Ngo's en lokale capaciteitsopbouw: de agenda voor morgen

Marchetti’s bijdrage ‘De ontwikkelingssamenwerking op haar kop’ stelt het probleem van zin en onzin van de gangbare vormen van ontwikkelingssamenwerking. Onder andere sinds Dirk Barrez’s ‘Val der Engelen’ zijn wij in Vlaanderen vertrouwd met de probleemstelling evenals met de radicale voorstellen om er misschien maar beter gewoon mee op te houden en ons te richten op de politieke essentie van de zaak.
‘De NGO’s falen in hun ambitie om de armoede de wereld uit te helpen. Vanuit dat oogpunt maakt het voor die Derde Wereld geen verschil uit of wij nu allemaal wel of niet geld geven voor ontwikkelingsprojecten (…) Niets doen is veruit te verkiezen boven de huidige ontwikkelingssamenwerking die de Derde Wereld alleen de hand leert omhoog houden voor wat noodhulp of projectenhulp. (…) Eigenlijk is de fundamentele democratisering van de wereldsamenleving de meest dringend opgave voor wie met de ‘ontwikkeling’ van de wereld is begaan. ‘ (Barrez: 64, 103, 108)

Democratie heeft behoefte aan goede NGO’s

Sprekend over de uitdagingen van het ruraal ontwikkelingswerk maakt Marchetti in vele opzichten een gelijkaardige, problematiserende analyse van het falende optreden van de ontwikkelingsbusiness. Zijn conclusie is dat werken aan een reële democratisering - in dit geval van de lokale plattelandssamenleving en van haar relaties met externe ondernemingen, overheidsdiensten en sociale organisaties - inderdaad de politieke essentie van het ontwikkelingswerk is. Capaciteitsopbouw van lokale gemeenschappen is het centrale punt op de werkagenda van het solidariteitswerk. Daar precies ontsnapt men echter niet aan de noodzaak van gesubsidieerde NGO-interventies. Barrez maakt met zijn suggestie om op te houden met NGO-werk een gelijkaardige denkfout als de neoliberale critici van de staatsinterventie. Vanuit een terechte kritiek op het falende optreden van de staat in de landen van Zuiden, leiden deze af dat het beter is de staat maar meteen af te slanken en alles over te laten aan de vrije markt. Op eenzelfde manier leidt Barrez uit het in vele opzichten falende optreden van de NGO’s af, dat ze misschien maar beter worden afgeschaft. Net zoals het falen van de ontwikkelingsstaat geen argument is tegen de staat, maar een oproep voor een betere staat, is de kritiek op het NGO-werk evenmin een argument tegen de NGO’s, maar een oproep tot een grondige bezinning over het wat en het hoe van het NGO-optreden. Een moeilijke opdracht die te veel NGO’s na het lezen van geruststellende paragrafen, zoals deze hierboven, misschien inderdaad wat al te makkelijk voor zich uit schuiven. Provocerende taal zoals die in het pamflet van Barrez kan dan nuttig zijn om mensen wakker te schudden. Ondertussen is dit soort pamfletaire taal ook gevaarlijk omdat ze ten onrechte en zonder het nodige onderscheid het publieke draagvlak van steun aan ‘de’ NGO-werking ondergraaft. En een correcte NGO-werking blijft cruciaal belangrijk precies voor het realiseren van de agenda waar Barrez voor pleit.

Vanuit het lokale perspectief is dé allereerste uitdaging voor NGO-werk immers, bij te dragen tot de democratisering van de gemeenschap en tot de ontwikkeling van toegankelijke, stabiele en duurzame marktstructuren waarin goederen en diensten verkocht en gekocht kunnen worden. Door de internationale solidariteit gesubsidieerde NGO-interventies hebben hier absoluut hun reden van bestaan. Wie anders dan de NGO’s zijn bereid om vanuit een geëngageerd perspectief van solidariteit met de uitgeslotenen, de noodzakelijke leer- en coördinatiekosten te dragen? Van privé-ondernemingen kan dit moeilijk verwacht worden, aangezien de potentieel enorme voordelen (een meer geolied functioneren van het sociaal en economisch netwerk) van zulke investeringen niet door henzelf toegeëigend kunnen worden. Om het in het technische jargon van de economisten te zeggen: dit soort investeringen heeft het karakter van een ‘publiek goed’ en zal in de privé-sector altijd weinig in trek zijn omdat de winst ervan niet individueel opgestreken kan worden. In een publicatie van de Wereldbank is dit trouwens de reden waarom dit soort investeringen in sociale innovaties en in de opbouw van marktstructuren wordt beargumenteerd als een belangrijk nieuw terrein van noodzakelijke overheidsinterventie (Hoff, et.al, 22). Probleem hier is uiteraard dat de kwaliteit van het optreden van de staat bijna per definitie afhangt van het dikwijls ondemocratische gehalte van de bestaande politieke structuren en van de heersende cultuur. Ook al is dat niet totaal onmogelijk - de staat is immers zelf een sociaal strijdtoneel - toch komt dit als het ware neer op de verwachting dat de staat zijn eigen structuren en cultuur gaat hervormen. Van de lokale gemeenschap, dikwijls in hoge mate in de knoop met zichzelf of functionerend volgens gevestigde patronen van afhankelijkheid en uitsluiting, kan tenslotte ook niet zomaar worden verwacht dat ze uit zichzelf alle coördinatieproblemen oplosten en er de kosten van draagt.

Het is dan ook hier dat de NGO’s, al dan niet expliciet in alliantie met op sociale emancipatie gerichte bewegingen, een zeer belangrijke taak hebben. Als een soort van semi-publieke instellingen kunnen en moeten zij de voorhoede zijn van de noodzakelijke sociale en economische democratisering. Dikwijls zijn enkel zij bereid en bekwaam om het initiële leergeld te betalen dat nodig is voor het opstarten van strategische ondernemingen en/of voor het zoeken naar methodes voor het stimuleren van meer democratische en effectieve lokale organisatievormen. Gesubsidieerde NGO’s zouden de broeikas van nieuwe, al dan niet ‘sociale’ ondernemingen (1) en van beter geconsolideerde lokale gemeenschappen moeten zijn. Zij hebben hierbij vooral een belangrijke experimentele functie. Vanuit hun kleinschalige initiatieven kunnen we ze bekijken als producenten van aangepaste methodes voor het opstarten van duurzame ondernemingen, die van strategisch belang zijn voor de uitgeslotenen, en voor de concrete democratisering van lokale gemeenschappen. Enkel verbonden met succesvolle initiatieven op deze terreinen kunnen daarna ook echt emanciperende, politieke beleidsmaatregelen worden uitgekozen die dan met de steun van nationale en internationale bondgenoten politiek worden bevochten. Al te dikwijls verzandt de progressieve, politieke agenda immers in voluntaristische eisen zonder verband met concreet werkbare initiatieven. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat ‘het volk’ steeds minder gelooft in de recepten van de ‘linkse’ politieke bewegingen (2)

Een voorbeeld: krediet in Nicaragua

De recente discussie rond rurale kredietverlening in Nicaragua kan onze ideeën illustreren. In het kader van de financiële liberalisering, met onder meer de sluiting van de staatsontwikkelingsbank, is er een enorm gebrek aan kredietverlening op het platteland. Dit contrasteert scherp met de Sandinistische periode toen diezelfde bank massaal en extreem goedkoop krediet verleende en toen de cliënten, arme en vooral rijke, de gewoonte aankweekten niet terug te betalen. Met de schaarste van vandaag is toegang tot krediet logischerwijze een belangrijke progressieve eis in Nicaragua. In deze context verwierven alternatieve financiële systemen van de boerenbeweging en NGO’s, zoals Nitlapán, tezelfdertijd een belangrijke plaats op het terrein. Internationale en nationale NGO’s hebben hier het leergeld betaald, zodat vandaag de beste onder hen een behoorlijk niveau van economische leefbaarheid hebben bereikt. Gesteund door de internationale microkredietbeweging lieten deze ervaringen de lokale financiële systemen toe om over een (onvolmaakt) juridisch statuut van financiële NGO te onderhandelen met de Nicaraguaanse overheid. In dit kader kunnen zij zich vandaag legaliseren en zo de basis leggen voor de verdere groei en expansie die nodig zijn om het vacuüm aan kredietverlening op het platteland op te vullen.

De onderhandelingen met de Nicaraguaanse staat (en zijn multilaterale raadgevers) leverden ook een aantal politieke strijdpunten op waarvoor verder wordt gestreden vanuit de beweging voor duurzame rurale kredietverlening aan de kleine rurale producenten. Een eerste strijdpunt is gericht tegen sommige Nicaraguaanse politici, Sandinistische en liberale, die weinig banden hebben met de concrete alternatieven op het terrein en daardoor vervallen in een populistisch discours. De strijd heeft concreet te maken met een nieuw fonds voor rurale kredietverlening aan de kleine boeren dat mede onder impuls van de Wereldbank werd opgericht om het vacuüm op het platteland op te vullen. Samen met de Wereldbank willen de Nicaraguaanse financiële NGO’s dat dit fonds extra middelen zou kanaliseren naar duurzame financiële systemen die werken volgens objectieve criteria. Vele politici zien in het fonds echter een nieuwe kans om op een traditionele manier hun politiek cliënteel te bevoordelen. Sandinistische en liberale politici pleitten ervoor het krediet rechtstreeks vanuit het fonds naar de kleine boeren te versassen in plaats van de ‘veel te dure’ financiële NGO’s te versterken. Het te voorziene resultaat van deze optie zou echter politieke bevoordeling en niet-duurzame kredietverlening zijn.

Een tweede politiek strijdpunt is de relatie met de commerciële banken die de riskante rurale kredietverlening bijna volledig overlaten aan de financiële NGO’s, maar die hen tezelfdertijd niet het recht gunnen om spaarmiddelen te verzamelen op het platteland, door totaal onrealistische reserve-eisen op te leggen.

Dat alles illustreert hoe Nicaraguaanse NGO’s strategische, financiële ondernemingen voor de kleine producenten hebben voortgebracht en hierdoor een nieuw kredietfonds van de overheid in het leven hebben geroepen. De noden die vanuit deze ervaringen groeien, geven dan weer aanleiding tot in de praktijk gewortelde politieke eisen en strijdpunten - die uiteraard niet allemaal onmiddellijk worden ingewilligd. En het zullen tevens de NGO’s zijn die eventueel bereid zijn de kosten te betalen om de impact van de financiële NGO’s te blijven evalueren en van daaruit kritische elementen aan te dragen voor het bijsturen van het beleid van de overheid, van multilaterale instellingen en van financiële ondernemingen. Het is met dit alles duidelijk dat het tezelfdertijd pleiten voor prioriteit van de politieke democratiseringsagenda én voor de ongenuanceerde afschaffing van het NGO-werk in de praktijk tegenstrijdig is. Zonder NGO’s die de kosten hebben betaald voor het hele leerproces om te komen tot leefbare financiële ondernemingen zouden we vandaag niet meer kunnen doen dan pleiten voor verdere geldverspilling via de failliete staatsbank of ons erbij neerleggen dat kleine ondernemers op het platteland geen krediet meer kunnen krijgen (3).

Evaluatie: goede en slechte projecten?

Dat NGO’s een potentieel belangrijke rol te spelen hebben betekent echter niet automatisch dat alle NGO-werk goed en effectief is. Wat dat betreft deel ik de bezorgdheid van Marchetti, Barrez en anderen nl. dat veel van het NGO-werk ofwel niet gericht is op het democratiseren van de lokale samenleving ofwel niet de juiste manier vindt om hieraan te werken. Een zonder twijfel nog veel te groot deel van de NGO’s bekommert zich nog altijd enkel om de correcte uitvoering van duidelijk afgebakende en controleerbare projecten, zonder oog te hebben voor de wisselwerking met de lokale sociaal-politieke context die nochtans essentieel is voor de uiteindelijke impact van de projecten (cfr. rockonolla-effect).

Die duidelijk afgebakende projecten maken immers niet alleen het werk op het terrein minder complex, maar hebben ook grote voordelen voor het technisch-administratief beheer van projecten door de (mede)financieringsorganisaties. Zo wordt het immers makkelijker om duidelijke logische kaders van de acties op te stellen en kunnen de resultaten met eenvoudige, verifieerbare indicatoren worden gemeten en geëvalueerd. Ook de afrekening en verantwoording van de gekregen financieringsmiddelen worden hierdoor relatief eenvoudig. We hebben trouwens de indruk dat dit soort projecten om deze redenen van bureaucratische helderheid ook dikwijls de voorkeur wegdragen van de ‘gemiddelde ambtenaar’ bij de overheid die aanvraagdossiers van NGO’s moet beoordelen.

Het grote probleem met dat systeem is echter dat het weinig of geen aandacht heeft voor de uiteindelijke impact van de actie op de complexe realiteit van de lokale gemeenschap. Zoals Marchetti aangeeft, loopt het beheersperspectief in omgekeerde richting van de geldstroom, gekoppeld aan het meestal buiten de gemeenschap om gedefinieerde logische kader. De beheers- en evaluatievragen gaan over het ‘juist, goedkoop en op tijd uitvoeren van activiteiten’, zelden echter over de juistheid van de uitgevoerde activiteiten. Dit betekent dat de huidige tendens tot professionalisering van het NGO-werk, met haar nadruk op administratief-technische instrumenten zoals het logisch kader en de daarmee verbonden monitoring en evaluatie, met de nodige kritische zin gevolgd moeten worden. Op een eng bureaucratisch-controlerende manier geïnterpreteerd, met de klemtoon op administratieve beheersbaarheid en punctuele verantwoording van de gevraagde middelen, zou de recente evaluatiegolf ons wel eens verder weg kunnen voeren van relevant en effectief NGO-werk, in plaats van ons er dichter bij te brengen.

Hiermee wil ik zeker niet suggereren dat evaluatie minder aandacht dient te krijgen, integendeel. Zoals Marchetti uitgebreid illustreert worden NGO’s die kiezen voor lokale democratisering onvermijdelijk geconfronteerd met de complexiteit en de weerbarstigheid van de lokale gemeenschappen. Vele NGO-initiatieven die lokale capaciteitsopbouw nastreven vinden dan ook niet de juiste methode om hier op in te spelen en draaien uit op mislukkingen. Onderzoek en evaluatie zijn absoluut en dringend noodzakelijk om meer inzicht te verwerven in relevante processen en werkwijzen, met name om het ingewikkelde verband tussen de vele ongecoördineerde projectinterventies en de uiteindelijke impact op de lokale gemeenschap beter in kaart te brengen. Met onze capaciteit om dit verband beter te beschrijven, staat of valt niet alleen onze geloofwaardigheid tegenover de achterban en de medefinancierende overheid, maar uiteraard ook de effectiviteit van onze interventies zelf.

Op-het-terrein-wordt-het-ingewikkeld: geen giften

In algemene theoretische termen is het makkelijk om aan te geven waar NGO’s zich wel en zich niet mee hoeven bezig te houden. Gesubsidieerde acties zijn noodzakelijk en aangewezen wanneer ze een ‘publiek goed’ karakter bezitten, maar ook alleen dan. NGO’s dienen zich dus te richten op investeringen die een hoge collectieve opbrengst hebben, maar die niemand individueel kan en wil doen omdat de winst niet kan worden opgestreken. Rechtstreekse subsidies aan activiteiten van specifieke groepen of personen zijn uit den boze. De problemen met het werken ‘buiten-de-rivier’ en de moeilijkheden met de ‘verwende honden’ waar Marchetti naar verwijst hebben trouwens bijna altijd te maken met het onverantwoord kanaliseren van - in lokale termen dikwijls aanzienlijke - financiële middelen naar specifieke doelgroepen. Op die manier kopen projecten zich dikwijls een achterban en veronderstellen ze lokale organisatie te promoten, maar in de praktijk veranderen ze niets duurzaams aan de lokale structuren of creëren ze zelfs nog meer problemen. In het seminarie in Nicaragua stelde Marchetti onomwonden dat giften per definitie, d.w.z. vanuit de essentie van de giftrelatie zelf, niet geschikt zijn om de lokale capaciteit tot zelfontwikkeling te stimuleren. We laten hem even aan het woord: ‘In het klassieke ontwikkelingswerk is er meestal sprake van geld dat gratis, zonder tegenprestatie geschonken wordt. Tegenover dat geld kunnen de bevoordeelden maar weinig rechten laten gelden: het is een cadeau, een vorm van caritas. De structuur van deze relatie is zo dat het de waarde van de bevoordeelde personen vermindert, dat het afhankelijkheid creëert en verleidt tot een door de gever gewenste houding die wordt beloond door nog meer voordelen. Heel anders verloopt het inderdaad als het geld door de doelgroep verdiend wordt als vergoeding voor gepresteerd werk voor een geleverde producten of diensten. In dat geval heeft de koper recht op een goed product, op toezicht en eventueel op ontevredenheid en weigering. Verdiend geld geeft wel waarde aan de persoon en maakt dat de wederzijdse autonomie wordt gerespecteerd.’

In een studie voor Broederlijk Delen hebben we uitgebreid aangetoond hoe rechtstreekse giftenfinanciering de autonomie en de zelfontwikkeling van de gemeenschappen eerder schaadt dan helpt, oneerlijke concurrentie in het leven roept en soms lange tijd niet-duurzame economische initiatieven in stand houdt met uiteindelijk negatieve effecten voor de ‘verwende honden’. Nitlapán-medewerker René Mendoza vatte de nefaste gevolgen van een op giften gebaseerde relatie tussen NGO’s en de lokale gemeenschappen als volgt samen: ‘De NGO’s als beste vriend? Vanuit het perspectief van de gemeenschap is het niet meer interessant om vriendschapsrelaties te ontwikkelen en de informele organisatie, die een soort toekomstige investering in sociale zekerheid is, verder uit te bouwen. Het is beter vrienden te hebben bij de (buitnelandse) NGO’s. Om respectabel te zijn in de lokale gemeenschap moet men banden met NGO’s bezitten en toegang hebben tot ’hulp’, moet men ‘intermediair’ zijn. Op die manier stimuleren subsidies een ander type van organisatie, structuur en leiderschap. De bestaande sociale organisatie (meestal verticale relaties) wordt aangetast, maar het voorgestelde alternatief is niet minder verticaal: de nieuwe afhankelijkheid bestaat nu niet langer t.o.v. de lokale elite maar t.o.v. de outsiders en hun intermediairen. Andere vormen van organisatie en leiderschap gebaseerd op wederzijds vertrouwen en samenwerking, beantwoordend aan de behoeften van de mensen en ’bruggen bouwend’ tussen mensen hebben het moeilijker om zich te ontwikkelen.’ (Mendoza, 9-10)

Op-het terrein-wordt-het-ingewikkeld: wat te doen?

Rechtstreekse giften zijn dus niet de aangewezen manier om aan lokale capaciteitsopbouw te doen. Maar wat zijn dan wel aangewezen interventies? Ook hier ligt het theoretische antwoord voor de hand. Activiteiten moeten gericht zijn op het beter functioneren van de lokale samenleving en van haar relaties met de buitenwereld (staat, markt en sociale organisaties). NGO’s moeten vooral een rol spelen als ‘facilitatoren’ en zelfs als katalysatoren van de lokale samenlevingsprocessen. Probleem is echter dat de relaties tussen oorzaak, effect en impact hier allesbehalve duidelijk liggen (Oakley, et.al.,41). Zoals we boven al aangaven is het niet onmiddellijk klaar wat de componenten van een beter functionerende samenleving precies zijn. Nog moeilijker wordt het wanneer een verband gelegd moet worden tussen bepaalde activiteiten van NGO’s en het al dan niet accumuleren van lokaal sociaal kapitaal. We worden hier geconfronteerd met misschien wel de belangrijkste paradox uit het ontwikkelingswerk: de kwaliteit van de lokale maatschappelijke software moet de centrale focus van de acties zijn, maar de invloed van onze acties op die kwaliteit is niet zo makkelijk in kaart te brengen. Niet te verwonderen dus dat het verhaal van het ontwikkelingswerk een zo moeizame, maar daarom niet minder noodzakelijke zoektocht is. Niet voor niets ook dat Marchetti vanuit zijn praktische ervaringen - op het eerste gezicht kan dat wat ontgoochelend zijn - niet veel verder komt dat het aangeven van een reeks spanningsvelden die in evenwicht gehouden moeten worden.

Wanneer het gaat over vorming, over rurale animatie of over het opbouwen van strategische ondernemingen zoals bv. een banksysteem, kunnen we zeker één belangrijke methodologische conclusie trekken: wie zich als organisatie niet wil engageren voor een langetermijnrelatie met een lokaal territorium om van daaruit een gemeenschappelijk leerproces aan te gaan, kan het niet ernstig menen met de lokale capaciteitsopbouw. Het gangbare principe dat een project nooit langer dan 5 jaar mag duren omdat het anders afhankelijkheid creëert klopt helemaal niet. De uitdaging is immers om als NGO aansluiting te vinden met en stimulansen te geven aan een duurzame, lokale, institutionele vernieuwing. Als de aanwezigheid aanleiding geeft tot afhankelijkheid, dan draagt ze gewoon niet bij tot de gewenste vernieuwing en is de aangewezen maximale duur van het project niet vijf maar nul jaar. De vraag is zelfs of de NGO-aanwezigheid niet van bij het begin gericht moet zijn op een bij wijze van spreken eeuwigdurende aanwezigheid. Voor strategische ondernemingen als banksystemen, vermarktingsorganisaties en trainingscentra ligt dat voor de hand. Maar ook animatie- en vormingswerk heeft slechts een duurzame impact als het geleidelijk aan wordt ingebed in het permanente netwerk van lokale sociale organisaties.

Samen de eigen capaciteit opbouwen

Er is dus een groeiende consensus dat capaciteitsopbouw altijd te maken heeft met moeizame veranderingsprocessen op lange termijn (10 jaar en langer). Consensus is er ook

over de stelling dat er voor capaciteitsopbouw geen afgewerkte receptenboeken bestaan, maar dat het proces van capaciteitsopbouw altijd vanuit een specifieke lokale context moet verlopen. Een cruciale uitdaging op het terrein is dan ook de vraag hoe we ons organiseren om samen met de doelgroepen te leren uit voorbije ervaringen, fouten in de aanpak te corrigeren, of snel in te spelen op veranderingen in de context. Capaciteitsopbouw veronderstelt het bewust organiseren en opvolgen van het samenspel van de acties met de verschillende rechtstreeks of onrechtstreeks betrokkenen (die niet noodzakelijk allen dezelfde belangen te verdedigen hebben). Effectief NGO-werk veronderstelt met andere woorden een soort van pioniersgeest, een ondernemersspirit om die processen in gang te zetten en te beheren die kunnen leiden tot het ‘produceren’ van gedemocratiseerde, meer coherente lokale gemeenschappen en van leefbare strategische ondernemingen.

Aangezien lokale capaciteitsopbouw altijd aan de specifieke context aangepast moet worden, zijn nationaal ingebedde NGO’s de meest aangewezen operatoren om op dit terrein actief te zijn. Bovendien vormen ze zelf een essentieel onderdeel van de nationale ontwikkelingscapaciteit van een streek of land. Buitenlandse NGO’s die opteren voor capaciteitsopbouw dienen dus te kiezen voor het samenwerken met en versterken van lokale partnerorganisaties die zich hierop willen toeleggen. Omdat er in het NGO-wereldje maar weinig termen bestaan die op zoveel verschillende manieren worden begrepen als de term ‘partnerorganisatie’, onderstrepen we voor alle duidelijkheid dat het hier gaat over (potentieel) stevige, intermediaire, professionele organisaties en niet over de veelheid van de organisaties van de doelgroepen met wie NGO’s van hier via hun financiële steun pretenderen partnerrelaties te hebben.

Marchetti’s voorstel voor langetermijn-driehoekscontracten tussen internationale NGO’s , degelijke nationale NGO’s, en doelgroepen in concrete territoria lijkt mij in deze context interessant. De idee sluit ook aan bij opvattingen uit de officiële ontwikkelingshulp die zeggen dat langetermijn-‘verzusteringscontracten’ tussen instellingen in Noord en Zuid een aangewezen mechanisme voor capaciteitsopbouw zijn (Moore, 59). De agenda die voorligt is dan het gezamenlijk opbouwen van een bekwaamheid om de moeizame processen van lokale capaciteitsopbouw op een meer effectieve manier te stimuleren en te begeleiden naar duurzame resultaten. Probleem is dat noch de lokale NGO’s noch de internationale NGO’s vandaag reeds ten volle de bekwaamheid in huis hebben om deze agenda aan te vatten.

In het Zuiden zijn ongetwijfeld zeer professionele, bekwame organisaties aanwezig die omwille van hun lokale inbedding en ervaring dikwijls veel beter weten waarmee ze bezig zijn dan de meeste organisaties uit het Noorden. Hun aantal is echter beperkt en onvoldoende. Er moet dus geïnvesteerd worden in de capaciteitsopbouw van nationale NGO’s in het Zuiden. Het ligt voor de hand dat dit een opdracht is voor de buitenlandse NGO’s. Zij moeten bereid zijn op te treden als ‘facilitatoren’ in een wereldwijd leerverband. Als kruispunt van vele ontwikkelingservaringen in de hele wereld kunnen zij een cruciale rol spelen bij het verstevigen van de lokale NGO’s. Door middel van stages, evaluatierapporten, door vergelijkende bevraging van initiatieven in gelijkaardige sectoren, door gezamenlijk georganiseerde vormingssessies, door te helpen bij het vinden van informatie enz. kunnen zij de nationale NGO’s op een georganiseerde manier in contact brengen met ervaringen van andere NGO’s. Dit is echter een relatief nieuwe agenda voor de meeste NGO’s van hier. De optie voor een programmawerking met geografische en thematische inperkingen is uiteraard een noodzakelijke voorwaarde om deze opdracht te kunnen opnemen. Het is immers onbegonnen werk om over een veelheid van thema’s en landen de nodige kennis en contacten op te bouwen die noodzakelijk is om die ondersteunende rol op een effectieve manier te spelen. Waarschijnlijk is er ook behoefte aan vorming voor de stafmedewerkers van de buitenlandse NGO’s. Zij moeten meer dan voorheen een profiel van onderzoeker/ communicator/organisator krijgen. Hier ligt ook een terrein voor samenwerking met de universiteiten, maar dan moeten de academici wel bereid zijn om hun handen vuil te maken aan het moeilijke werk op het terrein in samenwerking met NGO-partners hier en in het Zuiden.

Bibliografie:

Barrez, D. (1993) ‘De Val der Engelen’ in Het Orkest van de Titanic. Werken aan andere Noord-Zuid Verhoudingen. Brussel, Student Aid-VUBPress, pp. 37-115.

Bastiaensen, J. De kritiek op de giftenfinanciering. Onderzoeksrapport 1. Bijdrage aan het Broederlijk Delen onderzoeksproject over de praktijk en de principes van de financiering van economische projecten. Antwerpen, Universiteit Antwerpen, UFSIA, 60 p.

Hendrickx, B. ‘Democratie op een laag pitje’ in Noord-Zuid Cahiers. Themanummer Democratie. Antwerpen, Wereldwijd, jaargang 18, nr.4, december 1993, pp. 23-36.

Hoff, K., A. Braverman & J. Stiglitz. ‘Introduction’ in The Economics of Rural Organization. Theory, Practice, and Policy. A World Bank Publication. Ed. K. Hoff, A. Braverman & J. Stiglitz. Oxford, Oxford University Press, pp.1-29.

Mendoza, R. (1996) Dilemmas of Promoting Development: the role of (I)NGO’s. Bijdrage aan het Broederlijk Delen onderzoeksproject over de praktijk en de principes van de financiering van economische projecten. Antwerpen, Universiteit Antwerpen, UFSIA, 17 p.

Moore, M. with S. Stewart & A. Hudock. (1995) Institution Building as a Development Assistance Method. A review of literature and ideas. SIDA Evaluation Report.Stockholm, SIDA.

Oakley, P.; B. Pratt & A. Clayton. (1998) Outcomes and Impact: Evaluating Change in Social Development. INTRAC NGO Management and Policy Series n° 6. INTRAC.

Noten:

1. Zij die voorstellen om NGO’s om te vormen tot ‘sociale’ ondernemingen vergeten m.i. dat ook die ondernemingen niet in staat zullen zijn om de initiële kosten te dragen voor de opstart- en leerprocessen, nodig voor het normaal laten functioneren van deze ondernemingen. Ik ga wel akkoord dat NGO’s zich meer moeten richten op het voortbrengen van dit soort ‘sociale’ ondernemingen die van cruciaal belang zijn voor duurzame veranderingen in het sociaal-economische netwerk. Verwachten dat die ondernemingen - zonder subsidies en zonder aangepast opbouwwerk - zomaar uit de lucht zullen vallen, getuigt van eenzelfde optimisme als dat van neoliberalen die overtuigd zijn dat het privé-initiatief in de vrije markt alles zal oplossen.

2. Dit is ook de grote beperking van Barrez’ pleidooi ons te concentreren op de essentiële internationale en nationale politieke kwesties. Uiteraard zijn die zeer belangrijk, maar tegelijk moeten wij vaststellen dat de grote zwakte van alle pleidooien voor een alternatieve politiek precies liggen in de afwezigheid van werkbare voorstellen die zijn geworteld in concrete veranderingsprocessen. Zo kan je zeer terecht pleiten voor een rechtvaardigere internationale handel of voor een meer evenwichtig internationaal financieel systeem. Maar je moet wel meteen beseffen dat de onrechtvaardigheid dikwijls meer te maken heeft met onevenwichten in capaciteiten en structuren, dan met een oneerlijk beleid als zodanig. Wat de politici ook mogen beslissen qua alternatief beleid, bij de uitvoering ervan dreigen de sterkeren toch weer de voordelen naar zich toe te halen. Ook hier speelt het ‘rockonolla-effect’ waar we het eerder over hadden.

3. Dit is misschien wel dé belangrijkste les van het Sandinistische debacle: zonder werkbare democratiserende modellen vanuit het microniveau is er van een revolutie niet veel te verwachten. Of zoals B. Hendrickx in een vroeger Noord-Zuid Cahier de ‘neomarxist’ Immanuel Wallerstein aan het woord liet: ‘Op één punt moet de strategie totaal verschillen van die van het verleden: sociale hervorming bereikt men niet door het verwerven van staatsmacht. Dat wil niet zeggen dat staatsmacht geen nut heeft, maar ze werkt bijna nooit vernieuwend of maatschappij omvormend, ze is ongeschikt om de macht te spreiden en om gelijkheid te bevorderen.’ (Hendrickx, 1993:36) Het is de taak van NGO-interventies om mee werkbare modellen van verandering te produceren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift