Ngo's en globalisering

De jongste jaren zijn heel wat veranderingen in onze werking doorgevoerd. We zetten die op een rijtje.
1) Vooreerst is er het feit van het samenwerkingsverband Komyuniti (zes NGO’s: Alians, Broederlijk Delen, CRV, Kinderwereldateliers, USOS, Wereldwijd). De Noordwerking berust nu op werkvormen die doorheen de diverse organisaties lopen. Er wordt gestreefd naar betere integratie van Noordwerking en Zuidwerking. De projectendienst van Alians is in die van Broederlijk Delen geïntegreerd. Er wordt gewerkt aan de integratie van partnerfinanciering en van coöperantenwerking. Een gemeenschappelijk communicatiebeleid en logistieke samenwerking staan op stapel.

2) In de Zuidwerking zijn we overgeschakeld van een receptieve (aanvragen werden onderzocht) op een beleidsmatige aanpak. Landenbeleidsnota’s krijgen hierin een centrale rol. Er worden thematische teams opgericht om voor vijf sectoren een specifiek beleidskader uit te werken. De projectencommissie is nu echt een beleidsinstantie geworden. Financieringen worden niet langer project per project beslist, maar op basis van de beleidsnota’s.

3) Er is een concentratiebeweging aan de gang in de Zuidwerking. Het aantal landen en sectoren werd reeds sterk verminderd. Er werden concentratieregio’s afgebakend (hoogstens enkele per land, soms enkele kleinere landen samen). Dit laat een meer intensieve en kwalitatieve partnerwerking toe.

4) De prioriteiten zijn scherper gesteld. Het ontwikkelingsconcept gaat niet langer uit van landen, maar van de doelgroepen (achtergestelde bevolkingsgroepen en regio’s). De basisprioriteit is nu gemeenschapsopbouw, en de aangewende strategie is capaciteitsopbouw. De methodologische prioriteit is belangrijker geworden dan de opdeling van de werking in sectoren.

5) Per concentratieregio wordt een specifiek beleid opgesteld. Doelgroepen en doelstellingen worden per regio uitgewerkt. Vervolgens wordt met de partners overlegd welke rol ze kunnen opnemen in die doelstellingen en hoe ze kunnen samenwerken om deze te realiseren. In functie van de doelstellingen en van hun evolutie worden nieuwe partners aangetrokken en wordt de samenwerking met andere afgebouwd. Op die manier ontstaat een coherente programmawerking per regio.

6) De partnerrelatie krijgt een veel groter belang. De partnerwerking wordt intensiever. Beleidsdialoog met de partners wordt systematische ingebouwd, zowel voor de voorbereiding als voor de uitvoering van het beleid. De projectendienst werd herdoopt tot dienst partnerwerking en in functie daarvan herschikt.

7) Het is evident geworden dat lokale steunpunten noodzakelijk zijn, om de meer intensieve partnerwerking te garanderen en soepeler te kunnen inspelen op de evoluties en gebeurtenissen op het terrein. Bestaande lokale steunpunten (adviesorganen, consultanten, ARDICI, enz.) worden hierin geïntegreerd, en nieuwe steunpunten worden opgestart. Het geheel van Komyuniti-steunpunten wordt gesystematiseerd.

8) In het algemeen wordt gestreefd naar optimalisatie van de kwaliteit en van de impact van de Noordwerking en Zuidwerking. Er is een evaluatiesysteem in opbouw dat de effecten en de resultaten van de programmawerking moet onderzoeken. Daartoe worden onder andere interventielogica’s en indicatoren uitgewerkt voor de basisprioriteit (capaciteitsopbouw), voor de regio’s en voor de deelacties.

De huidige verandering volstaat niet

Dat is heel wat, in een bestek van twee jaar. Waar komt deze evolutie vandaan? De nieuwe regelgeving van de ABOS-medefinanciering heeft zeker als stimulans gewerkt. Het zou evenwel verkeerd zijn om hieruit te concluderen dat wij al te zeer door het ABOS worden gestuurd of indirect door onze zorg om medefinanciering te bekomen. Of het nu gaat om onze eigen hervormingen, om die van de ABOS-medefinanciering en van het ABOS zelf of om de gelijksoortige evolutie in de EU-medefinanciering, ze werden alle teweeggebracht onder invloed van dezelfde trend die de hele sector van ontwikkelingssamenwerking doortrekt. Waar komt deze trend vandaan?

Het is in de eerste plaats de bedrijfswereld die gekenmerkt wordt door samenwerkingsverbanden (ze heten daar fusies en overnames) en door stringente eisen inzake kwaliteit en resultaten. Een parallelle evolutie is hier aan het werk, waarbij het economisch bedrijf model staat voor rationele organisatie. Op een of andere manier worden wij op dit vlak sterk beïnvloed door de cultuur van de globalisering. We beseffen dit slechts ten dele.

En het is op dat punt dat we ons kunnen afvragen of de grondige hervormingen die we de laatste jaren hebben meegemaakt, al voldoende zijn om ons voor te bereiden op de volgende eeuw. Beseffen we wel genoeg dat de globalisering niet alleen de context van onze Zuidwerking bepaalt, maar ook onze eigen samenleving diepgaand beïnvloedt en de toekomst van de ontwikkelings-NGO’s tot in hun institutionele onderbouw op de helling zet?

Keuze tussen aanpassing of verzet

Rationalisatie, samenwerking, optimalisatie van resultaten, ze zijn voor bedrijven een kwestie van leven en dood. Uit de rustige manier waarop wij werken aan ons samenwerkingsverband, blijkt alsnog niet een dergelijk besef van hoogdringendheid. Anderzijds voelen we intuïtief aan dat we niet helemaal willen opgaan in een bedrijfseconomische rationaliteit. Er moet ruimte blijven voor het visionaire, voor de utopie die nooit in een sluitend logisch kader kan worden gevat. De globalisering brengt ons in het spanningsveld van de onzekere keuze tussen aanpassing aan het systeem van de globalisering of reële oppositie. De eigenlijke uitdagingen voor de toekomst liggen in dit spanningsveld. En ze werden nog niet afdoende beantwoord door de hervormingen die nu al in de sector aan de gang zijn.

Welbeschouwd verdraagt de globalisering slechts twee types NGO’s. Het eerste type is dat van de humanitaire hulpverlening die de kwalijke gevolgen van de globalisering verzacht. Het tweede type is dat van de ‘fondsen’ (funds) die de economische ontwikkeling ondersteunen in neoliberale zin (gericht op individueel ondernemerschap). In dit schema is er geen plaats voor kritische organisaties die structurele ontwikkeling en dus ook maatschappelijke verandering nastreven. De globalisering verdraagt trouwens geen kritiek.

Je kunt er niet naast kijken, de humanitaire organisaties voeren een agressieve marketing- en mediapolitiek. Ze liggen goed in de markt, en de markt is de kerk van de globalisering. Hun boodschap slaat makkelijk aan bij het grote publiek. Ze beantwoordt aan de publicitaire wijze waarop de media functioneren. Een boodschap van structurele ontwikkeling is in het huidige bestel veel moeilijker over te brengen.

Er is dan ook een tendens waarneembaar bij de organisaties voor structurele ontwikkeling om de humanitaire hulpverlening mee op te nemen of om te fusioneren met humanitaire organisaties. Wij zitten niet op dat spoor, maar merken de tendens wel in onze omgeving. Van de 16 leden van CIDSE (interntaionaal netwerk van vastenacties) zijn er reeds 7 die ook tot het Caritasnetwerk behoren. Er wordt gewezen op de voordelen. Zo bestrijkt men het hele terrein en wordt het mogelijk om fondsen verkregen voor humanitaire hulp ook naar meer structurele ontwikkeling te kanaliseren. Maar heeft dit niet tot gevolg dat de kritische solidariteitsorganisaties hun eigen identiteit opgeven?

Met het oog op de toekomst is het dus veel minder de vraag of er nog NGO’s zullen bestaan, dan wel welke NGO’s er zullen bestaan. Zullen de maatschappijkritische NGO’s zich kunnen handhaven? Laten we toegeven dat de ideologische basis voor het verzet tegen de globalisering alsnog ontbreekt. De collectivistische modellen hebben afgedaan. Anderzijds verdraagt de globalisering geen kritiek. Omdat we maatschappelijk aanzien willen behouden, wordt het dus een beetje schipperen in de zin van de ‘derde weg’. Kort gezegd, we erkennen de markt, en bepleiten de correctie ervan. Als het bij de globalisering slechts ging over de markt, dan is dat afdoende. Gaat het evenwel bij de globalisering om financiële grootmachten die de wereld in de greep houden, staten en politieke ordes incluis, dan is de derde weg alleen maar een belemmering om tot meer radicale keuzes te komen.

En zolang de maatschappijkritische organisaties onzeker blijven in hun standpunt ten aanzien van de globalisering, worden ze ook in hun financiële onderbouw bedreigd. Want geld, dat is de eigenlijke god en angel van de globalisering. Als de particuliere donormarkt steeds meer ingenomen wordt door de humanitaire organisaties, dan kunnen we geneigd zijn om de medefinanciering structureel in te bouwen. En stel nu dat binnen enkele jaren de subsidiërende overheden ook inzake ontwikkelingssamenwerking de tendens van de globalisering gaan volgen. Dan zijn we natuurlijk gezien. Tenzij we als kritische organisaties de eigen identiteit prijsgeven, en meegaan met de tendens van het humanitaire en het neoliberale.

Opnieuw, de organisaties voor structurele ontwikkeling staan dus voor de keuze: ofwel worden ze deels onbewust gerecupereerd voor het systeem van de globalisering, ofwel gaan ze bewust in het verzet.

Kansen voor maatschappijkritische NGO’s

Er is een kans. Wat de Zuidwerking zelf betreft, is de realiteit van de globalisering al voldoende doorgedrongen. Onze contextanalyse van het Zuiden gaat uitdrukkelijk uit van de globalisering. De globalisering leidt tot de instelling van duale samenlevingen. Concepten als ‘ontwikkelingsland’ of ‘Derde Wereld’ verliezen hierdoor aan relevantie. Landen als Peru of Zuid-Afrika behoren volgend de HDI-classificatie (Human Development Index) tot de middengroep van de ‘middelmatig ontwikkelde landen’. Hun macro-economische indicatoren zijn positief. Kijkt men van meer nabij, dan wordt men geconfronteerd met een groeiende kloof tussen de elite die toegang heeft tot alle voordelen van de geglobaliseerde economie, en de massa die daarvan is uitgesloten. In ons beleid zijn daarom de prioriteitslanden minder belangrijk geworden. We gaan nu uit van de doelgroepen (achtergestelde bevolkingsgroepen en regio’s).

Ook onze thematische en methodologische prioriteiten zijn door de globalisering bepaald. Gemeenschapsopbouw en capaciteitsopbouw zijn de absolute prioriteiten geworden. En deze methodologische prioriteiten zijn nu belangrijker dan de sectorale articulatie. Het komt er nu vooral op aan om de weerbaarheid en zelfredzaamheid van gemeenschappen te bevorderen, in een context waar de overheden de sociale voorzieningen terugschroeven en de economie zich richt op de hoog rendabele sectoren. Bewuster dan voordien zijn de lokale gemeenschappen centraal komen te staan in de Zuidwerking.

Rest de finale uitdaging, die van de Noordwerking. Ook in onze eigen samenleving zet de dualisering zich door. Precies als ontwikkelingsorganisaties zijn we er gevoelig voor dat Brussel steeds meer op Lima gaat gelijken en andersom. In de Derde Wereld heb je nu overal ook een eerste wereld, en in de eerste wereld krijg je overal een derde wereld.

Broederlijk Delen is daarom overgegaan tot nauwere samenwerking met Welzijnszorg. De gemeenschappelijke campagne ‘Vrouwen troef’ is tekenend voor de nieuwe weg die we uitgaan. Werkt de globalisering in het Noorden op dezelfde manier als in het Zuiden, dan moeten we eigenlijk in het Noorden net zo goed aan gemeenschapsopbouw doen als in het Zuiden. We zien waar het heen moet: een gezamenlijke solidariteit van Zuid én Noord tegen de financiële grootmachten die de wereld in de greep houden. En zo’n wederzijdse solidariteit, dat is wat we eigenlijk altijd al hebben gewild.

Ondertussen blijven we wel zitten met een mentale knoop. Onze Noordwerking is vanouds educatie- en animatiewerking, dat wil zeggen, ze probeert om in het Noorden solidariteit met het Zuiden te bewerken. De stroom gaat van Noord naar Zuid. Hoe raken we vandaar naar de wederzijdse solidariteit van Noord en Zuid? De sleutel ligt waarschijnlijk in onze eigen opstelling, die opnieuw te maken heeft met de keuze tussen conformiteit en verzet. Nu doen we nog een beroep op de welwillendheid in het Noorden voor de armen in het Zuiden. De wederkerigheid komt pas tot stand als we opnieuw de inspiratie van de meer militante basisorganisatie vinden, die zich op het standpunt stelt van de armen in Zuid én Noord. Dan kunnen we zowel hier als ginder het verzet steunen tegen de sociale ontbinding en tegen de vernietigende cultuur van consumptie en concurrentie, hier zowel als ginder gemeenschappen opbouwen met alternatieve consumptiepatronen en economieën en via netwerken van gemeenschappen in Noord en Zuid bouwen aan een reëel wereldwijd bondgenootschap en aan een echte tegenmacht.

Transnationale en lokale verankering

Een tijd geleden circuleerde het voorstel tot transnationale verankering van de NGO’s. De financiële grootmachten zijn transnationaal, dus zelf transnationaal worden lijkt de aangewezen reactie. Het is evenwel opletten geblazen. Dit kan er opnieuw toe leiden dat we ongewild door het systeem van de globalisering gerecupereerd worden, als de transnationale verankering leidt tot verlies van contact met de eigen basis en achterban.

Transnationale samenwerking is zeker nodig. Het is de enige weg om effectieve druk uit te oefenen en om politieke actie te voeren. Evenzeer en nog meer nodig is vernieuwde lokale verankering. Want het lokale is de plaats van het verzet tegen het globale. De toekomst van de kritische ontwikkelings-NGO’s die structurele en duurzame ontwikkeling nastreven, is in de eerste plaats afhankelijk van hun vernieuwde lokale verankering. Om het tij te doen keren, zal gedelegeerde NGO-werking niet volstaan. Om aan de vermurwing en verloedering te ontsnappen is een brede maatschappelijke beweging nodig die zich solidair met gelijksoortige bewegingen in het Zuiden verzet tegen de commercialisering van het bestaan en tegen de duale samenleving.

De auteur is stafmedewerker van Broederlijk Delen

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift