NGO's en bedrijven

Op het eerste zicht lijkt de globalisering de tegenstellingen tussen NGO’s en bedrijven verder aan te scherpen. De bedrijven, inzonderheid de multinationale ondernemingen, worden door heel wat civiele actoren immers gezien als het speerpunt van een ongebreideld ‘jungle-kapitalisme’ dat ervoor zorgt dat de kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt. Maar tegelijk merk je bewegingen in een andere richting.
Mede door de druk van de NGO’s en andere actoren (consumenten, aandeelhouders) zien bepaalde sectoren uit de bedrijfswereld steeds meer het belang in van ‘corporate governance’, zeg maar maatschappelijk verantwoord ondernemen, in het Noorden en in het Zuiden. Omgekeerd groeit bij NGO’s het besef dat bedrijven de motor van ontwikkeling zijn geworden en dat strategische allianties met de private sector kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de sociale missie van de NGO-sector. Of hoe in tijen van globalisering NGO’s en bedrijven wel gedoemd lijken om op zijn minst een verstandshuwelijk af te sluiten.

CONFRONTATIE… EN SAMENWERKING

“De enige sociale verantwoordelijkheid van bedrijven bestaat erin hun winst te verhogen” (1). Deze gevleugelde uitspraak werd in 1970 verkondigd door Milton Friedman, de latere Nobelprijswinnaar economie en ideoloog van het ultra-liberalisme. Het hoeft geen verwondering te wekken dat de internationale NGO-beweging zich steeds radicaal heeft verzet tegen deze visie op de economie en de rol van bedrijven, alsook op de eenzijdige toepassing van neo-liberale dogma’s in ontwikkelingslanden (bijvoorbeeld in het kader van de structurele aanpassingsprogramma’s en de privatiseringen).

Dertig jaar later, maken we de opkomst mee van een ’globale civiele maatschappij’, een bonte mengeling van organisaties, actoren en burgers wereldwijd. Op korte tijd, heeft deze nog maar weinig gestructureerde mondiale basisbeweging (de zgn. ‘antiglobalisten’ of ‘democratische globalisten’) een plaats weten te verwerven in de politieke arena, in de media en bij de publieke opinie. Het bindmiddel voor deze uiterst heterogene coalitie actoren uit de civiele maatschappij is het verwerpen van de globalisering in zijn huidige vorm en een pleidooi voor een “andere wereld”., gebaseerd op duurzame ontwikkeling, mensenrechten en sociale rechtvaardigheid. In deze alternatieve visie worden de bedrijven, inzonderheid de multinationale ondernemingen doorgaans opgevoerd als de ‘grote boosdoeners’, want door de terugtrekking van de overheid als regulerende instantie zou er geen rem meer staan op hun zoektocht naar winstmaximalisatie in onze globale economie. Dit verklaart wellicht waarom een toenemend aantal NGO’s wereldwijd actie voeren tegen ‘onverantwoord’ of ‘onethisch’ maatschappelijk gedrag van ondernemingen. Daarbij wordt niet alleen geijverd voor het terugdringen van wantoestanden bij productieprocessen in het Zuiden (bvb. kinderarbeid). Steeds meer wringen de NGO’s zich in beleidsfora om nieuwe normen af te dwingen voor een regulering van bedrijven en tracht men ook de modale burger een geweten en een nieuw gedragspatroon (als consument) te schoppen.

Confrontatie lijkt duidelijk het sleutelwoord te zijn om de relatie tussen NGO’s en bedrijfswereld te vatten in deze tijdspanne van dertig jaar. In België oogt de toestand niet anders. In de ontwikkelingssector werden bedrijven lang geassocieerd met twijfelachtige voordelen (ongebonden hulp) en onfrisse praktijken (door een te nauwe verstrengeling met de officiële hulp). Omgekeerd koesterde de doorsnee bedrijfswereld geen verheven beeld van de NGO-sector, mede door de vaak sloganmatige campagnes die NGO’s voerden. Het gevolg was een zeer afstandelijke zoniet vijandelijke houding tussen beide actoren. In recente jaren is een lichte dooi opgetreden en werden er schuchtere aanzetten tot dialoog gegeven. Maar bij de oprichting van de “Bedrijfsgiftenbank » (Corporate Funding Programme), een eerste poging tot samenwerking tussen een select groepje NGO’s en belangrijke Belgische bedrijven, laaiden de passies weer in alle hevigheid op. Niet alleen blijkt het water diep tussen de stichtende leden, voor een deel van de Derdewereldbeweging betekende dit initiatief hoogverraad, een knieval aan de neo-liberale ideologie (2).

Antagonisme, vijandbeelden, wantrouwen, het mogen dan allemaal kenmerken zijn van de relatie tussen NGO’s en bedrijven, ze dekken zeker niet de volledige lading. In het laatste decennium zijn er op allerlei vlakken belangrijke verschuivingen gebeurd, die een zekere ruimte hebben gemaakt voor de opbouw van een nieuw soort relaties tussen NGO’s en bedrijven, gebaseerd op dialoog en samenwerking (met behoud van de eigen identiteit).

FACTOREN VAN TOENADERING

Een eerste verschuiving die voor toenadering zorgt tussen NGO’s en bedrijven situeert zich op ideologisch vlak. Sinds de jaren ’90 vertoont het blinde geloof in het absolute ‘primaat van de markt‘ barsten. In het verlengde hiervan, wordt het belang van een ‘efficiënte staat’ en van ‘goed bestuur’ (op diverse niveau’s) steeds meer erkend, inzonderheid om de negatieve gevolgen van de globalisering beter te beheersen op sociaal-ecologisch vlak. Ook in de ontwikkelingssamenwerking lijkt het eenheidsdenken op de terugweg. In het World Development Report van 1997 (3) maakte de Wereldbank een belangrijke ideologische bocht door onomwonden te pleiten voor een nauwe samenwerking tussen overheid, markt en civiele maatschappij indien men resultaten wil boeken op het vlak van duurzame groei, sociale dienstverlening (onderwijs, gezondheid) en armoedebestrijding. Een boodschap die herhaald, zoniet aangescherpt wordt in het veelbesproken World Poverty Report 2000 (4). In de praktijk van donorinstellingen heeft dit alvast geleid tot een toenemende belangstelling voor ‘publieke-private partnerships’ , of samenwerking tussen overheden, bedrijven en NGO’s met een taakverdeling gebaseerd op de respectievelijke comparatieve voordelen van elke actor.

Een tweede verschuiving heeft plaatsgevonden in de bedrijfswereld zelf. Steeds meer bedrijven, multinationale ondernemingen incluis, profileren zich als aanhangers en actoren van duurzame ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemingschap (de zgn. ‘corporate governance’ of ‘corporate social responsibility’). Zij maken zich sterk dat winstbejag kan gecombineerd worden met zorg voor de ethische, sociale en ecologische bekommernissen die leven bij hun werknemers, aandeelhouders, consumenten (‘stakeholders’). Deze verantwoordelijkheden wordt in toenemende mate verankerd in zelfregulerende maatregelen, zoals gedragscodes, vrijwillige akkoorden, consultaties met ‘stakeholders’, audits door onafhankelijke experten. Uiteraard kunnen vragen gesteld worden bij de motivatie en ernst van de bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen voorop stellen. Het promoten van een imago of het verzekeren van concurrentievoordelen kunnen meer doorwegen dan de zorg voor duurzame ontwikkeling. In elk geval maakt vooral het leadership van diverse multinationale ondernemingen een link tussen ‘corporate governance’ en de groeikansen van het bedrijf op lange termijn. In de woorden van topman Moody-Stuart van Shell (1999) : “In de volgende eeuw zullen duurzame bedrijven verantwoordelijk en gevoelig moeten zijn voor de behoeften van alle betrokken actoren. Zij zullen zich laten leiden door meer dan één parameter. De economische imperatieven, het milieu en de bijdrage tot een rechtvaardige maatschappij, al die dimensies zullen belangrijk zijn voor een bedrijf dat vooruitgang wil boeken. Het verwaarlozen van een van die dimensies kan het geheel in gevaar brengen”. Deze openingen op het niveau van de bedrijfswereld scheppen nieuwe mogelijkheden tot dialoog en samenwerking met NGO’s. Zo merkt men dat bedrijven vaak naar nieuwe partners zoeken – inzonderheid NGO’s– om hen te helpen bij de omschakeling naar meer sociaal verantwoorde productieprocessen.

Een derde verschuiving kan opgemerkt worden bij de NGO’s. Het wapen van de confrontatie blijft een onontbeerlijk instrument voor een efficiënte strijd tegen machtsmisbruik en uitbuiting door private sector actoren die het niet nauw nemen met ‘corporate governance’ . Maar een toenemend aantal NGO’s in Noord en Zuid ervaren de behoefte aan een diversificatie van de actie-modellen naar bedrijven toe, die verder gaan dan het aanklagen van misstoestanden en het mobiliseren van de publieke opinie. Gelet op het doorslaggevende belang van bedrijven in het promoten van economische groei – de basis voor redistributie en sociale vooruitgang– hebben groepen NGO’s de strategische beslissing genomen om in dialoog te treden met het bedrijfswereld in een zoektocht naar een meer sociaal onderbouwde economische ontwikkeling (5).

In de praktijk betekent dit open staan voor overleg, gezamenlijk zoeken naar realistische oplossingen voor komplekse problemen, een wederzijdse bereidheid tot compromissen en in het beste geval zelf de mogelijkheid tot het sluiten van allianties tussen bedrijven en NGO’s rond gemeenschappelijke belangen. Dergelijke coöperatieve modellen zijn relatief nieuw en verlopen vaak moeizaam, onder door de grote kultuurkloof tussen beide actoren. Het is ook een gevaarlijke strategie voor NGO’s, gelet op het risico op coöptatie door bedrijven.

Wat betekent dit alles in de praktijk ? Hoe krijgt die toenadering concreet vorm ? Welke veranderingen kunnen vastgesteld worden op het terrein ? Welke uitdagingen dienen verder aangepakt te worden wil men de synergieën tussen NGO’s en bedrijven versterken ?

Om wat dieper in te gaan op deze vragen, wordt hierna kort ingegaan op drie aspecten van deze zeer ruime problematiek : de complementaire rollen van NGO’s en bedrijven in de internationale samenwerking ; de strategieën van Belgische NGO’s naar de bedrijfswereld toe ; en de vraag hoe de NGO-gemeenschap efficiënt actie kan voeren rond het ‘corporate goverrnance’ van bedrijven.

COMPLEMENTARITEIT TUSSSEN NGO’S EN BEDRIJVEN

Lange tijd was de complementariteit tussen beide actoren volledig zoek in de praktijk van de ontwikkelingssamenwerking. Noordelijke NGO’s en bedrijven opereerden als aparte werelden, elk met hun eigen instrumenten, fondsen en acties in ontwikkelingslanden. Bovendien liet de sterke centralisatie van het ontwikkelingsbeleid in handen van regeringen uit het Zuiden weinig ruimte voor het ontstaan van een lokale private sector.

Die situatie is drastisch gewijzigd in het laatste decennium. Er bestaat thans een ruime ideologische consensus rond het belang van een sociaal verantwoorde privé-sector in het promoten van groei, tewerkstelling en reductie van de armoede. Multilaterale en bilaterale donoren hebben hun beleid naar de bedrijfswereld grondig herzien en een hele resem nieuwe instrumenten in het leven geroepen, in de eerste plaats gericht op bevorderen van een gezonde private sector in het Zuiden.

Voor NGO’s die duurzame ontwikkeling hoog in het vaandel voeren, brengen deze veranderingen belangrijke strategische vragen met zich mee. In welke mate moeten/kunnen dienen NGO’s samen te werken met actoren uit de private sector ? Om wat te gaan doen ? Onder welke voorwaarden kan dit positief zijn voor de verwezenlijking van de eigen doelstellingen ? Welke rol kunnen NGO’s spelen in het bevorderen van een verantwoorde lokale private sector ? Wat zijn de gevaren van dit soort partnerships ? Hoe rijmt samenwerking met het laten horen van een kritische stem ?

Vanzelfsprekend kunnen er geen eenduidige antwoorden op die vragen gegeven worden, want hetgeen je als NGO kan doen hangt in grote mate af van lokale omstandigheden (bijvoorbeeld de visie en het organisatieniveau van de lokale bedrijfswereld). Maar er zijn onbetwistbaar nieuwe ‘windows of opportunities’ voor NGO’s die bedrijven zien als belangrijke strategische actoren/partners in ontwikkeling.

Een eerste concreet voorbeeld betreft de bevordering van processen van lokale economische ontwikkeling, zowel in urbane als rurale gebieden. Traditioneel werd hiervoor alle heil verwacht van centrale overheden of van hulpprojecten (vaak toevertrouwd aan NGO’s). De laatste jaren is het besef gegroeid dat lokale ontwikkeling een intern proces is dat alleen op duurzame wijze kan bevorderd worden als er een dialoog en een samenspel komt tussen publieke actoren, de private sector en de civiele maatschappij. Krachten bundelen rond een gemeenschappelijk visie op de ontwikkeling van een bepaalde lokaliteit is de boodschap. In het kader van de decentralisatieprocessen die in vele landen van het Zuiden plaatsvinden, zie je steeds meer hoe de nieuwe (democratisch verkozen) lokale besturen het intitiatief nemen om de verschillende actoren bijeen te brengen. In die dialoog worden gezamenlijk strategische plannen uitgewerkt, prioriteiten voor lokale ontwikkeling gemaakt, kennis en (lokale) financiële middelen gemobiliseerd. Tevens tracht men afspraken te maken over een taakverdeling bij de uitvoering van de plannen (wie doet wat ?).

Eerder dan in relatieve isolatie een eigen projectwerking verder te zetten, worden NGO’s aangespoord actief deel te nemen aan deze lokale ontwikkelingsprocessen, naast de overheid en de private sector. Hun traditionele protagonistenrol in lokale ontwikkeling wordt hiermee expliciet in vraag gesteld, maar de potentiële meerwaarde die kan gerealiseerd worden in termen van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding verantwoordt een dergeljke omslag. In diverse ontwikkelingsregio’s wordt deze strategie van ‘joint action’ reeds in de praktijk gebracht. Initieel zijn het fragiele processen, omdat de verschillende actoren sterk aan hun eigen territorium gehecht zijn en het een tijdje kan duren voor de dialoog vertaald wordt in concrete acties. Maar er zijn reeds voorbeelden van geslaagde samenwerkingsverbanden tussen lokale overheden, bedrijven en NGO’s, inzonderheid op het gebied van sociale dienstverlening, infrastructuurwerken en de uitvoering van Local Agenda 21 (de lokale vertaling van de besluiten van de top van Rio over duurzame ontwikkeling). In dit soort publiek-private partnerships ligt de complementaire rol van NGO’s vooral in het faciliteren van de dialoog, het verzekeren van participatie van de bevolking en het opnemen van uitvoeringstaken in sociale dienstverlening (6).

Een tweede concreet voorbeeld van complementariteit houdt verband met de donorsteun aan de private sector. De ervaring heeft aangetoond dat het niet evident is om sociale en ecologische bekommernissen volwaarden op te nemen in donorprogramma’s ter ondersteuning van de private sector. Dit bleek o.m. uit de steun die de Europese Commissie verleend heeft aan de ontwikkeling van de toeristische private sector in de Caraïben. Al te vaak werden de programma’s zeer eenzijdig opgezet rond economische doelstellingen, met relatieve verwaarlozing van allerlei andere dimensies die essentieel zijn voor een duurzame toeristische ontwikkeling (inspraak van de lokale bevolking ; band tussen toerisme en lokale economie ; ecologie, enz.). Ook met de instrumenten zelf ter bevordering van de private sector loopt het vaak mis, omdat ze de neiging hebben vooral dienstig te zijn voor sterke, gevestigde ondernemeningen (in buitenlandse handen) en weinig mogelijkheden bieden voor de kleine of informele ondernemingen die zo belangrijk zijn in een perspectief van lokale ontwikkeling en armoedebestrijding. Conclusie : NGO’s kunnen een belangrijke complementaire rol spelen in de zoektocht naar efficiënte vormen van donorsteun aan de private sector in ontwikkelingslanden. Zij kunnen ertoe bijdragen dat deze geldstromen en instrumenten beter aansluiten bij de noden van de lokale bevolking en de vereisten van duurzame ontwikkeling.

Een derde domein waar de behoefte aan complementariteit tussen NGO’s en bedrijven steeds sterker voelbaar wordt situeert zich op internationaal vlak. Ontwikkelingslanden worden verplicht zich in te schrijven in een lange reeks multilaterale overlegrondes in het kader van de Wereldhandelsorganisatie, gericht op verdere liberalisering van de handelsstromen. De ervaring heeft aangetoond dat de grote meerderheid van de zuidelijke regeringen nauwelijks over onderhandelingstroeven en capaciteit beschikt om te wegen op die besluitvormingsprocessen. Omgekeerd zijn de gevaren van een blind openstellen van de lokale markten genoegzaam bekend (verdere erosie van het overheidsbudget door verlies aan douane-heffingen ; verdwijnen van de eigen industrie). In deze vitale dossiers, kunnen de belangen van overheden, bedrijven en civiele maatschappij vaak gelijklopen : de bescherming van reële economische ontplooiingskansen in een zeer competitieve globale economie. De NGO’s (in het Noorden en Zuiden) kunnen een belangrijke complementaire rol spelen in het bouwen van sterke coalities tussen diverse lokale actoren. Dit kan ertoe bijdragen dat zuidelijke landen in onderhandelingsfora standpunten kunnen verdedigen die de vrije markt trachten te verzoenen met duurzame ontwikkeling en sociale vooruitgang. In de praktijk zie je internationale NGO’s langzaam evolueren in die richting.

BELGISCHE NGO STRATEGIEËN NAAR DE BEDRIJFSWERELD TOE

Zoals eerder gesteld, zijn er zeer weinig gestructureerde relaties tussen de Belgische NGO-sector en de bedrijfswereld . Wel zijn er de afgelopen jaren, uit diverse hoeken, heel wat nieuwe initatieven ontstaan die de dialoog met de private sector trachten te bevorderen (bijvoorbeeld KAURI) of die zich toespitsen op de ethische, sociale of ecologische dimensies van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bepaalde Belgische NGO’s zien de bevordering van fair trade als hun kerntaak (Max Havelaar, Oxfam Wereldwinkels). Ook de NGO-campagnes richten hun pijlen steeds meer op de bedrijfswereld, met enig sukses. De Schone Kleren campagne kan terzake als een voorbeeld gelden, mede omdat ze kon buigen op effectieve samenwerking tussen NGO’s onderling. Deze initiatieven moeten toegejuicht worden, maar tegelijk dient vastgesteld te worden dat voor acties met en naar bedrijven toe slechts een zeer beperkt deel van de NGO-middelen worden vrijgemaakt. In de praktijk blijkt het moeilijk mobilisatie te verzoenen met een oplossingsgerichte aanpak naar bedrijven toe. Om de achterban, media en publieke opinie aan boord te krijgen maken NGO’s vaak gebruik van sterk vereenvoudigde analyses en slogantaal, wat uiteraard de dialoog met de geviseerde bedrijven bemoeilijkt. Ook het relatief gebrek aan geconsolideerde internationale netwerking en coalitievorming beperkt de slagkracht van de Belgische NGO’s op dit domein.

In het Zuiden (waar het gros van de NGO-middelen worden besteed) is er nauwelijks sprake van strategische samenwerking met de bedrijven. Onder de tientallen Belgische programma-NGO’s die aan partnerfinanciering doen, zijn er heel wat organisaties die nog volledig functioneren in de ‘projecten-logica’, of het opzetten van geïsoleerde acties met een lokale partner. De meer professionele NGO’s besteden in hun acties weliswaar steeds meer aandacht aan economische aspecten van ontwikkeling (commercialisatie van producten, micro-financiering), maar vaak ook zonder een echte, strategisch doordachte band met het lokale weefsel van financieel-economische actoren. Een zeldzame groep Belgische NGO’s ziet het bevorderen van lokaal ondernemingschap als een hoofdbekommernis. Dit is geval voor de AARON groep (met onder meer ACT, IVA, FORM). In hun optiek vereist lokale ontwikkeling en bestaanszekerheid een lokale private sector, die kan instaan voor groei en tewerkstellingskansen. ACT tracht dit o.m . te bewerkstelligen door steun te verlenen aan bedrijvencentra die allerlei diensten aanreiken aan kleine ondernemers. FORM heeft in Peru een bijzonder interessant project lopen waarbij gemeenten worden aangespoord om deel te nemen aan lokale streekontwikkeling door een ‘Oficina’ ter ondersteuning van de private sector op te richten. In de praktijk stuit de uitvoering van dit soort op tal van moeilijkheden, zeker in landen waar de algemene economische toestand zeer benard is en de kultuur van ondernemen weinig ontwikkeld is. Bovendien kan men dit verhaal soms moeilijk kwijt aan de donoren (o.a. DGIS), die steun aan de lokale private sector moeilijk verbinden met structurele armoedebestrijding (gericht op de armste bevolkingsgroepen).

Deze beperkte interactie tussen Belgische NGO’s actief op het terrein van de partnerfinanciering en de bedrijfswereld (in het Zuiden en in het Noorden) kan betreurd worden. Gelet op de sleutelrol die thans verwacht wordt van de private sector, verdient het alle aanbeveling dat NGO’s een sterkere relatie ontwikkelen tot de markt en de private sector actoren. Dit kan de vorm aannemen van actieve deelname aan lokale economische ontwikkelingsprocessen, gebaseerd op samenwerking tussen publieke en private actoren. Het kan ook betekenen dat de (Noordelijke) NGO’s zich geleidelijk omvormen tot ‘sociale ondernemers’. Dit impliceert dat NGO’s zich op de markt begeven als ondernemers, met een duidelijke economische missie. Centraal is niet het maken van winst (‘profit’), maar het verwezenlijken van een surplus dat kan gebruikt worden om sociale doeleinden te financieren (7). Deze optie kan de sociale missie NGO beschermen tegen de onzekerheden van (afnemende) externe donorsteun en bijdragen tot een lokale verankering van de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling.

In het licht van de weinig ontwikkelde dialoog tussen NGO’s en bedrijven in België valt een initiatief als de bedrijfsgiftenbank (CFP) toe te juichen. De deelnemende NGO’s leveren hiermee het bewijs dat ze, door overleg en samenwerking rond concrete projecten en ethische kwesties, een nieuwe relatie willen uitbouwen met de private sector. Uiteraard is het belangrijk dat deze samenwerking leidt tot concrete acties in het Zuiden. Maar de echte meerwaarde van het CFP berust in het aanreiken van een kader voor het ontdekken van de kultuur eigen aan elke actor en voor het zoeken naar een verstandshuwelijk dat beide partijen verrijkt.

NGO’S EN CORPORATE GOVERNANCE

Hoe kan de NGO-beweging ertoe bijdragen dat bedrijven hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (corporate governance) opnemen in het bevorderen van duurzame ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid ?

Vooreerst door een veel grotere prioriteit (in energie en middelen) te besteden aan deze cruciale taak. In het huidige, vrij fundamentalistische marktmodel, beschikken overheden (op alle niveau’s) over zeer geringe manoeuvreerruimte om de macht van multinationale ondernemingen of speculatieve kapitaalstromen te reguleren. Dit leidt tot een toenemende kloof tussen de rechten en verantwoordelijkheden van ondernemingen (8).

‘Citizen action’, bij voorkeur op lokaal, nationaal en globaal niveau, lijkt in de kontekst van onze globale economie, een van de weinige middelen om een tegenstem te laten horen, druk uit te oefenen voor andere spelregels in het internationaal economisch verkeer. Voor de internationale (Belgische NGO’s) bestaat de uitdaging erin hun protagonistenrol in partnerfinanciering geleidelijk af te bouwen (door delegatie aan lokale actoren) en het gros van hun inspanningen te wijten aan het werken aan nieuwe, internationaal aanvaarde normen, inzonderheid op sociaal-economisch vlak. Zonder voldoende kritische massa, stevige roots in de samenleving en een internationalisering van het lobby-werk zullen de resultaten niet in verhouding staan tot de kansen en noden. Dit veronderstelt een capaciteit om actie op het lokale niveau te verbinden met pogingen tot democratisering en herrvormingen van hogere niveau’s van bestuur, alsook een veel grotere focus op ‘propositie’ (van reële alternatieven en normen voor regulering) eerder dan alleen ‘oppositie’ (9).

Een tweede prioriteit bestaat erin ideologische schijngevechten die paralyserend werken achterwege te laten. Voor elke burger met een gevoel voor rechtvaardigheid is de kloof tussen arm en rijk een schande. Eerder dan op de zijlijn utopieën te verkondigen, is het de taak van de NGO-beweging om alles in het werk te stellen om het kapitalisme te ‘humaniseren’, of zoals Edwards het stelt : “preserving the dynamism of markets, trade and entrepreneurial energy while finding ways to distribute the surplus they create and reshape the processes that produce it” (10). Vertaald naar de Belgische kontekst betekent dit de hand reiken naar een dialoog en een samenwerking met de bedrijfswereld in het kader van de bedrijjfsgiftenbank of andere soortgelijke programma’s. Uiteraard dient deze opening met de nodige omzichtigheid te gebeuren, op basis van een duidelijke NGO-strategie, die visie, kritische analyse en pragmatisme met elkaar probeert te verzoenen. En die zich ook ten volle het recht voorbehoudt “to pursue more aggressive tactics when deemed desirable and productive” (11).

Een en ander veronderstelt evenwel een grondige kultuuromslag in de NGO-wereld. Naarmate publieke hulpstromen minder zwaar dooorwegen (zeker in vergelijking tot private kapitaalstromen) en zolang het regulerend vermogen van overheden niet versterkt wordt door druk van onderuit, ligt in nauwere greep op en samenwerking met de private sector, in al zijn diversiteit, een fundamentele sleutel tot een doelmatige strijd voor duurzame ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid (12).

Jean Bossuyt is programmacoördinator bij het European Center for Development Policy Management (ECDPM).

NOTEN

1. Friedman, M. The Social Responsibility of Business is to Increase its Profits. Artikel verschenen in het New York Times Magazine, 13 september 1970.

2. Mommaerts, O en M. Vandepitte. Het goede doel als big business. Bijdrage in Berichten uit de Wereld. Leuvense Derdewereldraad. Zomer 2001

3. World Bank. The State in a Changing World. World Development Report. 1997. Oxford University Press.

4. World Bank. Attacking Poverty. World Development Report 2000/2001. Oxford University Press, 2000.

5. Henderson, J. Dissonance or dialogue : Changing Relations with the Corporate Sector. In Development in Practice, Volume 10, Nummers 3 & 4, Augustus 2000.

6. Materu, J. e.a. Decentralised Cooperation and Joint Action. Building Partnerships between Local Governments and Civil Society in Africa (met voorbeelden ook van samenwerking met de lokale private sector). ECDPM. Policy Management Report 10. Mei 2000.

7. Fowler, A. NGDOs as a moment in history : beyond aid to social entrepreneurship or civic innovation ? In Third World Quarterly Review, Volume 21, No 4, 2000.

8. Newell, P. Campaigning for Corporate Change. Global Citizen Action on the Environment. In Global Citizen Action (redactie M. Edwards en J. Gaventa). Earthscan Publications, 2001.

9. Nederveen Pieterse, J. Globalisering en emancipatie. Van lokale empowerment tot mondiale hervorming. In Doorlopers en Breuklijnen (redactie P. Hoebink e.a.). Van Gorcum. 1999.

10. Edwards, M. Future Positive. International Co-operation in the 21st Century. Earthscan Publications. 1999.

11. Henderson, J., ibid.

12. Voor een toegankelijk overzicht van het begrip maatschappelijk verantwoord ondernemen, zie Courrier de la Planète. Entreprises : Quelle Responsablité Sociale ? Solagral, Volume IV, 2001.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift