hele buurt tussen de cascade en het centrale Republieksplein in Jerevan ademt iets mondains (naar post-Sovjet-normen welteverstaan) uit: de muzikanten van de opera roken een sigaretje in de kelderbar, paartjes kuieren door groene parkjes met Monmartre-venters, in de gloednieuwe shoppingstraat trekken de vitrines van mobiele telefonie en fastfood de aandacht. ‘Jerevan kan je niet vergelijken met de rest van Armenië. Elders zijn de mensen de hele dag keihard aan het werk; hier kan je goed leven en je ontspannen’, zegt een van de twee studentes. Haar grootvader is geboren in NK, maar zelf is ze er nog nooit geweest. En ze ligt er ook niet wakker van. Zij droomt over reizen naar la dolce Italia, niet over de bergen van de Kaukasus. ‘Je hebt twee soorten Armeniërs: zij die voor Nagorno-Karabach zijn, en zij die tegen zijn. Ja, die heb je ook. De vorige en de huidige president zijn afkomstig uit Nagorno-Karabach. De critici vinden dat zij teveel doen voor Nagorno-Karabach en te weinig voor Armenië zelf, vandaar.’

Donderdag 23 september (2)

‘Kleven we het visum in je paspoort of heb je het liever op een velletje apart?’, vraagt de consul van NK. ‘Sommige landen kunnen later misschien moeilijk doen. Je weet wel wie ik bedoel.’ De visakost, 6 euro, moet je een verdieping hoger gaan betalen, bij de boekhouder. Voor het invullen van het visaformulier zelf, moet je dan weer een verdieping lager ‘aan de grote zwarte tafel’ zijn. Hoe kleiner het land – Nagorno-Karabach telt amper 140.000 inwoners- des te plechtstatiger de visa-afhandeling. Maar het moet gezegd: met een glimlach en in geen tijd is het visum afgeleverd. En of ik geen kaart wil kopen van de regio: Armenië, Nagorno-Karabach en zeven bezette regio’s van Azerbeidzjan –samen in één grens gepropt. Zeven euro voor zo’n unicum dat je waarschijnlijk alléén hier kan vinden.

Donderdag 23 september (3)

In het Ani Plaza hotel klinkt overal Engels met een vet Amerikaans accent. September is hoogseizoen voor toerisme in Armenië, en dan zakken massaal veel diaspora-Armeniërs af uit de VS. Armenië telt twee miljoen mensen maar buiten het land wonen maar liefst vijf miljoen Armeniërs.

Volgens Armen (zie foto), de Iraanse eigenaar van het souvenirswinkeltje in Ani Plaza, zijn de diaspora-Armeniërs fanatieker over Nagorno-Karabach dan de huidige inwoners van Armenië. De diaspora is immers opgegroeid met romantisch-nationalistische idealen. Armen kan het weten: hij groeide zelf op in Iran –heeft een Iraans paspoort- en woont sinds tien jaar terug in Jerevan. Stuurde MBA en deed vorig jaar twee maanden stage in Brussel.

De invloed van Iran mag je niet onderschatten in het conflict, zegt Armen. Iran heeft tijdens de Nagorno-Karabach-oorlog Armenië zelfs geholpen, met hulpgoederen en volgens sommigen ook met wapens. Punt is dat Iran niet wil dat Turkije en Azerbeidzjan samen een soort groot-Turkije zouden worden, met toegang tot de Middellandse Zee en de Kaspische Zee. Zo’n sterke buur wil Teheran liever niet naast de deur. Daarom zou Iran Azerbeidzjan/Armenie? steunen. En neen, Nagorno-Karabach moet geen schrik hebben voor een nieuwe oorlog. De Russische president Medvedev is onlangs nog in Armenië geweest om de aanwezigheid van Russische troepen op Armeens grondgebied met een parafje te verlengen. Is meteen duidelijk voor Azerbeidzjan dat de militaire oplossing géén optie is.

Vuurwerk verlicht de hemel boven Jerevan. Blijkt dat lokale oligarchen niet op een frank meer of minder kijken om hun verjaardag te vieren.

Vrijdag 24 september (1)

‘Mag ik je visa van Nagorno-Karabach eens zien?’ Nederlander Carel Hofstra, de nummer twee van de OVSE-vertegenwoordiging in Jerevan (de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa), mag zelf het betwiste gebied niet bezoeken. De OVSE bemiddelt weliswaar in het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan, maar alleen de mannen van de ‘Personal Representative of the OSCE Chairman in Office’ die vanuit Georgie, neutraal grondgebied, werken. Het OVSE-kantoor in Yerevan mag zich alleen tegen democratiseringsproblemen in Armenie zelf aanbemoeien en Carel vertelt honderduit over de situatie. Over de invloed van lokale oligarchen (‘De overheid moet dringend een aantal monopolies aanpakken’). Over de mensenrechtensituatie in Armenië. Of over de Russen die een aantal sleutelsectoren in de Armeense economie in handen hebben. Gevolg: regent het in Moskou, dan druppelt het in Jerevan. Dat Armenië het in 2008 economisch hard te verduren kreeg, heeft veel te maken met de economische malaise in Rusland –ook indirect, aangezien heel wat Armeniërs in Rusland werken, en nu minder geld konden terugsturen naar hun thuisland.

Vrijdag 24 september (2)

In heel Armenië is welgeteld één vlag van Azerbeidzjan te vinden. Niet voor een of andere ambassade maar wel in Ararat, de lokale brandy-distillerij en alcoholische trots van Armenië. Tussen de honderden vaten waarin het rijpingsproces zich gedurig voltrekt, staat één vat dat refereert aan het Nagorno-Karabach conflict. Daarrond de vlaggen van Armenië, Nagorno-Karabach en Azerbeidzjan, broederlijk naast die van de landen die binnen de zogenaamde Minsk-groep van de OVSE een vredesproces proberen op gang te trekken –Rusland en de VS. ‘Dit vat leggen we pas aan op de dag dat er een echt vredesakkoord is getekend’, zegt de gids van Ararat. ‘Brandy moet een tijdje rijpen… maar té lang is ook niet goed.’

Vrijdag 24 september (3)

Een tiental minuten buiten het centrum van Jerevan heb je een fantastisch uitzicht boven de stad. Hier, op de Tsitsernakaberd-berg, herinnert een stilistisch strak maar somber grijs gebouw aan de Armeense genocide. Het genocidemuseum toont bezoekers een verzameling pakkende zwart-foto’s, schilderijen, historische documenten en krantenknipsels over de zwarte bladzijde uit de Armeense geschiedenis. Museumdirecteur Hayk Demoyan vertelt dat tussen 1915 en 1922 zowat 1,5 miljoen Armeniërs zijn omgebracht door de Ottomanen. Bijna een eeuw later hebben nog maar een twintigtal landen –waaronder België- de genocide officieel erkend. Demoyan: ‘Toch mag dit geen kwestie van politiek zijn. Het gaat hier om geschiedschrijving, en die is in het belang van de mensenrechten van alle Europeanen.’

Gids Rose, een vlotte twintiger die nog in Moskou gestudeerd heeft, zegt dat ik zeker naar het vertrek met buitenlandse pers moet gaan kijken. ‘Dan kan je zelf zien dat heel wat internationale kranten destijds over de moordpartijen hebben geschreven.’ Af en toe komen ook Turken op bezoek in het museum, zegt ze. ‘Sommigen bieden hun excuses aan, anderen zeggen niets.’ Zelf had ze in Moskou vrienden van overal, maar met een Turk trouwen, neen, dat kan Rose zich niet inbeelden. ‘Turken zijn moslim, dat gaat niet.’

Vrijdag 24 september (4)

In een achterbuurtje met grauwe Sovjetblokken en door de zon verbleekte speeltuigjes overwoekerd door onkruid wandelt een charmante zeventiger met zijn kleinzoon. Blijkt dat hij perfect Engels spreekt. ‘Ik ben in het begin van de jaren negentig nog in Nederland en België geweest. Met een diplomatiek paspoort.’ Neen, hij is geen oud-diplomaat. ‘Soms werden die paspoorten ook voor andere jobs afgeleverd.’ De man heeft naar eigen zeggen een tijdlang op een technologische afdeling van Philips in Nederland gewerkt. Hmmm. Talenknobbel, technologiekennis en een diplomatiek paspoort? Ik vertel hem dat ik in België regelmatig schrijf over inlichtingendiensten. Hij glimlacht. ‘Die jaren in de Benelux waren van de beste in mijn leven.’ Nu geniet hij van zijn oude dag. ‘Een blokje om wandelen met mijn kleinzoon, elke dag opnieuw.’

Vrijdag 24 september (5)

Vier muzikanten brengen een liveversie van Cantaloop van US3 in jazzclub Malxas in de Pushkinstraat. Acht euro voor een pintje, niet voor iedereen weggelegd. IT-professionals kunnen in Jerevan 1500 euro per maand opstrijken maar taxichauffeurs of schoolmeesters moeten het met slechts een paar honderd euro stellen. Wat verderop, in een club met te veel spiegels en neonlicht, legt de DJ een Armeense versie op van Alors on danse van de Belgische Stromae. Grappig. Op stap gaan in de voormalige Sovjetunie is altijd wel een belevenis op zich.

Zaterdag 25 september (1)

De universiteit? van Tsaghkadzor, op een uur rijden van Jerevan, vormt het kader voor een heuse internationale vredesconferentie voor jongeren. Uit twaalf landen zijn jeugdwerkers afgezakt om een week lang best practices uit te wisselen rond vredesopbouw en verzoening. Studente Ani Mkrtchyan (21; zie foto), vertegenwoordiger van de ngo New Armenia, heeft er voor het eerst in haar leven met een Turk gesproken. ‘Toen ik hem op de eerste dag ontmoette, kolkte mijn bloed’, zegt Ani. ‘Meestal loop ik een boogje om wanneer ik Turken tegenkom. Maar intussen heb ik dat gevoel opzijgezet en kunnen we goed opschieten. Dat is voor mij het belangrijkste dat ik op deze conferentie heb geleerd.’ Ani noemt zichzelf geen nationaliste, maar de liefde voor haar vaderland is toch wel heel groot. ‘Als het tot een nieuw gewapend treffen komt rond Nagorno-Karabach, dan zal ik mee naar de frontlijn trekken om onze vaders en broers bij te staan.’

In geweld als oplossing gelooft Eleonore Bulghadaryan (22) niet. Ook zij neemt deel aan het vredeskamp. ‘Ik wil gewoon dat er vrede komt. En natuurlijk dat Nagorno-Karabach onafhankelijk wordt, niet van Armenië is maar ook niet van Azerbeidzjan.’ Opvallend wel dat Eleonore als hoogopgeleide jongere niet eens weet dat Armenië momenteel niet enkel Nagorno-Karabach bezet maar ook zeven Azerbeijaanse regio’s daarrond. ‘Maar dat mag je niet veralgemenen’, zegt ze. ‘Ik ben gewoon slecht geïnformeerd.’

Zaterdag 25 september (2)

Koorts, kotsen, rillen, diarree. Het moest er van komen. Voedselvergiftiging. Het broodje van gisteravond. Ik voel zo de fut uit mijn lichaam trekken en kan amper nog pap zeggen. Het hotel belt een dokter. Een kwartier later staat een arts vergezeld van twee verpleegsters, de veiligheidsmanager van het hotel en een vertaler voor mijn kamerdeur. Euh, dat is een beetje overdreven voor mijn situatie. ‘Nee hoor, standaardprocedure, zo werkt het hier in Armenië. Onze geneeskunde is beter dan in West-Europa.’ Twee zakjes serum, met plakband tegen het behangpapier gekleefd, moeten mij rehydrateren. Anderhalf uur lang blijven de vijf mij vergezellen. Voorschriftje voor antibiotica en zoutwater. ‘Dat is dan dertig euro alles samen.’

Terwijl ik ziek in bed lig in Jerevan geeft de Armeense minister van Buitenlandse Zaken Edward Nalbandian in New York een toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Hij verwijt Azerbeidzjan het conflict rond Nagorno Karabach op de spits te drijven door ‘oorlogsretoriek, toenemende schendingen van het staakt-het-vuren-regime en een onuitgegeven toename’ in militaire investeringen.

Zondag 26 september

Hele dag in bed. Ziek.

Maandag 27 september (1)

In de aanloop naar de Nagorno-Karabach-oorlog vluchtten zowat 350.000 Armeniërs weg uit Azerbeidzjan. Om en bij de 750.000 Azeri’s vluchtten op hun beurt uit Armenië, Nagorno-Karabach en zeven Azerische regio’s daarrond. For the record: over die aantallen bestaat discussie. De cijfers die ik citeer komen uit Black Garden van de Britse onderzoeker Thomas de Waal, een van de weinige Engelstalige boeken over het onderwerp. Heel wat Armeense vluchtelingen uit de Azerische hoofdstad Bakoe vonden een onderkomen in Jerevan.

Nikolay Babajanian (64) is een man van documenten. Om zijn verhaal over de vlucht uit Bakoe te staven, haalt hij een hele folder papieren boven, met daarin niet alleen talrijke persartikels maar ook de overlijdensakte van zijn zus, ‘omgebracht in Bakoe’. Nooit wil hij nog terug naar Azerbeidzjan, maar af en toe heeft hij wel nog telefonisch contact met Azerische vrienden van weleer.

Maandag 27 september (2)

In een dorpje op een kwartier rijden van Jerevan stelt Nikolay me voor aan Karina Babayan (15). Ze heeft een dagje vrijaf gekregen op school om de ‘buitenlandse pers’ te woord te staan. Karina, die in Jerevan geboren werd nadat haar ouders Bakoe waren ontvlucht, woont in een woning gesponsord door Noors hulpgeld. Moest ze een boodschap naar de president van Azerbeidzjan kunnen sturen, dan zou dat als volgt klinken: ‘We willen vrede, maar Nagorno-Karabach moeten jullie loslaten.’ Karina is wat ze hier een A-studente noemen, de beste van de klas, en ze is dol op geschiedenis. Ze vertelt honderduit over de Nagorno-Karabach oorlog. ‘Moest het opnieuw tot een militair treffen komen, dan zal ik meehelpen, in welke rol dan ook.’ Haar moeder knikt: ‘Natuurlijk wil je niet dat je kind naar het front trekt. Maar als zij ervoor zou kiezen, dan is het zo.’

Na een kleine week in Armenië ben ik nog niemand tegengekomen die vindt dat Nagorno-Karabach gerust bij Azerbeidzjan mag blijven. Mijn tolk lacht: ‘Je zult nog heel lang moeten zoeken.’

Maandag 27 september (3)

Aan het Plein van de Republiek (voorheen het Leninplein) liggen alleen maar imposante gebouwen. Eén daarvan is het ministerie van Buitenlandse Zaken. In een broeierig hete vergaderzaal op de derde verdieping lichten twee medewerkers van het departement –‘schrijf maar “bronnen binnen Buitenlandse Zaken”’- het regeringsstandpunt rond Nagorno-Karabach toe. Wanneer ik vraag hoeveel water Armenië bij de wijn wil doen in de vredesonderhandelingen, blijven ze bewust op de vlakte. ‘We gaan onze onderhandelingspositie toch niet zomaar blootgeven? Wat we wel kunnen zeggen, is dat de toekomst van Nagorno-Karabach voor ons in handen ligt van de inwoners van de regio: zij moeten zelf kunnen beslissen over hun lot.’ De heren in maatpak wijzen erop dat Azerbeidzjan de voorbije jaren fel heeft geïnvesteerd in militaire uitgaven. ‘Maar we hebben geen schrik. Ook Armenië en Nagorno-Karabach hebben goede legers.’ Maar is niet vooral de Russische militaire steun een stok achter de deur? ‘Dat de Russische president Medvedev onlangs in een bilaterale overeenkomst de Russische aanwezigheid in Armenië met 24 jaar heeft verlengd, is niet zozeer van militaire maar wel van politieke betekenis’, klinkt het. ‘Het is een signaal aan Bakoe dat een gewapend treffen géén optie is.’

Door het centrum van Jerevan slenteren twee backpackers met Vlaams accent. Tuur en Ward trekken door de Zuidelijke Kaukasus om vogels te spotten. De Gentse studenten, jonge twintigers en rasechte JNM’ers, zijn net terug van een paar dagen Nagorno-Karabach. Een vriendelijke militair die ze onderweg hadden leren kennen en vlot Engels sprak, was hun gewillige gids in de betwiste regio. ‘Je merkt niet echt dat er daar een conflict is, al lopen er wel opvallend veel militairen rond.’

Dinsdag 28 september (17)

Politiewagens voor het Ani Plaza hotel, een metaaldetector wordt geïnstalleerd. Straks komt de president langs. In de lift. Een oude dame, net iets te fel geschminkt: ‘Van waar ben jij?’ België. En zelf? ‘Ik woon in de VS maar mijn grootouders zijn afkomstig uit Nagorno-Karabach. Gisteren ben ik er nog geweest, ik heb heel wat geweend. Ik ga er elk jaar opnieuw naartoe, maar het blijft emotioneel. En wat doe jij hier?’ Journalist. Ik schrijf over het conflict. ‘Keep our sorrow in mind when you do that. It’s painful.’

Op aanraden van de OVSE ontmoet ik in Jerevan de directeurs van twee denktanks over de Zuid-Kaukasus. Alexander Iskandaryan komt uit Rusland, Richard Giragossian uit de Verenigde Staten. Iskandaryan (zie foto) legt uit dat je de situatie in de Zuid-Kaukasus het beste kan vergelijken met Europa in de negentiende eeuw, toen de natiestaten zich vormden. ‘Na het uiteenvallen van de Sovjetunie, nog maar twintig jaar geleden, zie je hier hetzelfde gebeuren. Als je vanuit dat kader naar Nagorno-Karabach kijkt, dan begrijp je dat dit niet zomaar op één-twee-drie opgelost geraakt. Het is een proces dat tijd nodig heeft.’ Hij vindt de huidige status quo dan ook prima. ‘Hoe het er op langere termijn zal uitzien, kan ik niet voorspellen. Net zoals je in het negentiende eeuwse Europa niet kon bevroeden dat Engeland, Frankrijk, Oostenrijk en een hoop andere landen samen de Europese Unie zouden vormen.’

Dinsdag 28 september (2)

Het opleidings- en onderzoeksinstituut van Iskandaryan is gehuisvest in een bescheiden gebouw op een steenworp van het Plein van de Republiek. Dat van Giragossian ligt wat verder uit het centrum, maar baadt wel in luxe. Past helemaal bij het indrukwekkende CV van de onderzoeker. Giragossian heeft gewerkt voor het Amerikaanse parlement (onder meer als liaison met de CIA), deed journalistieke opdrachten voor Radio Free Europe en is expert voor een hele reeks internationale organisaties. Hij heeft drie jonge stagiars uitgenodigd om ons gesprek bij te wonen.

Giragossian vertelt dat hij erg bezorgd is om de schendingen van het staakt-het-vuren de voorbije maanden. ‘Het gaat niet alleen meer om sluipschutters die over de grens heen en weer schieten, maar ook om inlichtingenmissies die de grens oversteken en verzeild geraken in vuurgevechten. Ik ben vooral bang dat zo’n kleine incidenten een grote oorlog kunnen uitlokken. Azerbeidzjan spendeert weliswaar massa’s geld aan defensie, maar er is heel wat corruptie en ik vind het leger erg onvoorspelbaar. En net dat baart me zorgen.’ Net als Iskandaryan vindt ook Giragossian dat de huidige situatie al bij al nog niet zo slecht is. ‘De komende tien-vijftien jaar zal er waarschijnlijk weinig veranderen. Hier moet een generatie over heen gaan.’

Woensdag 29 september (1)

Wijdse vergezichten en imposante bergen in beige-bruin-groene tinten, hier en daar een klein dorpje, langs de weg stalletjes met gigantische watermeloenen en zelfgemaakte wijn, de rit van Jerevan naar Stepanakert (de hoofdstad van Nagorno-Karabach) duurt een goede zes uur.

Woensdag 29 september (2)

Een grensovergang die naam waardig is er niet. Bezoekers worden welkom geheten door een bord van de lokale gsm-operator in het midden van de bergen, een kilometer verderop is de enige officiële controlepost. Nou ja. Twee agenten, de kepie nonchalant uitgestald op het blauwe, afgeblakerde houten tafeltje voor een kleine barak, noteren de nummerplaten van iedereen die Nagorno-Karabach in of uit wil. Buitenlanders moeten hun paspoort en visum tonen, en mogen daarna zonder veel gemor verder rijden.

Woensdag 29 september (3)

Verder door naar Stepanakert herinnert een afgedankte tank op een bergflank aan het gewapend conflict van 1992-1994. De tank is symbool voor de “bevrijdingsstrijd”, aangezien ze door de Armeniërs succesvol werd ingezet op een keerpunt in het conflict. Een ook de talrijke aanwezigheid van militairen –jonge gasten net de schoolbanken ontgroeid, en allemaal ongewapend- maakt duidelijk dat dit geen gewone stad is. De sfeer is echter opvallend relaxed, een gezellig provinciestadje quoi.

Woensdag 29 september (4)

Op het Informatiedepartement van Buitenlandse Zaken (zie foto) levert Marina mijn persaccreditatie af. ‘Je weet toch dat je niet overal in Nagorno-Karabach mag komen?’ Excuus? ‘Hebben ze je op onze vertegenwoordiging in Jerevan dan niet verteld dat de Contactlijn, Agdam en Kelbajar verboden terrein zijn voor buitenlanders?’ Niet dus. Dat de contactlijn, de de facto grens met Azerbeidzjan, een nogozone is, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Het gevaar op rondvliegende kogels van sluipschutters is er reëel. Maar waarom zijn Agdam en Kelbajar verboden? ‘Ook voor je eigen veiligheid’, zegt Marina. ‘Die plaatsen zijn nog niet gecleared op mijnen. We suggereren dat je er niet naar toe gaat, anders krijg je problemen met de politie en word je het land uitgezet.’

Uitgerekend Agdam is de stad waar voor de oorlog heel wat Azeri’s woonden. Ik zeg dat het op die manier voor Azerbeidzjan wel erg makkelijk is te claimen dat Nagorno-Karabach propaganda voert en buitenstaanders enkel wil laten zien wat het wil. Ik vraag aan Marina’s baas, Marsel Petrosyan, om mij alsnog toestemming te geven om die twee steden te bezoeken. Het antwoord is neen. Punt.

Woensdag 29 september (5)

Tijdens mijn interview met Buitenlandse Zaken benadrukt Marsel Petrosyan (zie foto) dat Nagorno-Karabach twintig jaar geleden de onafhankelijkheid heeft uitgeroepen en bijgevolg géén deel is van Armenië. Hij hoopt dat de internationale gemeenschap de onafhankelijkheid van zijn “land” vanzelf wel zal erkennen. Gelooft u dat nu echt zelf, vraag ik. Hij glimlacht. ‘Ik hoop dat we op een dag een zitje hebben in de Verenigde Naties, maar ik besef ook wel dat het pad daartoe nog lang is.’ De beslissing van het Internationaal Hof van Justitie over Kosovo’s onafhankelijkheid is volgens Petrosyan in Nagorno-Karabach ijskoud onthaald. ‘De Navo is Kosovo destijds ter hulp gesneld, ons niet. Wij hebben zelf ons grondgebied verdedigd.’

Donderdag 30 september (1)

Sinds het conflict van 1992-1994 zijn er van de drie strijdende partijen nog altijd zo’n 4600 personen vermist (drieduizend daarvan zijn Azeri’s). Ze zijn nooit levend opgedoken maar ook hun lijken zijn nergens teruggevonden. Af en toe worden er wel nieuwe graven ontdekt, maar die worden vooralsnog onaangeroerd gelaten omdat de middelen voor ernstig forensisch onderzoek momenteel ontbreken. Het Internationale Rode Kruis heeft daarom een grote identificatie-operatie opgezet, waarbij familieleden worden ondervraagd over allerhande kenmerken van hun vermiste zonen, broers, neven of kleinkinderen. Kenmerken van het gebit, of ze ooit een bot hebben gebroken, haarkleur, de kleren die ze droegen op de dag van hun verdwijning, dat soort info. ‘Niet eenvoudig, want het is al meer dan zestien jaar geleden’, klinkt het. ‘En kan jij beschrijven hoe het gebit van je broer eruit ziet?’ Bijzonder vriendelijke mensen daar, bij het Rode Kruis in Stepanakert, maar een interview zit er helaas niet in omdat de directrice niet aanwezig is en enkel zij de pers te woord mag staan.

Donderdag 30 september (2)

Littekens van de oorlog zijn in hoofdstad Stepanakert nauwelijks te bespeuren. Dit is Sarajevo niet. Om kapotgeschoten huizen en vernielde straten te zien, moet ik naar dorpen dichterbij de Contactlijn. Op aanraden van mijn tolk Lusine Vanyan (29), doctoraalstudente Engelse fonetiek, passeren we opnieuw via Buitenlandse Zaken om te horen of de dorpen die ik wil bezoeken wel toegankelijk zijn. Het hoofd van de consulaire afdeling neemt er de kaart van Nagorno-Karabach bij en gaat nauwkeurig na waar de dorpjes op mijn lijstje precies liggen. Drie van de tien krijgen een minteken (Maragla, Seisoulan, Getavan), de rest een plusje. Min betekent opnieuw: nogozone. ‘Zo wordt het voor mij wel moeilijk om mijn werk te doen’, leg ik uit. Dat maakt blijkbaar weinig indruk: ‘Het is de wetgeving en zo is het.’ Wanneer ik vraag hoeveel procent van Nagorno-Karabach überhaupt verboden terrein is voor buitenlanders, klinkt het: ‘Daar kunnen we niet op antwoorden.’

Donderdag 30 september (3)

Op een kleine heuvel toont Lusine me Tatik en Papik. De twee metershoge monumenten in rode brik verbeelden het gezicht van een grootmoeder en een grootvader, en behoren tot de belangrijkste symbolen van Nagorno-Karabach. ‘Ze verwijzen naar de familiewaarden en het belang van traditie’, zegt Lusine. Romp en ledematen ontbreken. Niet nodig: het lichaam is de grond van Nagorno-Karabach. Tatik en Papik zijn diep verbonden met de bodem. Wij Zijn Onze Bergen heet het kunstwerk dan ook officieel. Tatik en Papik zijn ook terug te vinden op het visum van Nagorno-Karabach en op de emblemen van het officieel nog steeds illegale leger en politiemacht. Lusine: ‘Een ander belangrijk symbool voor ons is de ezel.’ Verbazend, zeg ik, de ezel is niet meteen een dier waarmee je je wil associëren. ‘Omdat hij dom is? Waar paarden steeds blijven voort draven, stoppen ezels als ze daar zin in hebben. De ezel is koppig, ja. Onverzettelijk. Als hij ergens zijn zinnen op zet, dan zal het zo gebeuren. Zie je de link met Nagorno-Karabach?’

Donderdag 30 september (4)

Op een graswei net buiten Stepanakert is een goede hectare volledig afgezet met paaltjes in de grond. Een twintigtal ontmijners met beschermende maskers prikken minutieus centimeter voor centimeter met een ijzeren pin in de grond. ‘Kom gerust dichter’, roept een man met een T-shirt van de Britse ngo Halo Trust. Euh, is dit pad al vrijgemaakt? Nogal schoorvoetend nader ik de paaltjes. ‘Geen zorgen, dit is een oefenveld. Hier liggen geen mijnen. We zijn een nieuwe lichting ontmijners aan het opleiden.’ De man vertelt dat er na de hele oorlog heel wat antipersoonsmijnen zijn achtergebleven in Nagorno-Karabach. Tien jaar zijn ze al bezig de boel te clearen, nog een jaar of drie te gaan. Ik vraag hem of het risico op mijnongevallen in de “verboden” stad Agdam inderdaad zo groot is als Buitenlandse Zaken laat uitschijnen. ‘Is? Wàs. In Agdam zijn we intussen al klaar met ontmijnen.’

Donderdag 30 september (4)

Tot mijn spijt heeft de taxichauffeur een voorliefde voor Céline Dion en Elton John. Tijdens de lange en hobbelige rit van Stepanakert naar Haterk, een dorp met 1600 inwoners in het noorden, wordt duidelijk hoe dunbevolkt Nagorno-Karabach wel is. Urenlang vrijwel geen mens te bespeuren, enkel prachtige uitzichten en ongerepte natuur.

Donderdag 30 september (5)

Haterk ligt op een goede vijftien kilometer van de Contactlijn en werd tijdens de oorlog grondig verwoest. Vitali Engibaryan (53), de onderburgemeester, geeft een rondleiding door het dorp en toont ons het vernielde kerkje en enkele van de kapotgeschoten huizen van weleer. ‘Zo zijn er hier driehonderd. Het geld om alles te repareren is er niet.’ Op een of andere manier moet ik de antwoorden uit hem sleuren, hij is een man van weinig woorden. Ook wanneer het over de oorlog gaat.

Vrijdag 1 oktober (1)

De vlag van Nagorno-Karabach is vrijwel identiek aan die van Armenië: drie horizontale balken in rood, blauw en oranje. ‘Het verschil is dat wij er een driehoek in trapjesvorm aan hebben toegevoegd’, vertelt de gids van het geschiedenismuseum in Jerevan. ‘Die staat voor de manier waarop we van ons moederland, Armenië, zijn afgescheiden, en de manier waarop we stap voor stap terug naar Armenië toegroeien.’ Het museum toont de geschiedenis van Nagorno-Karabach van in de tijd van de neanderthalers tot aan het conflict van 1992-1994. Voor een “nationaal museum” zijn er eigenlijk maar weinig objecten uit het slagveld voorhanden, op een paar zelfgemaakte geweren en pistolen na. Veel aandacht is er dan weer wel voor de oorlogshelden van Nagorno-Karabach, zoals Karo Kaqhedjian. De diaspora-Armeniër liet zijn hebben en houden in de VS achter om mee te vechten voor de grond van Karabach. Hij overleefde het niet, maar zijn naam zal hier ongetwijfeld nog generaties lang over de tongen gaan.

Vrijdag 1 oktober (2)

Dat ik niet zomaar eventjes de militaire school kon binnenstappen voor een interview met een paar jonge dienstplichtigen, had ik nog wel kunnen vermoeden. Wie niet waagt, niet wint natuurlijk. Maar dat studenten aan de universiteit van Stepanakert (zie foto) niet zomaar de buitenlandse pers te woord mogen staan, vind ik toch wat vreemd. De rector moet daarvoor eerst toestemming geven. Probleem is dat hij uitgerekend vandaag met de vice-rector naar het buitenland is. Naar Transnistrië meerbepaald –die andere regio die zijn eigen onafhankelijkheid heeft uitgeroepen (van Moldavië) en evenmin door de internationale gemeenschap erkend wordt.

Vrijdag 1 oktober (3)

In het centrum van Stepanakert, aan de muziekfontein die vorige maand ingehuldigd is en nu zowat dé ontmoetingsplek vormt, vind ik wel jongeren die een interview willen geven. Vjacheslav Balluyan (20) heeft een dagje vrij. Dat mag wel in zijn drukke bestaan, want Vjacheslav werkt in de medische eenheid van het leger van Nagorno-Karabach én studeert voor assistent-geneesheer. Zijn moeder is afkomstig uit Wit-Rusland, zijn vader uit Nagorno-Karabach. Tot zijn vierde woonde hij in Wit-Rusland, maar na de oorlog verhuisde het gezin naar Nagorno-Karabach. Volgens Vjacheslav merk je niet dat zijn “land” in oorlog is, en gaat het leven hier gewoon zijn gangetje. En de toekomst? Hij droomt van een gewoon leven… huisje, tuintje, boompje.

‘Stel je voor dat je op straat loopt en wordt aangevallen door een groepje van vier’, zegt Ashot Soghomonyan (25), een kameraad van mijn tolk Lusine. We zitten op een zonnig terrasje dichtbij de muziekfontein. ‘Je kan drie dingen doen: je overgeven, vluchten of terugslaan. Ons overgeven willen we niet, dat zit niet in onze genen. Wegvluchten kunnen we niet, waarnaartoe? De enige keuze is terugvechten. We zijn geen uniek fenomeen. Elders in de wereld zijn er nog heel wat staten die vochten en vechten voor hun onafhankelijkheid. We vinden onze strijd voor vrijheid gerechtvaardigd.’ Wanneer ik op het einde van ons gesprek vraag of Ashot nog een boodschap heeft voor de MO*lezers, nodigt hij iedereen uit om Nagorno-Karabach te bezoeken. ‘Zo kan je zien dat het hier niet Afghanistan is en dat we geen jagers-vruchteplukkers zijn.’

Vrijdag 1 oktober (4)

Onderweg in de minibus naar het stadje Shushi (20 eurocent voor een ritje) passeren we langs een groepje heren in chique maatpak die een bouwwerf inspecteren. Of het belangrijke inwoners zijn, vraag ik aan Lusine. ‘De president en eerste minister.’ Shushi zelf is heel wat minder VIP. Op een knap kerkgebouw na (zie foto), en twee Perzische moskeeën die tijdens de oorlog niet zijn vernietigd (maar met hun kapotte ramen en leegstand er ook niet bepaald gezond uitzien), is in Shushi eigenlijk niets te beleven. Een paar duizend inwoners blijven nog over in wat eens een van de belangrijkste steden van de Zuid-Kaukasus was.

Vrijdag 1 oktober (5)

Na drie dagen volle zon barst plotseling een genadeloze regenbui los. In geen tijd staan de straten van de hoofdstad blank. Tegen de donker dreigende onweerswolken boven Stepanakert tekent een dubbele regenboog zich af. Het zou te makkelijk zijn om daarin een voorspoedig teken te zien voor Nagorno-Karabach. De realiteit is toch net iets complexer.

Zaterdag 2 oktober

‘Is je vrouw niet ongerust?’, vraagt Evgeny, een Russische onderzoeker internationale politiek (Universiteit van Rostov) die naar Nagorno-Karabach is afgezakt voor een academische conferentie. We delen de taxi terug naar de Armeense hoofdstad Jerevan. Ik antwoord dat dit niet mijn eerste buitenlandse reportage is en dat ik mijn vrouw heb beloofd de Contactlijn niet te bezoeken. Hij knikt. ‘Die van mij is wel ongerust. Nagorno-Karabach, weetjewel.’ Zelf denkt Evgeny niet dat het opnieuw tot een gewapend treffen zal komen. Rusland probeert volgens hem tussen Armenië en Azerbeidzjan te schipperen. ‘Moskou heeft economische belangen in deze regio, in allebei de landen.’

In het restaurant van hotel Ani Plaza schuift een groepje Iraanse theatermakers aan voor het buffet. Ze hebben vandaag opgetreden op een kunstenfestival in Jerevan. Een van hen vertelt dat het regime in Teheran langzaam maar zeker aan het veranderen is, al moeten ook alle theaterstukken langs de censor passeren. Teheran bruist, zegt hij. En Jerevan? ‘Dit is een stad zonder droom. Iedereen is zo nostalgisch over het Sovjetverleden dat men de eigen toekomst vergeet. De jeugd hier heeft geen radicaal project.’

Zondag 3 oktober (1)

Gregory Jamian (zie foto: samen met echtgenote, dochter en bisschop Avedikian), een Amerikaanse Armeniër uit Detroit, nodigt me uit voor een trip naar Echmiadzin. Zelf bezoekt hij voor het eerst in zijn leven het land van zijn voorvaders, en hij vindt dat een buitenlandse journalist zeker het Vaticaan van de Armeense kerk moet hebben gezien. Onderweg van Jerevan naar Echmiodzin passeren we onder meer de Amerikaanse ambassade, de grootste diplomatieke vertegenwoordiging in Armenië.

Zondag 3 oktober (2)

Goddelijke koorgezangen weerklinken tot ver buiten de muren van de Mayr Tachar-kathedraal in Echmiadzin. Voor de poort staat een vrouw in militair uniform op krukken. Ze mist één been. De sfeer in de kerk is sacraal, overal kaarsjes en vooral héél veel volk. Het is tenslotte zondag. Na de viering stelt Gregory me voor aan bisschop Avedikian, met lange witte baard en zwarte puntmuts –binnen de Armeense kerk de vestimentaire aanduiding voor het celibaat. Avedikian is een innemende man, die zelf nog een tijdlang in Detroit woonde. Hij heeft de huwelijksmis van Gregory en zijn vrouw geleid én zijn dochter gedoopt. Gregory schuift hem een enveloppe toe, een gift uit de VS.

Zondag 3 oktober (3)

‘Dit is de allereerste kathedraal in de christelijke wereld.’ We krijgen een exclusieve rondleiding van de bisschop, die vertelt over de oprichting van de kerk in het jaar 301. ‘De toenmalige koning was ziek en werd genezen door een christen genaamd Gregory. Daarop bekeerde de koning –en Armenië als eerste land ter wereld– zich tot het Christendom. Gregory zag in een visioen dat hij een kerkgebouw moest oprichten. Dat was precies op deze plaats, in het midden van deze kathedraal waar nu het altaar staat.’ Vervolgens toont de bisschop ook de ruimte achteraan het gebouw, waar een hele reeks belangrijke relikwieën achter glas bewaard worden. Er ligt zelfs een stukje hout ‘afkomstig van de Ark van Noah’.

‘Wat vind je zelf van Karabach?’, vraagt de bisschop wanneer hij hoort dat ik over het conflict schrijf. Ik leg uit dat ik verbaasd ben over de wederopbouw van Stepanakert, dat ik betreur dat ik Agdam niet mocht bezoeken en dat het me gezond lijkt als Nagorno-Karabach op termijn niet zo etnisch homogeen blijft. ‘Ik ben het niet eens met alles wat je zegt’, antwoordt de man met een blik waar even een glimp van strengheid doorschemert. ‘Jij probeert evenwichtig te zijn, maar zo zit de wereld niet in elkaar.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur